Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BX1189

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
11-07-2012
Datum publicatie
12-07-2012
Zaaknummer
11-4796 ZW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beëindiging ZW-uitkering. Zorgvuldig onderzoek verzekeringsartsen. Appellante is geschikt te achten voor tenminste één van de geduide functies.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/4796 ZW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 6 juli 2011, 11/1781 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 11 juli 2012

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J.M.M. Brouwer, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 april 2012. Appellante heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Brouwer. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.J. Grasmeijer.

Na schorsing van het onderzoek heeft het Uwv als reactie op de door appellante overgelegde stukken de rapportage van de bezwaarverzekeringsarts van 19 april 2012 ingediend, waarop appellante vervolgens weer heeft gereageerd.

Desgevraagd hebben partijen toestemming gegeven het onderzoek ter zitting van de Raad achterwege te laten. Gelet op de verleende toestemming heeft de Raad het onderzoek gesloten.

OVERWEGINGEN

1.1. Appellante was laatstelijk werkzaam als thuishulp voor ca. 12 uur per week. In 1998 is appellante uitgevallen met rug-, en knieklachten. In verband daarmee is appellante met ingang van 25 november 1999 in aanmerking gebracht voor een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80-100%. In het kader van een aSB-beoordeling is deze WAO-uitkering per 18 maart 2007 beëindigd. Appellante is daarbij geschikt geacht voor de functies van telefonist/receptionist/typist, verkoper groothandel en administratief medewerker.

1.2. Op 22 juni 2010 heeft appellante zich vanuit de situatie dat zij een werkloosheidsuitkering ontving ziek gemeld in verband met hartklachten en spanningsklachten na het overlijden van haar moeder op 5 mei 2010. Appellante is in dat verband meerdere malen op het spreekuur van de verzekeringsarts geweest. Bij het laatste onderzoek op 6 oktober 2010 heeft de verzekeringsarts appellante geschikt geacht voor de in het kader van WAO-beoordeling geduide functies. Dienovereenkomstig heeft het Uwv bij besluit van 6 oktober 2010 vastgesteld dat appellante met ingang van 13 oktober 2010 geen recht meer heeft op ziekengeld. Het tegen dit besluit gemaakte bezwaar heeft het Uwv - in navolging van de bevindingen van de bezwaarverzekeringsarts neergelegd in de rapportage van 7 januari 2011 - bij besluit van 10 januari 2011 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank was daarbij van oordeel dat uit de onderzoeken door de verzekeringsartsen voldoende gegevens naar voren zijn gekomen om tot een afgewogen oordeel omtrent de voor appellante geldende beperkingen te kunnen komen en heeft geen aanleiding gezien het onderzoek door de verzekeringsartsen onzorgvuldig te achten. De rechtbank heeft geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de beperkingen van appellante zijn onderschat. Daarbij heeft de in beroep overgelegde informatie van psychiater T. de Kwant van 4 mei 2012 de rechtbank geen reden gegeven te twijfelen aan de juistheid van het oordeel van de verzekeringsartsen nu deze geen betrekking heeft op de gezondheidssituatie van appellante op datum in geding. De rechtbank heeft daarnaast van belang geacht dat ten aanzien van de hartklachten van appellante geen objectiveerbare beperkingen zijn geconstateerd en dat uit het onderzoek van de bezwaarverzekeringsarts naar voren is gekomen dat ten aanzien van de overige klachten van appellante, onder meer rugpijn, niet naar voren is gekomen dat deze een rechtstreeks en objectief vast te stellen gevolg van ziekte of gebrek zijn. In de rapportage van de bezwaarverzekeringsarts van 7 januari 2011 is naar het oordeel van de rechtbank voldoende overtuigend en gemotiveerd aangegeven dat er geen nieuwe medische feiten of omstandigheden naar voren zijn gekomen die maken dat de belastbaarheid van appellante op datum in geding anders was dan op 5 december 2006. Uit het rapport van de bezwaarverzekeringsarts blijkt dat hij de informatie van de huisarts van 21 december 2010 in zijn beoordeling heeft betrokken. Gelet op het feit dat appellante geschikt is te achten voor tenminste één van de geduide functies is de rechtbank tot de conclusie gekomen dat het Uwv terecht de ZW-uitkering per 13 oktober 2010 heeft beëindigd.

3. In hoger beroep herhaalt appellante haar standpunt dat er sprake is van een verergering van de klachten ten opzichte van de eerdere WAO-beoordeling. Appellante heeft angst- en spanningsklachten. Uit de informatie van de huisarts en het in hoger beroep overgelegde behandelplan van 3 mei 2011 van PsyQ blijkt dat er sprake is van forse angstklachten en spanningsklachten en dat deze ook al aanwezig waren op datum in geding. Verder heeft ze paniekaanvallen. Appellante acht zich voorts niet in staat de werkzaamheden in de functie van administratief medewerker fulltime te verrichten. Bovendien is in deze functie sprake van het werken met deadlines, samenwerking en conflicthantering waartoe appellante zich in verband met haar psychische klachten niet in staat acht.

De Raad oordeelt als volgt.

4.1. Ingevolge artikel 19, eerste lid, van de ZW heeft de verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebrek recht op ziekengeld. Volgens vaste rechtspraak van de Raad wordt onder “zijn arbeid” verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding feitelijk verrichte arbeid. Deze regel lijdt in een geval als het onderhavige in zoverre uitzondering dat, wanneer de verzekerde na gedurende de maximumtermijn ziekengeld te hebben ontvangen, blijvend ongeschikt is voor zijn oude werk en niet in enig werk heeft hervat, als maatstaf geldt gangbare arbeid, zoals die nader is geconcretiseerd bij de beoordeling van betrokkenes aanspraak op een uitkering ingevolge de WAO. Daarbij is het voldoende indien de hersteldverklaring wordt gedragen door ten minste één van de geselecteerde functies. In dit geval betreft het de functie van (beginnend) administratief medewerkster.

4.2. Hetgeen appellante in hoger beroep heeft aangevoerd is geen reden om van het oordeel van de rechtbank, neergelegd in de aangevallen uitspraak, af te wijken. De aan dat oordeel ten grondslag gelegde overwegingen worden volledig onderschreven. Verder geeft het behandelplan van PsyQ geen aanleiding te twijfelen aan het standpunt van de bezwaarverzekeringsarts neergelegd in de rapportage van 19 april 2012. De bezwaarverzekeringsarts heeft appellante gezien op 7 januari 2011 en heeft daarbij uitgebreid een anamnese afgenomen en een psychisch en lichamelijk onderzoek verricht. In het behandelplan zijn geen onderzoeksbevindingen beschreven, het betreft een beschrijvende diagnose die overigens de bevindingen van de bezwaarverzekeringsarts en de huisarts bevestigt. Voor een expertise onderzoek door een deskundige, zoals door appellante verzocht, is dan ook geen aanleiding.

5. Uit hetgeen hiervoor onder 4.1 en 4.2 is overwogen volgt dat het hoger beroep van appellante niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C.P.J. Goorden, in tegenwoordigheid van L. van Eijndthoven als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 juli 2012.

(getekend) C.P.J. Goorden

(getekend) L. van Eijndthoven

EK