Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BX0596

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
22-06-2012
Datum publicatie
06-07-2012
Zaaknummer
10-3287 WAZ
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen herleving WAZ-uitkering.

Wetsverwijzingen
Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen 3
Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen 20
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2012/192
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/3287 WAZ

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Almelo van 2 juni 2010, 09/525 (aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv).

Datum uitspraak: 22 juni 2012

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant is hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 februari 2011, 20 januari 2012 en 30 maart 2012. Appellant is telkens verschenen met bijstand van mr. P.S. Fluit, advocaat. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.Ruis, onderscheidenlijk T. van der Weert.

II. OVERWEGINGEN

1. Met ingang van 1 augustus 2004 is de Wet einde toegang verzekering WAZ in werking getreden. Deze wet heeft een einde gemaakt aan de publiekrechtelijke verplichte verzekering van zelfstandigen, beroepsbeoefenaren en meewerkende echtgenoten tegen het risico van inkomensverlies wegens arbeidsongeschiktheid.

Met de invoering van artikel I, onderdeel C, van de Wet einde toegang verzekering WAZ zijn per 1 augustus 2004 wijzigingen aangebracht in artikel 3 van de WAZ.

Artikel 3, eerste lid, aanhef, en onder e, van de WAZ luidt met ingang van die datum als volgt:

Verzekerd op grond van deze wet is de persoon die vóór de inwerkingtreding van artikel I, onderdeel C, van de Wet einde toegang verzekering WAZ als zelfstandige, beroepsbeoefenaar of meewerkende echtgenoot arbeidsongeschikt is geworden gedurende het tijdvak van vier weken, bedoeld in artikel 20, eerste lid, indien dat tijdvak is aangevangen vóór de inwerkingtreding van artikel I, onderdeel C, van de Wet einde toegang verzekering WAZ.

In artikel 20, eerste lid aanhef en onder a, van de WAZ is bepaald dat indien de verzekerde wiens arbeidsongeschiktheidsuitkering wegens afneming van arbeidsongeschiktheid op grond van artikel 19, eerste lid, onderdeel b, is ingetrokken, binnen vijf jaar na de datum van die intrekking arbeidsongeschikt wordt en deze arbeidsongeschiktheid voortkomt uit dezelfde oorzaak als die waaruit de arbeidsongeschiktheid terzake waarvan de ingetrokken uitkering werd genoten, toekenning van arbeidsongeschiktheidsuitkering steeds plaatsvindt, zodra de arbeidsongeschiktheid onafgebroken vier weken heeft geduurd.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank ongegrond verklaard het beroep van appellant tegen het besluit van

16 april 2009 (bestreden besluit). Bij dit besluit heeft het Uwv ongegrond verklaard het bezwaar van appellant tegen het besluit van 21 november 2008. In laatst vermeld besluit heeft het Uwv afgewezen het verzoek van appellant om een herbeoordeling van de mate van zijn arbeidsongeschiktheid per 1 mei 2008. Appellant had het verzoek gedaan wegens verlaging per die datum van zijn salaris. Het Uwv stelt zich op het standpunt dat appellant, vanwege de beëindiging per

1 juni 2005 van de aan hem toegekende uitkering ingevolge de WAZ, vanaf deze datum niet meer verzekerd is ingevolge de WAZ. Dit brengt volgens het Uwv met zich dat vanaf dat moment geen sprake meer kan zijn van heropening van uitkering op grond van artikel 20 WAZ. Voor zover appellant een beroep heeft gedaan op een hardheidsclausule stelt het Uwv zich op het standpunt dat de regelgeving die mogelijkheid niet biedt.

3. Appellant heeft in beroep betoogd dat het Uwv zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat er geen mogelijkheid is om op basis van de bestaande regelgeving zijn WAZ-uitkering te heropenen. Appellant heeft aangevoerd dat artikel 20 van de WAZ niet expliciet voorschrijft dat sprake moet zijn van verzekering op het moment waarop sprake is van toeneming van arbeidsongeschiktheid binnen vijf jaar na de intrekking van de uitkering. Appellant heeft voorts gewezen op de uitzonderingsmogelijkheid, die is opgenomen in artikel 5 van het Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden WAZ (het Besluit). Appellant heeft aangevoerd dat die hardheidsclausule is opgenomen ten behoeve van personen als hij die zich alleen maar tegen onevenredig hoge lasten kunnen herverzekeren. Bovendien, zo stelt appellant, is herverzekering in zijn geval niet mogelijk en zou hij om die reden in geval van toeneming van de arbeidsongeschiktheid een beroep op artikel 20 WAZ moeten kunnen doen.

Appellant heeft correspondentie van zijn particuliere verzekeringsmaatschappij overgelegd, waaruit volgens hem blijkt dat hij vanaf 1 mei 2008 als volledig arbeidsongeschikt wordt beschouwd.

4. In hoger beroep heeft appellant gelijke gronden aangevoerd als hij in eerste aanleg heeft gedaan.

5. Die gronden slagen niet.

5.1. De rechtbank heeft vastgesteld dat tussen partijen niet in geschil is dat de eerste arbeidsongeschiktheidsdag van appellant na de intrekking van de WAZ-uitkering per 1 juni 2005 is gelegen.

5.2. Artikel 3 van de WAZ beperkt met ingang van 1 augustus 2004 de kring van verzekerden tot personen die vóór

1 augustus 2004 arbeidsongeschikt zijn geworden. Voor de beoordeling of appellant op grond van artikel 20 van de WAZ in aanmerking komt voor een herleving van zijn eerder toegekende WAZ-uitkering heeft de rechtbank terecht beslissend geacht of appellant per 1 mei 2008 kan worden aangemerkt als verzekerde in de zin van die wet, en of hij verzekerd was gedurende de verkorte wachttijd van vier weken. De rechtbank heeft die vraag, evenzeer terecht, ontkennend beantwoord.

5.2.1. Nu in artikel 3, eerste lid, aanhef en onder e, van de WAZ de verzekering beperkt is tot personen wier arbeidsongeschiktheid vóór 1 augustus 2004 is ontstaan, kan de verzekering over de verkorte wachttijd van vier weken bedoeld artikel 20 WAZ uiterlijk nog slechts op 31 juli 2004 aanvangen. De periode van vier weken eindigt bijgevolg in augustus 2004. Aangezien appellant stelt dat hij na de intrekking van de uitkering per 1 juni 2005, sedert 1 mei 2008 opnieuw arbeidsongeschikt in de zin van de WAZ moet worden geacht, behoort hij niet tot kring van verzekerden ingevolge de WAZ.

5.2.2. Dat artikel 20 WAZ, waarin het herlevingsrecht van de uitkering is geregeld, met de invoering van de Wet einde toegang verzekering WAZ niet is ingetrokken of aangepast, doet daar niet aan af. De Raad verwijst naar zijn, ook door het Uwv genoemde, uitspraak van 3 juni 2009, LJN BI8575.

5.2.3. Terecht heeft de rechtbank geoordeeld dat het beroep van appellant op de hardheidsclausule van artikel 5 van het Besluit niet ziet op de toepassing van de artikelen 3 en 20 WAZ. Deze artikelen zien op de vraag of er al dan niet recht op uitkering bestaat vanwege het al dan niet bestaan van verzekering ingevolge de WAZ, terwijl het Besluit ziet op het al dan niet accepteren in de verzekering.

5.3. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.

6. Er is geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep:

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak;

Wijst het verzoek om vergoeding van schade af.

Deze uitspraak is gedaan door T. Hoogenboom als voorzitter en T.L. de Vries en D.J. van der Vos als leden, in tegenwoordigheid van Z. Karekezi als griffier.

De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 juni 2012.

(get.) T. Hoogenboom

(get.) Z. Karekezi

TM