Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BX1195

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
11-07-2012
Datum publicatie
12-07-2012
Zaaknummer
11-1966 WIA
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Loonsanctie. Onvoldoende re-integratie-inspanningen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/1966 WIA

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 17 februari 2011, 10/1760 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[naam besloten vennootschap] BV te [vestigingsplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Aan dit geding heeft tevens als partij deelgenomen [A. te B.] (werknemer)

Datum uitspraak: 11 juli 2012

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft J.A. Suppers hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 10 juni 2011 heeft mr. J.P.J. van de Griend, werkzaam bij Achmea Rechtsbijstand, namens werknemer een schriftelijke uiteenzetting gegeven

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgehad op 30 mei 2012. Namens appellante zijn [G.S. en H.S.] verschenen. Het Uwv heeft zich - met bericht van verhindering - niet laten vertegenwoordigen. Ook werknemer is - met bericht van verhindering - niet verschenen.

OVERWEGINGEN

1.1. Bij besluit van 11 februari 2010 heeft het Uwv het tijdvak waarin werknemer jegens appellante als werkgeefster recht heeft op loon tijdens ziekte, verlengd tot 1 mei 2011. Die verlenging - ook wel kortweg loonsanctie genoemd - is opgelegd in aansluiting op de afloop van de normale wachttijd van 104 weken op de grond dat appellante onvoldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht, terwijl daarvoor geen deugdelijke grond aanwezig was. Daarbij heeft het Uwv toepassing gegeven aan artikel 25, negende lid, van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA), in verbinding met artikel 65 van die wet.

1.2. Appellante heeft tegen het besluit van 11 februari 2010 bezwaar gemaakt. Bij besluit van 29 april 2010 (bestreden besluit) heeft het Uwv dit bezwaar, onder verwijzing naar het rapport van de bezwaararbeidsdeskundige van 16 april 2010, ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante ongegrond verklaard. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het Uwv terecht geconcludeerd dat appellante onvoldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht. De rechtbank ziet geen aanleiding te twijfelen aan de conclusies van de arbeidsdeskundige van 9 februari 2010 en de bezwaararbeidsdeskundige van 16 april 2010, waarop het standpunt van het Uwv is gebaseerd. De rechtbank heeft daartoe onder meer het volgende overwogen.

2.1. Het zoeken naar werk door appellante binnen het eigen netwerk en via uitzendbureaus, zonder verdere bemoeienis en inschakeling van een deskundige, is onvoldoende met name gelet op de arbeidsmarktpositie van werknemer. Van re-integratie-inspanningen tussen 19 juni 2009 en 22 september 2009 is niet gebleken. Appellante heeft geen gevolg gegeven aan het advies van haar arbodienst om een bemiddelingstraject in te kopen omdat zij ervan overtuigd was dat het resultaat hiervan nihil zou zijn. Pas in november 2009 heeft appellante een re-integratiebureau benaderd. Het Uwv heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat een periode van circa zes maanden is verstreken waarin re-integratiekansen zijn gemist.

2.2. Appellante heeft geen deugdelijke grond aangedragen voor de tekortkomingen in haar re-integratie-inspanningen. De in dit verband door appellante gestelde feiten en omstandigheden, zoals de leeftijd van werknemer, zijn handicap, de huidige economische crisis en de omstandigheid dat het resultaat van de zoektocht naar aangepast werk elders volgens appellante nihil zal zijn, heeft de (bezwaar)arbeidsdeskundige terecht niet als een deugdelijke grond beschouwd. Juist bij een werknemer met een grote afstand tot de arbeidsmarkt mag een meer intensieve en professionele begeleiding worden verwacht. Dat appellante na de beëindiging van de detachering van werknemer bij een tuinderij eind juni/begin juli 2009 in de veronderstelling verkeerde dat dit bedrijf een doorstart zou maken, waarna weer plaats voor werknemer zou zijn, is evenmin een deugdelijke grond. Ongeacht of deze mogelijkheid aanwezig was, had appellante het re-integratietraject in het tweede spoor doorgang kunnen laten vinden. De vakantie voor de bouwsector in 2009 duurde slechts drie weken en vormt daarmee evenmin een rechtvaardiging voor het niet verrichten van re-integratie-inspanningen gedurende tenminste drie maanden.

2.3. Voor zover appellante zich op het standpunt stelt dat de opgelegde loonsanctie onevenredig zwaar is, heeft de rechtbank gewezen op de systematiek van de loonsanctie, zoals neergelegd in artikel 25, negende, tiende en veertiende lid, van de Wet WIA. De wetgever heeft gekozen voor een systeem waarin het herstelkarakter van de loonsanctie wordt benadrukt. De loonsanctie wordt opgelegd vóór afloop van de wachttijd opdat de werkgever zijn tekortkoming ten aan zien van bepaalde verplichtingen of re-integratie-inspanningen kan herstellen. De loonsanctie eindigt indien de werkgever die tekortkoming daadwerkelijk herstelt.

3.1. In hoger beroep heeft appellante het oordeel van de rechtbank bestreden.

3.2. Zowel het Uwv als de werknemer hebben verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.

4. De Raad, oordelend over hetgeen appellante tegen de aangevallen uitspraak heeft aangevoerd, overweegt het volgende.

4.1. Gezien de standpunten van partijen is in hoger beroep in geschil of het Uwv terecht het tijdvak waarin de werknemer recht heeft op loon tijdens ziekte heeft verlengd. Bij het bestreden besluit is dit tijdvak vastgesteld op de periode tot 1 mei 2011. Ter zitting heeft appellante meegedeeld dat het Uwv de periode van de opgelegde loonsanctie heeft verkort tot 30 december 2010. Het geschil spitst zich toe op de vraag of sprake is geweest van onvoldoende re-integratie-inspanningen als bedoeld in artikel 25, negende lid, van de Wet WIA, gericht op de re-integratie bij een andere werkgever (het zogenoemde tweede spoor).

4.2. De Raad beantwoordt die vraag, evenals de rechtbank, bevestigend. De Raad verenigt zich met het oordeel van de rechtbank en onderschrijft geheel de uitvoerige overwegingen die de rechtbank in de aangevallen uitspraak aan dat oordeel ten grondslag heeft gelegd. Ook de Raad onderschrijft de conclusies van de arbeidsdeskundige van 9 februari 2010 en de bezwaararbeidsdeskundige van 16 april 2010, waarop het standpunt van het Uwv dat sprake is geweest van onvoldoende re-integratie-inspanningen van appellante in het tweede spoor, is gebaseerd. Hetgeen appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, vormt in essentie een herhaling van hetgeen zij in beroep naar voren heeft gebracht. Wezenlijk nieuwe gezichtspunten zijn niet aangevoerd. Het hoger beroep heeft de Raad dan ook niet tot een ander oordeel geleid.

4.3. Uit 4.1 en 4.2 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen moet worden bevestigd.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C.P.J. Goorden als voorzitter en J. Riphagen en J.J.T. van den Corput als leden, in tegenwoordigheid van E. Heemsbergen als griffier.

De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 juli 2012.

(getekend) C.P.J. Goorden

(getekend) E. Heemsbergen

EK