Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BX0642

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
06-07-2012
Datum publicatie
09-07-2012
Zaaknummer
11-5419 WW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag WW-uitkering. Geen sprake van privaatrechtelijke dienstbetrekking tussen appellante en de BV. Directeur-grootaandeelhouder.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/5419 WW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 8 augustus 2011, 11/637 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 6 juli 2012

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. E.R. Jonkman, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 maart 2012. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Jonkman. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.J. van Steenwijk.

Ter zitting is het onderzoek geschorst en is afgesproken dat appellante nadere stukken in zal dienen en dat het onderzoek zal worden voortgezet ter zitting van een meervoudige kamer.

Appellante heeft nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting is voortgezet op 25 mei 2012. Daarbij zijn opnieuw verschenen appellante, mr. Jonkman en mr. Van Steenwijk.

OVERWEGINGEN

1.1. Appellante is van 1988 tot 2004 in gemeenschap van goederen gehuwd geweest met D. [M.]. In 1994 heeft [M.] de besloten vennootschap [naam BV] opgericht. Appellante heeft sinds 1997 bij [naam BV] gewerkt. Vanaf februari 1995 is zij gevolmachtigd directeur, alleen/zelfstandig bevoegd. Als gevolg van de boedelscheiding in 2004 heeft zij 50% van de aandelen in [naam BV] verkregen. Met ingang van 31 juli 2009 is zij geschorst uit de functie van gevolmachtigd directeur. Zij heeft daarna geen werkzaamheden meer verricht. Met ingang van 13 juli 2010 is [naam BV] failliet verklaard.

1.2. Bij besluit van 10 december 2010 heeft het Uwv afwijzend beslist op de aanvraag van appellante om een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW) per 29 juli 2010.

1.3. Het bezwaar daartegen is bij besluit van 3 februari 2011 ongegrond verklaard. Het Uwv stelt zich op het standpunt dat appellante niet verzekerd was voor de WW aangezien geen sprake was van een gezagsverhouding tussen haar en [naam BV].

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het besluit van 3 februari 2011 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat voor het bestaan van een gezagsverhouding de feitelijke situatie bepalend is. Appellante had 50% van de aandelen in [naam BV], zij had zeggenschap in en kon een doorslaggevende invloed uitoefenen op de benoeming, schorsing en ontslag van de (statutair) directeur en haar onwelgevallige besluiten tegenhouden. Daarom was geen sprake van een gezagsverhouding. Dat appellante zichzelf doorlopend als werknemer heeft beschouwd doet aan de formele positie niet af. De schorsing uit de functie van gevolmachtigd directeur en het op haar aandelen gelegde beslag leiden niet tot een ander oordeel.

3. Appellante heeft in hoger beroep gesteld dat wel degelijk sprake was van een gezagsverhouding en dat zij dus wel verzekerd was voor de WW. Zij heeft gewezen op de feitelijke situatie. [M.] kon haar aanwijzingen en opdrachten geven. Zij ontving loonstroken en jaaropgaven. Haar loonvordering is toegewezen hetgeen eveneens een privaatrechtelijke dienstbetrekking veronderstelt. De curator in het faillissement heeft het dienstverband opgezegd. Ter ondersteuning van haar standpunt heeft zij loonstroken, jaaropgaven, het faillissementsverslag, de akte inzake de verdeling van de aandelen en stukken inzake de gevoerde procedures overgelegd.

4.1. De Raad overweegt als volgt.

4.2. Het geschil spitst zich toe op de vraag of appellante kan worden aangemerkt als werknemer in de zin van de WW. Gelet op artikel 3 van de WW is daarvoor vereist dat appellante tot [naam BV] in een privaatrechtelijke dienstbetrekking heeft gestaan. Gelet op de jurisprudentie van de Hoge Raad (onder andere HR 13 juli 2007, LJN BA6231 en 25 maart 2011, LJN BP3887) is voor het aannemen van een privaatrechtelijke dienstbetrekking maatgevend of tussen partijen sprake was van een arbeidsovereenkomst in de zin van artikel 7:610 van het Burgerlijk Wetboek, waarbij als criteria gelden een verplichting tot het persoonlijk verrichten van arbeid, een gezagsverhouding en een verplichting tot het betalen van loon. Daarbij moet acht worden geslagen op alle omstandigheden van het geval, in onderling verband bezien, en dienen niet alleen de rechten en verplichtingen in aanmerking te worden genomen die partijen bij het sluiten van de overeenkomst voor ogen stonden, maar dient ook acht te worden geslagen op de wijze waarop partijen uitvoering hebben gegeven aan hun overeenkomst en aldus daaraan inhoud hebben gegeven. Voorts wordt ingevolge artikel 6, eerste lid, onder d, van de WW niet als dienstbetrekking beschouwd de arbeidsverhouding van een persoon die directeur-grootaandeelhouder is. Op grond van het vierde lid van dit artikel worden door Onze Minister, in overeenstemming met Onze Minister van Financiën, regels gesteld omtrent hetgeen onder directeur-grootaandeelhouder, bedoeld in het eerste lid, onderdeel d, wordt verstaan. Dit is geschied bij de Regeling aanwijzing directeur-grootaandeelhouder (de Regeling), Stcrt 1997, nr. 248.

Ingevolge artikel 2 van de Regeling wordt onder directeur-grootaandeelhouder, bedoeld in artikel 6, eerste lid, onderdeel d, van de Werkloosheidswet, voor zover hier van belang, verstaan de bestuurder die, al dan niet tezamen met zijn echtgenoot, houder is van aandelen die ten minste de helft van de stemmen in de algemene vergadering van de vennootschap vertegenwoordigen. Op grond van artikel 3 van de Regeling is het UWV bevoegd, in afwijking van artikel 2, een bestuurder niet als directeur-grootaandeelhouder aan te merken, indien deze door feiten en omstandigheden aantoont daadwerkelijk ondergeschikt te zijn aan de algemene vergadering van de vennootschap.

4.3. De rechtbank heeft op goede gronden geoordeeld dat er geen sprake is geweest van een privaatrechtelijke dienstbetrekking tussen appellante en [naam BV] gedurende de in geding zijnde periode. De in de aangevallen uitspraak neergelegde overwegingen onderbouwen het oordeel van de rechtbank dat appellante directeur-grootaandeelhouder als bedoeld in artikel 2 van de Regeling was. Dit is niet anders geworden door de schorsing uit de functie van gevolmachtigd directeur en het beslag op haar aandelen aangezien zij nog steeds het aan de aandelen verbonden stemrecht en andere aandeelhoudersbevoegdheden kon uitoefenen.

Voorts zijn in de feiten en omstandigheden zoals die in het dossier naar voren komen, onvoldoende aanwijzingen te vinden voor de juistheid van de door appellante aangevoerde stelling dat zij in feite ondergeschikt was aan [naam BV]/[M.]. Appellante heeft op haar aanvraag overname betalingsverplichtingen als haar functie vermeld mede-eigenaresse. In het vonnis van de voorzieningenrechter van 31 juli 2009 staat dat appellante en [M.] gelijkelijk bevoegd zijn en vanuit hun positie van aandeelhouder ook een gelijke stemverhouding hebben. Beiden hebben een rekening-courant met [naam BV]. Appellante deed de financiële administratie en maakte samen met [M.] de kas op. De curator in het faillissement kan desgevraagd niet verklaren dat appellante in het bedrijf niets te zeggen had; haar onderzoek ter zake bestuurdersaansprakelijkheid richt zich ook op appellante. Er zijn dus geen redenen voor het oordeel dat het Uwv gebruik had moeten maken van de in artikel 3 van de Regeling gegeven bevoegdheid.

4.4. Het hoger beroep slaagt dan ook niet.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J. Brand als voorzitter en H. Bolt en I.M.J. Hilhorst-Hagen als leden, in tegenwoordigheid van G.J. van Gendt als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 juli 2012.

(getekend) J. Brand

(getekend) G.J. van Gendt

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake de begrippen werknemer, werkgever, dienstbetrekking en loon.

NW