Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BX1129

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
27-06-2012
Datum publicatie
12-07-2012
Zaaknummer
12-1058 WWB-T-PV
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Tussenuitspraak. Het besluit tot afwijzing van de aanvraag om bijstand is in strijd met de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht niet met de vereiste zorgvuldigheid voorbereid en berust het evenmin op een deugdelijke motivering. Het college zal zich nader dienen te beraden over de datum van toekenning van bijstand, en dan met name over de vraag of er sprake is van bijzondere omstandigheden die toekenning van bijstand met terugwerkende kracht rechtvaardigen. De Raad ziet daarom aanleiding om met toepassing van artikel 21, zesde lid, van de Beroepswet het college op te dragen om ten aanzien van de aanvraag om bijstand naar de norm voor gehuwden een nieuw inhoudelijk besluit op bezwaar op te nemen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

12/1058 WWB-T-PV

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Proces-verbaal van de mondelinge tussenuitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 5 januari 2012, 11/4353 WWB (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[A. te B.] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Tilburg (college)

Datum uitspraak: 27 juni 2012

Zitting heeft: mr. O.L.H.W.I. Korte als lid van de enkelvoudige kamer

Griffier: V.C. Hartkamp

Ter zitting zijn verschenen:

Appellante, bijgestaan door mr. D.P.F. Arens.

Het college, vertegenwoordigd door J.C.M. Smulders.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep draagt het college op binnen zes weken na verzending van deze tussenuitspraak de gebreken in het besluit van 30 juni 2011 te herstellen met inachtneming van hetgeen de Raad heeft overwogen.

Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen:

Appellante ontving tot 1 november 2010 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande ouder. De bijstand van appellante is met ingang van 1 november 2010 ingetrokken wegens het voeren van een gezamenlijke huishouding met de heer R. [G.] ([G.]).

Op 11 maart 2011 heeft appellante, mede namens [G.], bijstand ingevolge de WWB naar de norm voor gehuwden aangevraagd.

Bij besluit van 3 mei 2011 heeft het college de aanvraag buiten behandeling gesteld.

Bij besluit van 30 juni 2011 (bestreden besluit) heeft het college, onder wijziging van de grondslag, het bezwaar tegen het besluit van 3 mei 2011 ongegrond verklaard. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat er sprake is van schending van de inlichtingenverplichting als gevolg waarvan het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.

Partijen zijn uitsluitend verdeeld over het antwoord op de vraag of appellante en [G.] de op hen rustende inlichtingenverplichting hebben geschonden ten aanzien van de feiten en omstandigheden die [G.] betreffen, en zo ja, of als gevolg van die schending het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.

In de periode van 1 maart 2011 tot en met 9 april 2011 was [G.] gedetineerd in het huis van bewaring in Dordrecht. Naar aanleiding van de aanvraag heeft het college appellante en [G.] bij brief van 17 maart 2011 verzocht nadere gegevens te verstrekken, waaronder de bank- en giroafschriften van de afgelopen zes maanden en controleerbare en verifieerbare stukken waaruit blijkt hoe [G.] in de periode voorafgaand aan de aanvraag in de kosten van levensonderhoud heeft voorzien. Op 20 april 2010 hebben appellante en [G.] de door het college gevraagde bankafschriften ingeleverd. Blijkens deze afschriften heeft [G.] in de betreffende periode geen transacties verricht op zijn rekening. In een brief van 20 april 2010 verklaart [G.] dat hij de afgelopen periode heeft verbleven bij vrienden en kennissen, op parkeerplaatsen langs de autowegen en in een garage. In deze brief heeft [G.] voorts aangeboden een mondelinge toelichting te verstrekken met betrekking tot zijn financiële situatie. Het college is niet op dit aanbod ingegaan.

Het enkele feit dat [G.] in de periode voorafgaand aan de aanvraag geen kasopnames en andere transacties voor levensonderhoud heeft gedaan, is onvoldoende voor de conclusie dat de inlichtingenverplichting is geschonden. [G.] heeft, zoals uit de gedingstukken blijkt, als verklaring voor het ontbreken van de transacties aangevoerd dat hij wegens ziekte, het ontbreken van woonlasten en zijn verblijf bij appellante vanaf november 2010 geen kosten heeft gemaakt. De Raad acht deze verklaring op voorhand niet onaannemelijk. Voorts bieden de gedingstukken geen enkele concrete aanwijzing voor het vermoeden van het college dat [G.] zich in de periode voorafgaand aan de intrekking van bijstand van appellante bezig hield met autohandel en op die wijze inkomsten heeft verworven. Bij een dergelijk vermoeden had het op de weg van het college gelegen [G.], als medeaanvrager, in ieder geval in de gelegenheid te stellen een nadere toelichting te geven op zijn financiële situatie, zoals ook door hem bij brief van 20 april 2011 is aangeboden.

Gelet op het voorgaande is het besluit tot afwijzing van de aanvraag om bijstand in strijd met de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht niet met de vereiste zorgvuldigheid voorbereid en berust het evenmin op een deugdelijke motivering.

De rechtbank heeft het voorgaande niet onderkend, zodat de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking komt. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal het beroep gegrond worden verklaard en het bestreden besluit worden vernietigd.

Aansluitend dient te worden bezien welk vervolg aan deze uitkomst wordt gegeven. In dit geval kunnen de rechtsgevolgen van het te vernietigen bestreden besluit niet in stand worden gelaten en kan de Raad, omdat thans te weinig gegevens beschikbaar zijn, evenmin zelf in de zaak voorzien. Ter zitting van de Raad heeft de vertegenwoordiger van het college desgevraagd meegedeeld dat, indien niet kan worden vastgesteld dat appellante en [G.] de op hen rustende inlichtingenverplichting hebben geschonden en het bestreden besluit niet in stand kan blijven, toekenning van bijstand dient plaats te vinden met ingang van de aanvraagdatum, 11 maart 2011. Appellante heeft zich echter op het standpunt gesteld dat de toekenning van bijstand met terugwerkende kracht dient te geschieden met ingang van 4 februari 2011. Het college zal zich nader dienen te beraden over de datum van toekenning van bijstand, en dan met name over de vraag of er sprake is van bijzondere omstandigheden die toekenning van bijstand met terugwerkende kracht rechtvaardigen. Daarbij kan een rol spelen de voor de Raad onbekende datum van het besluit tot intrekking van bijstand van appellante met ingang van 1 november 2010. De Raad ziet daarom aanleiding om met toepassing van artikel 21, zesde lid, van de Beroepswet het college op te dragen om ten aanzien van de aanvraag om bijstand naar de norm voor gehuwden een nieuw inhoudelijk besluit op bezwaar op te nemen.

Waarvan proces-verbaal.

De griffier De voorzitter

(getekend) V.C. Hartkamp (getekend) O.L.H.W.I. Korte

Voor eensluidend afschrift

de griffier van de

Centrale Raad van Beroep

RB