Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BX1141

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
10-07-2012
Datum publicatie
11-07-2012
Zaaknummer
11/5448 WWB + 12/3650 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vaststelling vrij te laten vermogen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/5448 WWB, 12/3650 WWB

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 24 augustus 2011, 11/194 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[A. te B. ] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Tilburg (college)

Datum uitspraak: 10 juli 2012

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. I.P.M.J. Nelemans, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 maart 2012. Appellante is verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door F.J.W. de Bruijn. Ter zitting hebben partijen afgesproken met elkaar in overleg te treden en heeft de Raad het onderzoek geschorst.

Op 29 maart 2012 heeft het college een nieuwe beslissing genomen op het bezwaar van appellante.

Partijen hebben gerepliceerd en gedupliceerd.

Het onderzoek ter zitting is hervat op 26 juni 2012. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Nelemans. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. C.G. Smout.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante ontving vanaf 1 november 2006 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande ouder.

1.2. Bij besluit van 22 september 2010, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 25 november 2010, heeft het college het recht op bijstand van appellante ingetrokken over de periode van 11 mei 2010 tot en met 31 augustus 2010 en de over die periode gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 4.019,40 van appellante teruggevorderd. Aan de besluitvorming ligt ten grondslag dat het vermogen van appellante, in de vorm een auto en een schadevergoeding die zij in verband met een ongeval heeft ontvangen, het vrij te laten vermogen overschrijdt met een bedrag van € 1.859,12.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 25 november 2010 ongegrond verklaard.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Bij besluit van 29 maart 2012 heeft het college, rekening houdend met de al bestaande overschrijding van het vrij te laten vermogen van € 704,12 in verband met de waarde van de auto en het uit nader onderzoek gebleken saldo op de spaarrekeningen van de dochters van appellante op 11 mei 2010, van € 2.507,32, de overschrijding van de vermogensgrens nader vastgesteld op € 3.211,44 en het terug te vorderen bedrag tot dit bedrag beperkt. Uitgaande van dit bedrag heeft het college de periode waarover de bijstand wordt ingetrokken nader vastgesteld van 11 mei 2010 tot en met 4 augustus 2010. Dit is in overeenstemming met de rechtspraak van de Raad zoals neergelegd in zijn uitspraak van 21 april 2009, LJN BH9423. De Raad zal het besluit van 29 maart 2012 met toepassing van de artikelen 6:18, 6:19, eerste lid, en 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht bij de beoordeling in hoger beroep betrekken.

4.2. Op verzoek van de Raad heeft appellante ter zitting van 26 juni 2012 inzage gegeven in de afschriften van de spaarrekeningen van haar dochters. Dit was voor het college aanleiding om het standpunt van appellante te volgen, dat het saldo van de spaarrekeningen van haar dochters op grond van artikel 34, tweede lid, aanhef en onder het c, van de WWB niet als vermogen in aanmerking kan worden genomen, omdat de spaargelden zijn opgebouwd tijdens de periode waarover bijstand werd ontvangen.

4.3. Partijen hebben ter zitting te kennen gegeven het erover eens te zijn dat de overschrijding van het vrij te laten vermogen op 11 mei 2010 € 704,12 bedroeg, dat het college dit bedrag van appellante kan terugvorderen en dat de periode waarover de bijstand van appellante kan worden ingetrokken met dit bedrag van € 704,12 dient te corresponderen. Dat, zoals de rechtbank heeft overwogen, het besluit tot toekenning van bijstand aan appellante met ingang van 10 oktober 2010 buiten de omvang van het geding valt, staat er niet aan in de weg om de periode waarover de bijstand vanaf 11 mei 2010 was ingetrokken te wijzigen. Deze periode ligt immers in de aan de bestuursrechter ter beoordeling voorliggende periode, die loopt van 11 mei 2010 tot en met de datum van het primaire besluit, 22 september 2010. Volledigheidshalve merkt de Raad op dat de periode waarover het college alsnog bijstand aan appellante dient te verstrekken doorlopen tot aan de datum waarop al bijstand aan haar was toegekend, 10 oktober 2010.

4.4. Uit wat onder 4.1 tot en met 4.3 is overwogen volgt dat het besluit van 25 november 2010 dient te worden vernietigd, evenals de aangevallen uitspraak waarbij dit besluit in stand is gelaten en dat het beroep tegen het besluit van 29 maart 2012 gegrond zal worden verklaard.

4.5. De Raad heeft onvoldoende gegevens om zelf in de zaak te voorzien en zal het college opdragen om een nieuwe beslissing op het bezwaar te nemen. Daarbij dient het college:

- het van appellante terug te vorderen bedrag vast te stellen op € 704,12;

- betalingen die appellante boven het bedrag van € 704,12 heeft gedaan aan haar terug te storten;

- de wettelijke rente te vergoeden over ten onrechte teruggevorderde bedragen vanaf het moment dat appellante deze bedragen daadwerkelijk heeft betaald;

- het einde van de periode waarover de bijstand vanaf 11 mei 2010 wordt ingetrokken nader vast te stellen, corresponderend met een bedrag van € 704,12 aan ten onrechte gemaakte kosten van bijstand;

- de vanaf het einde van de periode waarover de bijstand kan worden ingetrokken tot

10 oktober 2010 niet uitbetaalde bijstand aan appellante na te betalen;

- de wettelijke rente te vergoeden over de nabetaling van de ten onrechte ingetrokken bijstand vanaf de eerste dag van de kalendermaand volgende op het verstrijken van het betrokken uitkeringstijdvak;

- bij de vergoeding van de wettelijke rente over de onterecht teruggevorderde bedragen en over de ten onrechte ingetrokken bijstand telkens na afloop van een jaar het bedrag waarover wettelijke rente wordt berekend te vermeerderen met de over dat jaar verschuldigde rente.

De Raad ziet af van (verdere) toepassing van de zogeheten bestuurlijke lus, omdat het nog slechts gaat om een rekenkundige uitwerking, die naar verwachting geen nieuwe discussie zal opleveren.

5. Het college zal worden veroordeeld in de kosten van appellante. Deze kosten worden begroot op € 437,-- in bezwaar en € 1.311,-- in beroep en hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het besluit van 25 november 2010;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 29 maart 2012 gegrond;

- bepaalt dat het college een nieuwe beslissing op bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak;

- veroordeelt het college tot vergoeding aan appellante van de schade zoals onder 4.5 van deze uitspraak is vermeld;

- veroordeelt het college in de kosten van appellante tot een bedrag van € 1.748,--;

- bepaalt dat het college aan appellante het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 153,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door J.N.A. Bootsma, in tegenwoordigheid van A.C. Oomkens als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 juli 2012.

(getekend) J.N.A. Bootsma

(getekend) A.C. Oomkens

HD