Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BX1131

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
10-07-2012
Datum publicatie
12-07-2012
Zaaknummer
10-4415 WWB-T
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Tussenuitspraak. Appellant kan niet kan worden tegengeworpen dat hij de gevraagde aanvullende gegevens niet binnen de in de brief van 11 augustus 2009 gestelde termijn heeft ingeleverd. Het college was dan ook niet bevoegd om de aanvraag om bijstand van appellant met toepassing van artikel 4:5, eerste lid, van de Awb, buiten behandeling te laten. Draagt het college op om binnen zes weken na verzending van de tussenuitspraak een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van hetgeen de Raad heeft overwogen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/4415 WWB-T

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Tussenuitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 14 juli 2010, 09/8758 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[A. te B.] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van ’s-Gravenhage (college)

Datum uitspraak: 10 juli 2012

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. A.R. Bissessur, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 januari 2012. Voor appellant is verschenen mr. Bissessur. Het college is, met bericht, niet verschenen.

De Raad heeft het onderzoek heropend omdat het niet volledig is geweest. Het college en appellant hebben vervolgens op 26 januari 2012, respectievelijk 16 april 2012 nadere informatie verstrekt.

Na toestemming van partijen heeft de Raad bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft, waarna hij het onderzoek heeft gesloten.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant heeft op 4 augustus 2009 een aanvraag om bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) ingediend. Bij brief van 11 augustus 2009 heeft het college appellant verzocht om uiterlijk 25 augustus 2009 aanvullende gegevens te verstrekken. Hierbij heeft het college vermeld dat indien appellant de gevraagde gegevens niet voor 25 augustus 2009 inlevert de aanvraag onder toepassing van artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet behandeld zal worden.

1.2. Bij besluit van 26 augustus 2009 heeft het college de aanvraag met toepassing van artikel 4:5, eerste lid van de Awb buiten behandeling gesteld, op de grond dat appellant niet binnen de in de brief van 11 augustus 2009 gestelde termijn de voor de behandeling van de aanvraag noodzakelijke gegevens heeft overgelegd.

1.3. Bij besluit van 16 november 2009 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van appellant tegen het besluit van 26 augustus 2009 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Artikel 4:5, eerste lid van de Awb bepaalt, voor zover hier van belang, dat het bestuursorgaan kan besluiten de aanvraag niet te behandelen indien de verstrekte gegevens en bescheiden onvoldoende zijn voor de beoordeling van de aanvraag of de voorbereiding van de beschikking, mits de aanvrager de gelegenheid heeft gehad de aanvraag binnen een door het bestuursorgaan gestelde termijn aan te vullen.

4.2. Appellant heeft aangevoerd dat hij niet de gelegenheid heeft gehad om zijn aanvraag tijdig aan te vullen omdat hij de brief van 11 augustus 2009, waarbij het college hem heeft verzocht aanvullende gegevens te verstrekken, niet heeft ontvangen.

4.3. Indien de geadresseerde stelt dat hij een niet aangetekend verzonden brief niet heeft ontvangen, is het in beginsel aan het bestuursorgaan om aannemelijk te maken dat de brief wel op het adres van de geadresseerde is ontvangen. De omstandigheid dat per post verzonden stukken in de regel op het daarop vermelde adres van de geadresseerde worden bezorgd, rechtvaardigt evenwel het vermoeden van ontvangst van de brief op dat adres. Dit brengt mee dat het bestuursorgaan in eerste instantie kan volstaan met het aannemelijk maken van verzending naar het juiste adres. Daartoe is in ieder geval vereist dat het besluit is voorzien van de juiste adressering en een verzenddatum en dat sprake is van een deugdelijke verzendadministratie.

4.4. Vaststaat dat het college de onder 1.1 vermelde brief van 11 augustus 2009 niet aangetekend heeft verzonden. Voorts staat vast dat deze brief niet is voorzien van de juiste adressering, aangezien de brief van 11 augustus 2009 niet is verzonden naar het door appellant bij zijn aanvraag om bijstand opgegeven adres [adres 1] te ’s-Gravenhage, maar naar het adres [adres 2] te ’s-Gravenhage. Anders dan het college in zijn brief van 2 februari 2012 heeft gesteld, bevatten de beschikbare gegevens geen aanknopingspunten om te kunnen concluderen dat de brief van 11 augustus 2009 appellant niettemin toch tijdig heeft bereikt. Het enkele feit dat appellant in een brief van 11 september 2009 te kennen heeft gegeven dat, toen hij onderweg was naar de dienst sociale zaken en werkgelegenheid van de gemeente ’s-Gravenhage om stukken ten behoeve van zijn aanvraag in te leveren, hij die stukken ten gevolge van een epileptische aanval is kwijtgeraakt, is onvoldoende om die conclusie te kunnen trekken. Uit die brief blijkt in ieder geval niet dat appellant al vóór het besluit van 26 augustus 2009 ervan op de hoogte was dat, en welke stukken hij wanneer moest inleveren en wat de consequentie was indien hij dat niet zou doen.

4.5. Uit hetgeen is overwogen onder 4.3 en 4.4 volgt dat appellant niet kan worden tegengeworpen dat hij de gevraagde aanvullende gegevens niet binnen de in de brief van 11 augustus 2009 gestelde termijn heeft ingeleverd. Het college was dan ook niet bevoegd om de aanvraag om bijstand van appellant met toepassing van artikel 4:5, eerste lid, van de Awb, buiten behandeling te laten.

4.6. De rechtbank heeft hetgeen is overwogen in 4.3 tot en met 4.5 niet onderkend. Dit betekent dat de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking komt. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen zal de Raad het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaren en dat besluit vernietigen wegens strijd met de wet.

4.7. Aansluitend moet worden bezien welk vervolg aan deze uitkomst wordt gegeven. In dit geval kunnen de rechtsgevolgen van het te vernietigen bestreden besluit niet in stand worden gelaten. Evenmin kan de Raad zelf in de zaak voorzien. De Raad ziet daarom aanleiding om met toepassing van artikel 21, zesde lid, van de Beroepswet het college op te dragen opnieuw te beslissen op het bezwaar van appellant tegen het besluit van 26 augustus 2009.

4.8. Met het oog op die nadere besluitvorming wijst de Raad erop dat appellant de aanvullende gegevens bij de onder 4.4 genoemde brief van 11 september 2009 heeft ingeleverd en dat het college hem, na een nieuwe aanvraag om bijstand, met ingang van 6 oktober 2009 bijstand heeft verleend.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep draagt het college op om binnen zes weken na verzending van deze tussenuitspraak een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van hetgeen de Raad heeft overwogen.

Deze uitspraak is gedaan door W.F. Claessens, in tegenwoordigheid van N.M. van Gorkum als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 juli 2012.

(getekend) W.F. Claessens

(getekend) N.M. van Gorkum

HD