Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BX1202

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
11-07-2012
Datum publicatie
12-07-2012
Zaaknummer
10-3240 ZW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beƫindiging ziekengelduitkering. Appellante werd niet meer ongeschikt geacht tot het verrichten van haar arbeid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/3240 ZW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 14 april 2010, 09/3611 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[A. te B.] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 11 juli 2012

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J.P.M. Sio, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 februari 2012.

Appellante is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.W.L. Clemens. Na heropening van het onderzoek is het geding opnieuw behandeld ter zitting van de Raad op 13 juni 2012. Namens appellante is verschenen mr. S.J.E. Loontjes, advocaat. Het Uwv heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. Clemens.

OVERWEGINGEN

1. Appellante is op 14 september 2007 ongeschikt geworden voor haar werk als huishoudelijke hulp in de thuiszorg. Naar aanleiding hiervan is aan appellante, na het einde van haar dienstverband op 8 oktober 2007, een ziekengelduitkering toegekend.

2. Bij besluit van 27 april 2009 heeft het Uwv de ziekengelduitkering met ingang van 28 april 2009 beƫindigd, omdat appellante op en na deze datum niet meer ongeschikt werd geacht tot het verrichten van haar arbeid.

3. Bij besluit van 29 juni 2009 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 27 april 2009 ongegrond verklaard.

4. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarbij beslissende betekenis toegekend aan de door de (bezwaar)verzekeringsarts uitgebrachte rapporten. De rechtbank heeft daarbij - samengevat - overwogen dat uit de medische gegevens valt op te maken dat de psychische klachten van appellante steeds minder erg werden en dat deze klachten, evenals de nek- en rugklachten, ten tijde in geding geen belemmering meer vormden om haar werk te verrichten. Naar het oordeel van de rechtbank was dan ook voldoende onderbouwd dat de verzekeringsarts op 27 april 2009, mede na overleg met een arbeidsdeskundige, een ander standpunt innam dan voorheen. De rechtbank heeft verder in aanmerking genomen dat de verzekeringsartsen rekening hebben gehouden met de overgevoeligheid van appellante voor huisstof.

5.1. Hetgeen appellante heeft aangevoerd is geen reden om van het oordeel van de rechtbank, neergelegd in de aangevallen uitspraak, af te wijken en de aan dat oordeel ten grondslag gelegde overwegingen niet te onderschrijven. Appellante is verscheidende keren op het spreekuur geweest van een verzekeringsarts. Daarbij is onderkend dat appellante, zoals haar huisarts op 9 november 2007 heeft gerapporteerd, zwak positief was voor huisstofmijt. De arts N. Asma heeft blijkens een rapport van 27 april 2009 mede op basis van eigen onderzoeksbevindingen de beperkingen van appellante in kaart gebracht. Dit is op verantwoorde wijze gebeurd. De omstandigheid dat hierbij geen Functionele Mogelijkheden Lijst is opgesteld doet hieraan niet af, in aanmerking genomen dat het hier betreft een geding in het kader van de Ziektewet.

5.2. Bezwaarverzekeringsarts J.T.J.A. Klijn heeft eveneens een zorgvuldig onderzoek ingesteld naar de gezondheidstoestand van appellante ten tijde in geding en, mede gelet op de beschikbare gegevens van de behandelend sector, op verantwoorde wijze geconcludeerd dat er geen reden was om de hersteldverklaring te herzien. Appellante heeft haar in hoger beroep herhaalde standpunt, dat haar klachten op 28 april 2009 van dien aard waren dat het verrichten van haar werk onmogelijk was, onder meer onderbouwd door te verwijzen naar de reeds bekende medische gegevens van de behandelend sector. Met die gegevens heeft de bezwaarverzekeringsarts reeds rekening gehouden, zodat daarin geen reden is gelegen voor een ander oordeel. Nu appellante vanwege haar allergieklachten slechts ongeschikt was te achten voor werk in een omgeving waar continu heel veel stof de atmosfeer belast, en daarvan - zoals blijkt uit een nader arbeidskundig rapport van 6 juni 2012 in haar werk geen sprake was - heeft het Uwv op goede gronden geconcludeerd dat die klachten geen beletsel vormden voor het werk in de thuiszorg.

6. Uit hetgeen is overwogen onder 5.1 en 5.2 volgt dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

7. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling..

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst, in tegenwoordigheid van P.J.M. Crombach als griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 11 juli 2012.

(getekend) Ch. van Voorst

(getekend) P.J.M. Crombach

TM