Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BX1005

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
10-07-2012
Datum publicatie
11-07-2012
Zaaknummer
10-5643 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Alsnog proceskostenveroordeling in bezwaar. Anders dan het college in het verweerschrift heeft aangevoerd, is het besluit (...) herroepen wegens aan het college te wijten onrechtmatigheid. Het standpunt van het college dat appellant zelf bezwaar had kunnen indienen en dat het inroepen van rechtshulp niet redelijk was, slaagt evenmin. Kosten van een professionele rechtshulpverlener als zodanig worden aangemerkt als redelijkerwijs gemaakt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/5643 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 1 september 2010, 09/4428 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[A. te B. ] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Roosendaal (college)

Datum uitspraak: 10 juli 2012

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J.J.M. Boot, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van 19 juni 2012. Partijen zijn, met bericht, niet verschenen.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Bij besluit van 3 maart 2009 heeft het college appellant voor de kosten van een huurschuld bijzondere bijstand toegekend in de vorm van een geldlening tot een bedrag van € 2.296,43. Het college heeft het maandelijkse aflossingsbedrag vastgesteld op € 44,94. De begindatum van de aflossing is gesteld op 1 maart 2009. Zolang appellant bijstand ontvangt, zal het aflossingsbedrag maandelijks worden ingehouden.

1.2. Bij besluit van 10 maart 2012 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 3 maart 2009 ongegrond verklaard en het verzoek om vergoeding van de kosten in bezwaar afgewezen.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank, voor zover van belang, het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard en dat besluit vernietigd voor zover daarbij de ingangsdatum van de aflossingsverplichting van € 44,94 per maand is gehandhaafd op 1 maart 2009. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat het college in strijd met het eigen beleid een maandelijks aflossingsbedrag van € 44,94 heeft vastgesteld terwijl het college bekend was met het feit dat het inkomen van appellant met de door het Centraal Justitieel Incassobureau (CJIB) opgelegde betalingsregeling van € 200,- per maand al onder de beslagvrije voet van 90% van de voor hem van toepassing zijnde norm zat. De rechtbank heeft zelf in de zaak voorzien door het besluit van 3 maart 2009 te herroepen voor zover daarbij de ingangsdatum van de aflossingsverplichting van € 44,94 per maand is bepaald op 1 maart 2009. De rechtbank heeft voorts bepaald dat de aflossingsverplichting ingaat zodra appellant zijn schuld aan het CJIB niet meer aflost, dan wel een zodanig laag bedrag aflost dat er ruimte overblijft voor aflossing aan het college. De rechtbank heeft ten slotte het college veroordeeld in de proceskosten van appellant in beroep.

3. Het hoger beroep van appellant is gericht tegen de in de aangevallen uitspraak vervatte weigering te bepalen dat de kosten van behandeling van het bezwaar dienen te worden vergoed.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Ingevolge artikel 7:15, tweede lid, eerste volzin, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) worden de kosten die de belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken, door het bestuursorgaan uitsluitend vergoed op verzoek van de belanghebbende voor zover het bestreden besluit wordt herroepen wegens aan het bestuur te wijten onrechtmatigheid.

4.2. Anders dan het college in het verweerschrift heeft aangevoerd, is het besluit van 3 maart 2009 herroepen wegens aan het college te wijten onrechtmatigheid. De herroeping is immers gestoeld op het oordeel dat het college in strijd met het eigen beleid heeft gehandeld.

4.3. Het standpunt van het college dat appellant zelf bezwaar had kunnen indienen en dat het inroepen van rechtshulp niet redelijk was, slaagt evenmin. Kosten van een professionele rechtshulpverlener als zodanig worden aangemerkt als redelijkerwijs gemaakt.

4.4. Gelet op het voorgaande heeft de rechtbank ten onrechte nagelaten het college te veroordelen in de kosten van appellant in bezwaar. In zoverre komt de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het college alsnog veroordelen in de kosten van appellant in bezwaar. Deze kosten worden begroot op € 322,-- wegens verleende rechtsbijstand.

5. Voorts bestaat aanleiding om het college te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze worden begroot op € 437,-- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover de rechtbank heeft nagelaten het college te veroordelen in kosten van appellant in bezwaar;

- veroordeelt het college in de kosten van appellant tot een bedrag van in totaal € 759,--;

- bepaalt dat het college aan appellant het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 111,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door E.J.M. Heijs als voorzitter en M. Hillen en A.M. Overbeeke als leden, in tegenwoordigheid van A.C. Oomkens als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 juli 2012.

(getekend) E.J.M. Heijs

(getekend) A.C. Oomkens

HD