Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BX0603

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
06-07-2012
Datum publicatie
09-07-2012
Zaaknummer
11-322 WAZ
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Omvang geding: De rechtbank heeft de grenzen van het geschil overschreden. Toepassing van artikel 58 van de WAZ in verband met inkomsten uit arbeid tijdens uitkering. Het Uwv heeft terecht besloten de uitkering van betrokkene (...) uit te betalen naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 65 tot 80% en heeft de onverschuldigd betaalde uitkering over de periode (...) terecht van betrokkene teruggevorderd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/322 WAZ

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 8 december 2010, 10/3955 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (appellant)

[Naam betrokkene] (betrokkene)

Datum uitspraak 6 juli 2012.

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld en betrokkene heeft een verweerschrift ingediend.

Appellant en betrokkene hebben nadere reacties in het geding gebracht.

Desgevraagd heeft appellant een nader stuk in het geding gebracht.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 mei 2012. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. J.P.H. Loogman. Betrokkene is verschenen, bijgestaan door haar echtgenoot, [naam echtgenoot].

OVERWEGINGEN

1.1. Aan betrokkene is in 1985 een uitkering ingevolge de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, welke per 1 januari 1998 is omgezet in een uitkering ingevolge de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ). Naast de WAZ-uitkering is betrokkene (gedeeltelijk) werkzaamheden als zelfstandige gaan verrichten.

1.2. Bij besluit van 21 april 2010 heeft appellant aan betrokkene meegedeeld dat haar WAZ-uitkering in verband met inkomsten als zelfstandige vanaf 1 januari 2008 wordt uitbetaald naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 65 tot 80%.

1.3. Bij besluit van 7 juni 2010 heeft appellant de onverschuldigd betaalde uitkering over de periode 1 januari 2008 tot 1 januari 2009 ten bedrage van € 4.229,46 van betrokkene teruggevorderd.

1.4. Bij besluit van 15 juli 2010 (bestreden besluit) heeft appellant de bezwaren van betrokkene tegen de besluiten van 21 april 2010 en 7 juni 2010 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van betrokkene tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dat besluit vernietigd, het besluit van 21 april 2010 herroepen en bepaald dat de uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit. De rechtbank heeft geoordeeld dat de toepassing van artikel 58 van de WAZ in dit geval in strijd met de rechtszekerheid is, het bestreden besluit om die reden moet worden vernietigd en daaruit voortvloeit dat voor terugvordering geen grond meer bestaat. Daartoe heeft zij overwogen dat appellant reeds vanaf (in ieder geval) 2006 op de hoogte was van de omvang van de verdiensten van betrokkene en heeft nagelaten betrokkene te informeren over de gevolgen hiervan voor haar uitkering en voorts dat de inkomsten van betrokkene leiden tot een bedrag aan anticumulatie dat hoger is dan die verdiensten en het betrokkene daarom redelijkerwijs niet duidelijk heeft kunnen zijn dat zij teveel aan uitkering ontving.

3. Appellant heeft in hoger beroep - kort samengevat - aangevoerd dat hij bij de toepassing van artikel 58 van de WAZ met terugwerkende kracht vanaf 1 januari 2008, niet in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel heeft gehandeld. Volgens appellant was het betrokkene in dit geval redelijkerwijs duidelijk dat zij teveel uitkering ontving. Voorts heeft appellant aangevoerd dat hij op grond van het bepaalde in artikel 63 van de WAZ gehouden is om hetgeen onverschuldigd is betaald terug te vorderen van betrokkene.

4. De Raad overweegt als volgt.

4.1. Betrokkene heeft in eerste aanleg geen gronden aangevoerd die zien op de door de rechtbank vastgestelde strijd met het beginsel van rechtszekerheid bij de toepassing van artikel 58 van de WAZ. Uit het proces-verbaal van de zitting van de rechtbank, maar ook uit hetgeen partijen daarover hebben verklaard ter zitting van de Raad, blijkt evenmin dat zulks door betrokkene aan de orde is gesteld.

4.2. Omdat de bepaling van artikel 58 van de WAZ, die ziet op de toepassing van de anticumulatiebepaling, niet is te beschouwen als een bepaling van openbare orde die de rechter ambsthalve moet toetsen, en door betrokkene in eerste aanleg geen gronden zijn aangevoerd die - naar de strekking van artikel 8:69, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) mogelijkerwijs - zien op de niet juiste toepassing van artikel 58 van de WAZ, heeft de rechtbank de grenzen van het geschil als bedoeld in artikel 8:69 van de Awb overschreden. De aangevallen uitspraak kan reeds om die reden niet in stand blijven.

4.3. Met betrekking tot de partijen verdeeld houdende vraag of appellant terecht per 1 januari 2008 tot verlaging van de WAZ-uitkering van betrokkene en tot terugvordering van de WAZ-uitkering over de periode van 1 januari 2008 tot 1 januari 2009 ten bedrage van € 4.229,46 is overgaan, geldt het volgende.

4.4. Het gaat hier om de toepassing van artikel 58 van de WAZ in verband met inkomsten uit arbeid tijdens uitkering. Betrokkene heeft in de periode van 1 januari 2008 tot 1 januari 2009 werkzaamheden als zelfstandige verricht en daarvoor inkomsten ontvangen, waarvan zij melding heeft gemaakt bij appellant. Appellant heeft, op basis van de in het dossier aanwezig gegevens, terecht vastgesteld dat de inkomsten van betrokkene uit arbeid in het jaar 2008 in vergelijking met het maatmanloon dienen te leiden tot een mate van arbeidsongeschiktheid van 65 tot 80%. Appellant heeft dan ook terecht besloten om de uitkering van betrokkene met toepassing van artikel 58 van de WAZ over de periode vanaf 1 januari 2008 uit te betalen naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 65 tot 80%.

4.5. Dit betekent dat door appellant onverschuldigd uitkering is betaald aan betrokkene over de periode van 1 januari 2008 tot 1 januari 2009.

4.6. Betrokkene kan zich niet verenigen met de terugvordering, in die zin dat het van haar teruggevorderde bedrag, ondanks gelijkblijvende inkomsten in de afgelopen jaren, veel hoger is dan de terugvordering over de jaren daarvoor en bovendien hoger is dan het bedrag dat zij met haar inkomen uit arbeid heeft verworven. Betrokkene is van mening dat zulks nimmer de bedoeling van de wetgever kan zijn geweest.

4.7. Er is geen aanleiding voor twijfel aan de hoogte van het terugvorderingsbedrag van € 4.229,46, als nader gespecificeerd in de brief van appellant van 28 juni 2010. Met betrekking tot de volgens betrokkene niet te verklaren verschillen in de hoogte van de terugvordering over 2008 en de voorgaande jaren, bij jaarlijks gelijkblijvende inkomsten uit zelfstandige arbeid, geldt het volgende. De vooronderstelling van betrokkene dat er over de periode van 1 december 2005 tot en met 30 juni 2007, een periode van anderhalf jaar, een terugvordering van € 2.020,50 is ontstaan is niet juist. Blijkens de memo van

21 september 2009 en 3 november 2009 is er over de periode van 1 januari 2005 tot en met 1 januari 2008 een terugvordering van € 10.037,10 ontstaan. Omdat deze vordering is verrekend met een nabetaling vanaf 2004 waar betrokkene nog recht op had, resteerde een terug te vorderen bedrag van € 2.020,50. De bedragen die appellant per jaar van betrokkene heeft teruggevorderd lagen derhalve aanzienlijk hoger dan zij vooronderstelt. Verder laat zich het verschil tussen 2008 en voorgaande jaren, zoals ook blijkt uit de brief van appellant van 24 februari 2011, nader verklaren uit de wijziging van het uitkeringspercentage. Waar in de jaren voor 2008 een uitkeringspercentage van 70 van toepassing was, was in 2008 een uitkeringspercentage van 75 van toepassing.

4.8. In artikel 63, eerste lid, van de WAZ wordt bepaald, voor zover van belang, dat de onverschuldigde uitkering door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen wordt teruggevorderd. Er is geen grond voor het oordeel dat appellant gehouden was om in weerwil van de (dwingendrechtelijke) wettelijke bepalingen (gedeeltelijk) af te zien van de terugvordering. Blijkens de wetsgeschiedenis heeft de wetgever beoogd om in die gevallen waarin de onverschuldigde betaling aan een uitkeringsgerechtigde heeft plaatsgevonden en deze het gevolg is van een herzieningsbesluit - een besluit dat leidt tot herstel van de toekenningsbeschikking, waardoor de rechtsgrond aan reeds gedane betalingen is komen te ontvallen - het Uwv verplicht is tot terugvordering over te gaan. Op deze regel kan een uitzondering worden gemaakt, in die zin dat geheel of gedeeltelijk van uitoefening van de betrokken verplichting wordt afgezien, indien sprake is van een dringende reden. Uit het woord "dringend" blijkt dat er iets bijzonders en uitzonderlijks aan de hand moet zijn, wil een afwijking van het algemene principe gerechtvaardigd zijn. Dergelijke omstandigheden heeft betrokkene niet gesteld.

5. Het overwogene onder 4.1 tot en met 4.8 betekent dat appellant terecht heeft besloten de uitkering van betrokkene per 1 januari 2008 uit te betalen naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 65 tot 80% en de onverschuldigd betaalde uitkering over de periode 1 januari 2008 tot 1 januari 2009 ten bedrage van € 4.229,46 terecht van betrokkene heeft teruggevorderd. Het bestreden besluit wordt in dit opzicht gedragen door een adequate en toereikende grondslag. Dit betekent dat de rechtbank bij de aangevallen uitspraak het beroep van betrokkene ten onrechte gegrond heeft verklaard, zodat de aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd en het beroep van betrokkene ongegrond dient te worden verklaard.

6. De Raad acht geen termen aanwezig om over te gaan tot een proceskostenveroordeling.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door J. Brand als voorzitter en H. Bolt en I.M.J. Hilhorst-Hagen als leden, in tegenwoordigheid van G.J. van Gendt als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 juli 2012.

(getekend) J. Brand

(getekend) G.J. van Gendt

CVG