Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BX0594

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
06-07-2012
Datum publicatie
09-07-2012
Zaaknummer
10-5780 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening WAO-uitkering naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 55 tot 65%. De deskundige van de Raad heeft zich kunnen verenigen met de functionele mogelijkheden zoals deze ten behoeve van appellant (...) zijn vastgesteld door het Uwv. Geschiktheid functies.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/5780 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 13 september 2010, 09/1700 (aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv).

Datum uitspraak: 6 juli 2012

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. R.J. Laatsman, advocaat, hoger beroep ingesteld en nadere stukken ingediend.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 april 2011, waar appellant, bijgestaan door zijn raadsman en zijn echtgenote, is verschenen en waar het Uwv zich heeft laten vertegenwoordigen door V.A.R. Kali.

De Raad heeft na de behandeling ter zitting vastgesteld dat het onderzoek niet volledig is geweest, in verband waarmee hij het onderzoek heeft heropend. De Raad heeft prof. dr. G.F. Koerselman, psychiater, benoemd als deskundige voor het instellen van een onderzoek.

De deskundige heeft een rapport, gedateerd 1 november 2011, uitgebracht aan de Raad.

Partijen hebben schriftelijk gereageerd op het deskundigenrapport. Namens appellant is schriftelijk gereageerd op de reactie van het Uwv.

Gelet op de van partijen verkregen toestemming, heeft de Raad bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft. De Raad heeft het onderzoek gesloten.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellant, geboren [in] 1968, is in 1999 uitgevallen voor zijn werk als productiemedewerker wegens hoofdpijn en oorsuizen.

Na afloop van de wettelijke wachttijd van 52 weken is aan hem vanwege onvermogen tot persoonlijk en sociaal functioneren een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. De uitkering is nadien ongewijzigd voortgezet.

1.2. In 2008 heeft het Uwv de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant herbeoordeeld. Bij besluit van 21 november 2008 is zijn WAO-uitkering met ingang van 22 januari 2009 herzien en berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 55 tot 65%.

1.3. Bij besluit van 9 april 2009 (bestreden besluit) heeft het Uwv het hiertegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

2.1. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft zich kunnen verenigen met de verzekeringsgeneeskundige grondslag van het bestreden besluit op grond van het aan haar uitgebrachte deskundigenrapport van 16 juni 2010 van D.H.J. Boeykens, neuropsychiater/zenuwarts. Voorts heeft de rechtbank, mede gelet op dit deskundigenrapport, geoordeeld dat appellant de door het Uwv bij de herziening van de uitkering in aanmerking genomen functies kan vervullen.

3.1. Appellant heeft in hoger beroep zijn standpunt herhaald dat het Uwv met betrekking tot de datum 22 januari 2009 te weinig functionele beperkingen heeft vastgesteld. Appellant is van mening dat hij op deze datum volledig arbeidsongeschikt was. Daartoe heeft hij aangevoerd dat zijn behandelend psychiaters en zijn huisarts van opvatting zijn dat hij destijds geen verdiencapaciteit had vanwege de ernst van zijn psychiatrische aandoening. Naar aanleiding van het aan de Raad uitgebrachte deskundigenrapport heeft appellant te kennen gegeven dat hij zich niet kan vinden in de daarin vermelde conclusies voor zover deze zijn gebaseerd op een inschatting van zijn beperkingen op 22 januari 2009.

3.2. Het Uwv heeft, onder verwijzing naar een rapport van zijn bezwaarverzekeringsarts, de Raad bericht dat het aan de Raad uitgebrachte deskundigenrapport geen aanleiding geeft om het eerder ingenomen standpunt te wijzigen.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. In vaste rechtspraak van de Raad ligt besloten dat de conclusies van een onafhankelijke door de bestuursrechter geraadpleegde deskundige in beginsel dienen te worden gevolgd. In hetgeen appellant heeft aangevoerd ziet de Raad geen aanleiding om in dit geval van dat uitgangspunt af te wijken.

4.2. De deskundige van de Raad heeft zich kunnen verenigen met de functionele mogelijkheden zoals deze ten behoeve van appellant met betrekking tot 22 januari 2009 zijn vastgesteld door het Uwv. Daartoe heeft de deskundige in aanmerking genomen dat appellant in januari 2009 leed aan een psychiatrische stoornis (een zogenoemde nagebootste stoornis met hoofdzakelijk psychische klachten en verschijnselen). Op grond van de aanwezige medische stukken en zijn eigen onderzoek concludeert hij dat appellant op genoemde datum nog duurzaam benutbare mogelijkheden had, waarbij hij opmerkt dat een beperking van de arbeidsduur tot twintig uur per week op zijn plaats was. Hiermee wijkt hij wat betreft zijn oordeel over de belastbaarheid van appellant op de datum in geding 22 januari 2009 niet af van de conclusies van de door de rechtbank geraadpleegde deskundige Boeykens en van het Uwv. De deskundige van de Raad heeft voorts gesteld dat appellant gelet op zijn beperkingen, in het algemeen gesproken, de functies die passen bij de door het Uwv gehanteerde functionele mogelijkhedenlijst (productiemedewerker textiel, inpakker en productiemedewerker industrie en als reservefunctie samensteller kunststof- en rubberindustrie) in principe had moeten kunnen vervullen. De Raad heeft in de beschikbare gegevens geen aanknopingspunten gezien om wat betreft die functies tot een ander oordeel te komen.

4.3. Uit hetgeen onder 4.1 en 4.2 is overwogen vloeit voort dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C.W.J. Schoor als voorzitter en J.P.M. Zeijen en F.A.M. Stroink als leden, in tegenwoordigheid van M.D.F. de Moor als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 juli 2012.

(getekend) C.W.J. Schoor

(getekend) M.D.F. de Moor

KR