Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BX0612

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
06-07-2012
Datum publicatie
09-07-2012
Zaaknummer
12-743 WIA
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering uitkering ingevolge de Wet WIA, omdat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt is. In hoger beroep zijn gronden aangevoerd die ook reeds in beroep zijn aangevoerd en door de rechtbank zijn besproken. Geen sprake van urenbeperking of “verminderde beschikbaarheid”.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

12/743 WIA

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 28 december 2011, 11/5881 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 6 juli 2012.

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. R.G. Groen, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 juni 2012. Appellant is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Voor het Uwv is verschenen mr. M.J.F. Bähr.

OVERWEGINGEN

1.1. Bij besluit van 12 april 2011 heeft het Uwv geweigerd appellant per 28 februari 2011 in aanmerking te brengen voor een uitkering ingevolge de Wet Werk en Inkomen naar Arbeidsvermogen, omdat hij per die datum minder dan 35% arbeidsongeschikt is.

1.2. Bij besluit van 27 juni 2011 (bestreden besluit) is het bezwaar tegen het besluit van 12 april 2011 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard. De rechtbank heeft - kort samengevat - overwogen dat het medisch onderzoek naar de beperkingen van appellant op juiste en zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden. Appellant heeft geen objectieve medische stukken ingediend waaruit blijkt dat zijn beperkingen niet juist zijn weergegeven in de Functionele Mogelijkheden Lijst. De rechtbank heeft geen reden gezien het verzoek van appellant om een deskundige te benoemen in te willigen.

De aan de schatting ten grondslag gelegde functies zijn passend voor appellant.

3. In hoger beroep heeft appellant zich onveranderd op het standpunt gesteld dat hij meer beperkingen heeft dan is aangenomen en dat hij niet in staat is zijn eigen werk en de aan de schatting ten grondslag gelegde functies te verrichten. Naar zijn mening is een urenbeperking geïndiceerd. Voorts verzoekt appellant de Raad om een deskundige te benoemen.

4.1. De Raad overweegt als volgt.

4.2. Appellant heeft in hoger beroep gronden aangevoerd die ook reeds in beroep zijn aangevoerd en door de rechtbank zijn besproken. Appellant heeft in hoger beroep deze gronden slechts herhaald en niet aangegeven waarom naar zijn opvatting het oordeel van de rechtbank onjuist is. Naar het oordeel van de Raad heeft de rechtbank de in hoger beroep herhaalde gronden op juiste wijze besproken en op juiste wijze gemotiveerd waarom die gronden niet slagen. De Raad onderschrijft de overwegingen van de rechtbank.

4.3. De Raad voegt hier nog aan toe dat het beroep op een urenbeperking op grond van de Standaard Verminderde Arbeidsduur niet slaagt. De bezwaarverzekeringsarts heeft zich op het standpunt gesteld dat appellant niet voldoet aan de indicaties van die Standaard. De bezwaarverzekeringsarts heeft aangegeven dat de indicatie ‘energetisch’ niet aanwezig is, omdat chronische moeheid/chronisch energieverlies niet als claimklacht wordt gepresenteerd. De indicatie ‘preventief’ is niet aanwezig, omdat niet valt in te zien dat appellant in volledig eenvoudig en stressarm werk niet hele dagen actief zou kunnen zijn. Voorts strookt een vermindering van de duurbelasting niet met de praktijk van alledag. Ten slotte is evenmin sprake van “verminderde beschikbaarheid”. Deze motivering is toereikend.

4.4. Evenmin als de rechtbank ziet de Raad aanleiding appellant te doen onderzoeken door een deskundige. De hiervoor noodzakelijke twijfel aan de volledigheid en juistheid van de door het Uwv vastgestelde medische situatie van appellant per 28 februari 2011 en de hieruit per die datum voor hem voortvloeiende beperkingen ontbreekt.

4.5. Uit hetgeen is overwogen in 4.2 tot en met 4.4 volgt dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door I.M.J. Hilhorst-Hagen, in tegenwoordigheid van K.E. Haan als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 juli 2012.

(getekend) I.M.J. Hilhorst-Hagen

(getekend) K.E. Haan

KR