Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BX0964

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
16-07-2012
Datum publicatie
17-07-2012
Zaaknummer
11-941 WSF
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De Minister heeft onder toepassing van art. 1.5 Wsf 2000 appellants beurs voor uitwonenden met ingang van 1 februari 2010 verlaagd naar een beurs voor thuiswonenden omdat appellant heeft nagelaten zijn adresgegevens bij (de Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO) van) de Minister te corrigeren.

Raad: Het adresgegeven is een authentiek gegeven in de zin van art. 3b Wet GBA. Uit de Memorie van toelichting bij het ontwerp van wet dat heeft geleid tot de artt. 3b en 3c Wet GBA blijkt dat de wetgever met de desbetreffende wijziging Wet GBA het beginsel van de zogenoemde eenmalige gegevensverstrekking heeft willen invoeren (TK 2005-2006, 30 514, nr. 3, p. 1 en 23). Volgens art. 3c Wet GBA hoeft een ingeschrevene in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens zoals appellant aan wie door een afnemer, hier de Minister, een gegeven wordt gevraagd, waarop art. 3b, eerste lid, van toepassing is, dat gegeven niet mede te delen.

Art. 9.2 Wsf 2000 dat ook de verplichting bevatte een adreswijziging aan de Minister te melden, was ten tijde in geding niet gewijzigd als gevolg van de invoering van de artt. 3b en 3c Wet GBA. Het adresgegeven zoals dat door de opgave van appellant in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens van de gemeente Maastricht was opgenomen is een beschikbaar gegeven in de basisadministratie. Appellant behoefde gelet op art. 146b Wet GBA na 1 januari 2010, gezien art. 3c van die wet dat gegeven dus niet ook aan de Minister op te geven. In zoverre het een adresgegeven betreft als in dit geding aan de orde, is dus door art. 3c Wet GBA de verplichting van de betrokken studerende, vervat in art. 9.2 Wsf 2000, komen te vervallen.

De vraag of zich een der uitzonderingen voordoet vermeld in art. 3b, tweede lid, Wet GBA ten aanzien van appellant, dient – blijkens de wetsgeschiedenis - ontkennend te worden beantwoord. (…)

Voor zover de adresgegevens waarover de Minister beschikte niet waren aangepast, mocht dit appellant niet worden tegengeworpen, omdat appellant in de veronderstelling mocht verkeren dat hij na 1 januari 2010 door opgave van zijn adreswijziging aan de gemeentelijke basisadministratie van de gemeente Maastricht aan zijn wettelijke verplichting ter zake had voldaan. Derhalve was hij evenmin, overeenkomstig art. 1.5, eerste lid, Wsf 2000, gehouden gevolg te geven aan de brief van de Minister waarin appellant in de gelegenheid is gesteld de afwijking van het adres waarop hij in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens staat ingeschreven, binnen vier weken te herstellen, door alsnog bij de Minister opgave te doen. Bijgevolg kon de Minister, nu appellant de afwijking niet binnen de vermelde periode had hersteld, niet op rechtmatige wijze gebruik maken van de in het tweede lid van die bepaling verleende bevoegdheid de aan appellant toegekende beurs om te zetten in een beurs voor een thuiswonende studerende.

Aangevallen uitspraak vernietigd.

Wetsverwijzingen
Wet gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens 3b
Wet studiefinanciering 2000 9.2
Wet studiefinanciering 2000 1.5
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 2012/216
NJB 2012/1717
JB 2012/213 met annotatie van G. Overkleeft-Verburg
USZ 2012/316
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/941 WSF

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 30 december 2010, 10/1299 (aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (de Minister).

Datum uitspraak: 16 juli 2012

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

De Minister heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 maart 2012. Appellant is verschenen met bijstand van zijn ouders [namen ouders van appellant]. De Minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. drs. E.H.A. van den Berg.

II. OVERWEGINGEN

1. Artikel 1.5. van de Wet studiefinanciering 2000 (Wsf 2000) luidde ten tijde hier in geding:

Woonplaats

1. Indien bij controle door Onze Minister blijkt dat het door de studerende verstrekte adres afwijkt van het adres waarop de studerende in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens staat ingeschreven, maakt Onze Minister dit aan hem bekend en stelt hem in de gelegenheid de afwijking te herstellen.

2. Indien een uitwonende studerende de afwijking niet binnen 4 weken na de bekendmaking herstelt, wordt met ingang van de maand waarin de afwijking is ontstaan, de aan hem toegekende beurs omgezet in een beurs voor een thuiswonende studerende, tenzij hem van de afwijking redelijkerwijs geen verwijt kan worden gemaakt.

3. Indien een uitwonende studerende de afwijking na de termijn van 4 weken alsnog herstelt, wordt met ingang van de maand daaropvolgend de beurs voor een thuiswonende studerende omgezet in een beurs voor een uitwonende studerende.

Artikel 9.2. van de Wsf 2000 luidde ten tijde hier in geding:

Verstrekken van inlichtingen door personen

1. Een ieder is verplicht aan Onze Minister of aan een daartoe door of vanwege Onze Minister aangewezen persoon of instantie desgevraagd de ten behoeve van de uitvoering van deze wet benodigde inlichtingen over zichzelf te geven.

2. De inlichtingen worden verstrekt binnen een door Onze Minister of door een in het eerste lid bedoelde persoon of instantie te stellen redelijke termijn.

3. Inlichtingen over zichzelf, voor zover zij kunnen leiden tot de toekenning van minder studiefinanciering of tot verhoging van het bedrag van de terugbetalingstermijn worden steeds ongevraagd en schriftelijk verstrekt door de studerende onderscheidenlijk door de debiteur, onmiddellijk na het bekend worden van die gegevens.

4. Onze Minister kan bepalen dat de inlichtingen, bedoeld in het eerste tot en met derde lid, worden verstrekt op een bij ministeriële regeling vast te stellen wijze.

Artikel 3b van de Wet gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (Wet GBA) luidt per 1 april 2007:

1. De afnemer die bij de vervulling van zijn taak informatie over een ingeschrevene nodig heeft die in de vorm van een authentiek gegeven beschikbaar is in de basisadministratie, gebruikt voor die informatie dat gegeven.

2. Het eerste lid is niet van toepassing indien:

a. bij het gegeven een aantekening als bedoeld in artikel 54 is geplaatst;

b. de afnemer ten aanzien van het gegeven een mededeling als bedoeld in artikel 62 doet;

c. bij wettelijk voorschrift anders is bepaald;

d. een goede vervulling van de taak van de afnemer door de onverkorte toepassing van het eerste lid wordt belet.

Artikel 3c van de Wet GBA luidt per 1 april 2007:

Een ingeschrevene aan wie door een afnemer een gegeven wordt gevraagd, waarop artikel 3b, eerste lid, van toepassing is, behoeft dat gegeven niet mede te delen, behoudens voor zover het gegeven noodzakelijk wordt geacht voor een deugdelijke vaststelling van de identiteit van betrokkene.

Artikel 146b van de Wet GBA luidt per 1 april 2007:

1. De verplichtingen, bedoeld in de artikelen 3b en 62, eerste lid, zijn tot 1 januari 2010 alleen van toepassing op bij of krachtens algemene maatregel van bestuur aangewezen afnemers of categorieën van afnemers.

2. Het recht van de ingeschrevene, bedoeld in artikel 3c, is tot 1 januari 2010 alleen van toepassing jegens bij of krachtens algemene maatregel van bestuur aangewezen afnemers of categorieën van afnemers.

(…)

2.1. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard het beroep van appellant dat zij gericht heeft geacht tegen het besluit van 15 oktober 2010 (bestreden besluit). Bij dat besluit heeft de Minister ongegrond verklaard het bezwaar van appellant tegen het besluit van 12 mei 2010. Bij dit besluit van 12 mei 2010 heeft de Minister onder toepassing van artikel 1.5 van de Wsf 2000 appellants beurs voor uitwonenden met ingang van 1 februari 2010 verlaagd naar een beurs voor thuiswonenden omdat appellant heeft nagelaten zijn adresgegevens bij (de Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO) van) de Minister te corrigeren.

2.2. Appellant heeft tegen het bestreden besluit beroepsgronden aangevoerd die door de rechtbank alle zijn behandeld in de aangevallen uitspraak. Als meest vergaande grond heeft appellant aangevoerd dat er sprake is van onjuiste toepassing door de Minister van artikel 1.5 van de Wsf 2000 in samenhang met artikel 3b en 3c van de Wet GBA. Appellant heeft de in geding zijnde adreswijziging op 15 januari 2010 uitsluitend opgegeven aan de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens van de gemeente Maastricht en niet aan de Minister. De Minister mag volgens appellant echter niet eisen dat een student zoals hij, behalve aan de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens, ook aan de Minister informatie over het nieuwe adres opgeeft.

2.3. Over die beroepsgrond van appellant heeft de rechtbank overwogen dat op grond van artikel 1.5, eerste lid, van de Wsf 2000 het materiële recht op studiefinanciering naar de norm van een uitwonende mede afhankelijk is van de formele toekenningsvoorwaarde dat het adres dat de uitwonende aan de Minister als woonadres heeft opgegeven overeenkomt met het adres waarop deze studerende ingeschreven staat in de gemeentelijke basisadministratie. Een uitwonende studerende wordt geacht met terugwerkende kracht aan deze voorwaarde te hebben voldaan als hij een gebleken afwijking, na bekendmaking ervan aan hem, binnen vier weken ongedaan maakt. Naar het oordeel van de rechtbank zijn deze toekenningsvoorwaarde en het daarvoor toepasselijke wettelijke controle-instrument voor de Minister niet anders geworden door wijzigingen in de Wet GBA die tot invoering van de artikelen 3b en 3c hebben geleid. Deze wijzigingen hebben de verplichting van artikel 1.5 van de Wsf 2000 geheel onverlet gelaten, aldus de rechtbank. De Minister verplicht op grond van dit laatste voorschrift de student niet om aan de Minister informatie te verstrekken die hij aan de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens heeft verstrekt, maar alleen om zelf de adresinformatie bij de Minister en gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens met elkaar in overeenstemming te brengen, juist om aan de toekenningsvoorwaarden voor een beurs voor uitwonenden te blijven voldoen.

3. In hoger beroep heeft appellant gelijke gronden aangevoerd als hij in eerste aanleg heeft gedaan. Zij strekken alle ten betoge dat de rechtbank ten onrechte het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond heeft verklaard.

4. Daaromtrent overweegt de Raad het volgende.

4.1. Het adresgegeven is een authentiek gegeven in de zin van artikel 3b van de Wet GBA. Uit de Memorie van toelichting bij het ontwerp van wet dat heeft geleid tot de artikelen 3b en 3c van de Wet GBA blijkt dat de wetgever met de desbetreffende wijziging van de Wet GBA het beginsel van de zogenoemde eenmalige gegevensverstrekking heeft willen invoeren (TK 2005-2006, 30 514, nr. 3, p. 1 en 23). Volgens artikel 3c van de Wet GBA hoeft een ingeschrevene in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens zoals appellant aan wie door een afnemer, hier de Minister, een gegeven wordt gevraagd, waarop artikel 3b, eerste lid, van toepassing is, dat gegeven niet mede te delen.

4.2. Artikel 9.2 van de Wsf 2000 dat ook de verplichting bevatte een adreswijziging aan de Minister te melden, was ten tijde in geding niet gewijzigd als gevolg van de invoering van de artikelen 3b en 3c van de Wet GBA. Het adresgegeven zoals dat door de opgave van appellant in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens van de gemeente Maastricht was opgenomen is een beschikbaar gegeven in de basisadministratie. Appellant behoefde gelet op artikel 146b van de Wet GBA na 1 januari 2010, gezien artikel 3c van die wet dat gegeven dus niet ook aan de Minister op te geven. In zoverre het een adresgegeven betreft als in dit geding aan de orde, is dus door artikel 3c van de Wet GBA de verplichting van de betrokken studerende, vervat in artikel 9.2 van de Wsf 2000, komen te vervallen.

4.3. De vraag of zich een der uitzonderingen voordoet vermeld in artikel 3b, tweede lid, van de Wet GBA ten aanzien van appellant, dient ontkennend te worden beantwoord. Blijkens de wetsgeschiedenis van artikel 3b, tweede lid, van de Wet GBA moet het bij het tweede lid gaan om specifieke gevallen waarin het zonder meer moeten gebruiken van de authentieke gegevens in de gemeentelijke basisadministratie op gespannen voet staat met een goede vervulling van een of meer taken door de afnemer. De beantwoording van de vraag of er een bijzondere situatie aanwezig is die belet dat de authentieke gegevens in de gemeentelijke basisadministratie moeten worden gebruikt, hangt niet af van de door de instelling zelf gevoelde noodzaak, maar van het geobjectiveerde criterium dat dit voortvloeit uit een behoorlijke taakuitoefening door de afnemer (TK 2005-2006, 30 514, nr. 3, p. 8 en 9). De bedoelde uitzonderingen hebben in het bijzonder betrekking op situaties waarin nadere gegevens van de ingeschrevene zelf of uit andere bronnen nodig zijn voor een deugdelijke identiteitsvaststelling. Ook in het kader van fraudebestrijding en fraudepreventie kan het naar de aard van de taak zeer wel nodig zijn dat de afnemer andere bronnen dan de gemeentelijke basisadministratie, waaronder de ingeschrevene zelf of de bronregisters van die administratie, raadpleegt en gebruikt. Meer in het algemeen kan het bij handelingen op het gebied van onderzoek, controle en handhaving en op het terrein van de opsporing en vervolging van strafbare feiten, alsmede de tenuitvoerlegging van strafrechtelijke beslissingen onmogelijk of onwenselijk zijn uitsluitend te vertrouwen op de authentieke gegevens in de gemeentelijke basisadministratie. Eveneens kan het onmogelijk of onwenselijk zijn handelingen afhankelijk te stellen van de authentieke gegevens in de gemeentelijke basisadministratie in gevallen van spoed. In specifieke gevallen kan het zonder meer moeten gebruiken van de authentieke gegevens in de gemeentelijke basisadministratie indruisen tegen een goede vervulling van een of meer taken door het bestuursorgaan. De beoordeling of sprake is van een dergelijke uitzonderingssituatie is volgens de wetgeschiedenis in eerste instantie aan het betrokken bestuursorgaan zelf. Kennelijk heeft de wetgever hierbij in individuele gevallen te bepalen uitzonderingssituaties voor ogen. Meent een bestuursorgaan namelijk uit te mogen (of zelfs moeten) gaan van andere gegevens dan die welke in de gemeentelijke basisadministratie zijn opgenomen en ontstaat er een verschil van mening met belanghebbende, dan kan deze van het bestuurorgaan verlangen te motiveren waarom andere dan de authentieke gegevens in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens voor een goede taakvervulling moeten worden gebruikt (TK 2005-2006, 30 514, nr. 6, p. 5).

4.3.1. In het bijzonder doen zich de uitzonderingen vermeld in het tweede lid, onder a en b niet voor omdat de daar vermelde bepalingen niet zijn toegepast.

4.3.2. De uitzondering onder c doet zich evenmin voor. Artikel 1.5 van de Wsf 2000 verplichtte de Minister de studerende in de gelegenheid te stellen een adresafwijking binnen een bepaalde termijn ongedaan te maken. De verplichting een adreswijziging aan de Minister op te geven vindt, zoals in 4.2 is overwogen, haar grond in artikel 9.2 van de Wsf 2000, in het bijzonder in de leden 1 en 2 van die bepaling. Deze bepaling is echter niet een wettelijk voorschrift als thans bedoeld in artikel 3b, tweede lid, aanhef en onder c, van de Wet GBA. Artikel 9.2 van de Wsf 2000 is te algemeen geformuleerd om als wettelijk voorschrift, bevattende de uitzondering als bedoeld in artikel 3b, tweede lid, aanhef en ander c, van de Wet GBA, te kunnen gelden, nu zij niet een specifiek aangeduide verplichting bevat voor de studerende om zijn adreswijziging aan de Minister op te geven.

4.3.3. Ook de uitzondering onder d is niet aan de orde. In het onderhavige geval is geen sprake van identiteitsvaststelling, noch van opsporing en vervolging van strafbare feiten, of de tenuitvoerlegging van strafrechtelijke beslissingen. Wat betreft andere elementen die de wetgever blijkens de in 4.3 vermelde wetsgeschiedenis van belang heeft geacht, heeft de Minister, in geen der stadia van de onderhavige procedure - anders dan door enkele verwijzing naar zijn verplichting neergelegd in artikel 1.5 van de Wsf 2000 - gemotiveerd waarom in het onderhavige geval niet kon worden volstaan met kennisneming door hem van het desbetreffende authentieke gegeven uit de gemeentelijke basisadministratie.

4.4. Voor zover de adresgegevens waarover de Minister beschikte niet waren aangepast, mocht dit appellant niet worden tegengeworpen, omdat appellant in de veronderstelling mocht verkeren dat hij na 1 januari 2010 door opgave van zijn adreswijziging aan de gemeentelijke basisadministratie van de gemeente Maastricht aan zijn wettelijke verplichting ter zake had voldaan. Derhalve was hij evenmin, overeenkomstig artikel 1.5, eerste lid, van de Wsf 2000, gehouden gevolg te geven aan de brief van de Minister waarin appellant in de gelegenheid is gesteld de afwijking van het adres waarop hij in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens staat ingeschreven, binnen vier weken te herstellen, door alsnog bij de Minister opgave te doen. Bijgevolg kon de Minister, nu appellant de afwijking niet binnen de vermelde periode had hersteld, niet op rechtmatige wijze gebruik maken van de in het tweede lid van die bepaling verleende bevoegdheid de aan appellant toegekende beurs om te zetten in een beurs voor een thuiswonende studerende.

4.5. De rechtbank heeft dit miskend, zodat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, zal worden vernietigd. De overige hoger beroepsgronden behoeven niet te worden besproken.

4.6. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaren en dat besluit vernietigen. Het besluit van 12 mei 2010 zal worden herroepen.

5. De Minister zal worden veroordeeld in de proceskosten van appellant. Die bedragen

€ 43,-- aan reiskosten van appellant in hoger beroep.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten;

Verklaart het beroep tegen het besluit van 15 oktober 2010 gegrond;

Vernietigt het besluit van 15 oktober 2010;

Herroept het besluit van 12 mei 2010 en bepaalt dat deze uitspraak treedt in de plaats van het besluit van 12 mei 2010;

Veroordeelt de Minister in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 43,--;

Bepaalt dat de Minister het door appellant in eerste aanleg en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 152,-- voldoet.

Deze uitspraak is gedaan door T. Hoogenboom als voorzitter en J. Brand en I.M.J. Hilhorst-Hagen als leden in tegenwoordigheid van Z. Karekezi als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 juli 2012.

(getekend) T. Hoogenboom

(getekend) Z. Karekezi

KR