Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BX0528

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
03-07-2012
Datum publicatie
06-07-2012
Zaaknummer
10-4075 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verlaging bijstand gedurende één maand met vijftig procent, omdat appellant door eigen toedoen de werkstage bij het leerwerktraject van Futuro heeft geweigerd dan wel niet heeft behouden. Zoals uit de gedingstukken blijkt heeft appellant van meet af aan een andere visie gehad op de gang van zaken tijdens dit gesprek dan de toedracht waarvan het college bij zijn besluitvorming is uitgegaan. Het had op de weg van het college gelegen nader onderzoek te verrichten ter vaststelling van de feiten. Het college is er niet in geslaagd aannemelijk te maken dat appellant verwijtbaar gedrag heeft getoond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 2012/211
JWWB 2012/149
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/4075 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 3 juni 2010, 09/3247 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[A. te B.] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (college)

Datum uitspraak: 3 juli 2012

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M.J.A. van Schaik, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 april 2012. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Van Schaik. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door A. Dinç.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant en zijn echtgenote ontvangen sinds 31 december 2004 bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor gehuwden. Op hen zijn de arbeidsverplichtingen als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de WWB van toepassing.

1.2. Appellant is op 26 januari 2009 door het college aangemeld bij het re-integratiebedrijf Futuro Werkt B.V. (Futuro). Op 5 februari 2009 heeft appellant daar een intakegesprek gehad. Aangezien de wensen en opleiding van appellant aansluiten bij de doelstelling en werkzaamheden van Futuro en appellant te hoog is opgeleid om deel te nemen aan een van de reguliere trajecten van Futuro, wordt een vervolggesprek voorgesteld. In dit gesprek met de directeur van Futuro kan worden bezien of er intern wellicht mogelijkheden zijn voor appellant. Het vervolggesprek is gehouden op 17 februari 2009.

1.3. Bij besluit van 6 maart 2009, zoals gehandhaafd bij besluit van 19 augustus 2009 (bestreden besluit), heeft het college de bijstand van appellant over de maand april 2009 verlaagd met vijftig procent. Hieraan heeft het college ten grondslag gelegd dat appellant door eigen toedoen de werkstage bij het leerwerktraject van Futuro heeft geweigerd dan wel niet heeft behouden.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft in hoger beroep herhaald dat er geen sprake is van een verwijtbare gedraging.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. In artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is bepaald dat het bestuursorgaan bij de voorbereiding van een besluit de nodige kennis vergaart omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen. In dit geding gaat het om een voor appellant belastend besluit. Dat betekent dat het op de weg van het college ligt om aannemelijk te maken dat appellant door zijn gedrag niet heeft voldaan aan de op grond van artikel 9, eerste lid, van de WWB op hem rustende plicht tot arbeidsinschakeling.

4.2. Voor de beantwoording van de vraag of appellant zich schuldig heeft gemaakt aan het hem verweten gedrag is bepalend wat er is gebeurd tijdens het gesprek op 17 februari 2009. Zoals uit de gedingstukken blijkt heeft appellant van meet af aan een andere visie gehad op de gang van zaken tijdens dit gesprek dan de toedracht waarvan het college bij zijn besluitvorming is uitgegaan. Appellant heeft gemotiveerd gesteld dat hij in het gesprek op 17 februari 2009 heeft gevraagd om een schriftelijk trajectplan, omdat de inhoud van de aangeboden baan en het salaris hem niet duidelijk waren en hij behoefte had aan die duidelijkheid. Nadat hij hier in de loop van het gesprek nogmaals om had gevraagd, heeft de directeur van Futuro besloten om het gesprek te beëindigen. De directeur wilde geen traject meer met hem aangaan. Appellant heeft zijn visie op het gesprek ook neergelegd in een klacht over het jobtraject bij Futuro, die hij in de vorm van een e-mailbericht op 18 februari 2009 aan zijn klantmanager heeft gestuurd. Deze klacht is dus opgesteld nog voordat appellant kennis had kunnen nemen van de inhoud van de terugmelding van Futuro, zoals neergelegd in de terugmeldingsrapportage van 19 februari 2009.

4.3. Gelet op wat is overwogen in 4.1 en 4.2 had het op de weg van het college gelegen nader onderzoek te verrichten ter vaststelling van de feiten. Omdat de lezing van appellant zozeer afwijkt van wat in de rapportage van 19 februari 2009 over de inhoud van het gesprek op 17 februari 2009 is vermeld, had het college nader contact moeten opnemen met G. van Es (directeur van Futuro) en/of C.E. Verkerk, die beiden bij het gesprek aanwezig waren, om hen te confronteren met de visie van appellant en hen te vragen daarop een reactie te geven.

4.4. Nu dit achterwege is gebleven, is het college er niet in geslaagd aannemelijk te maken dat appellant verwijtbaar gedrag heeft getoond. Het bestreden besluit is onzorgvuldig voorbereid en ontbeert een toereikende feitelijke grondslag.

4.5. De rechtbank heeft dit niet onderkend, zodat het hoger beroep slaagt en de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking komt. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep van appellant gegrond verklaren en het bestreden besluit wegens strijd met de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Awb vernietigen. De Raad zal voorts met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, aanhef en onder c, van de Awb zelf in de zaak voorzien en het besluit van 6 maart 2009 herroepen. Daarbij is van belang dat het college ter zitting heeft verklaard door het tijdsverloop weinig tot geen mogelijkheden te zien thans nog nader onderzoek te verrichten, mede omdat Van Es niet langer werkzaam is bij Futuro. De herroeping brengt mee dat het college over de maand april 2009 een nabetaling van bijstand aan appellant moet doen.

5. De Raad ziet aanleiding om het college te veroordelen in de kosten in bezwaar en in de proceskosten in beroep en hoger beroep van appellant. De kosten in bezwaar worden begroot op € 644,-- en de proceskosten op € 874,-- in beroep en op € 874,-- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 19 augustus 2009;

- herroept het besluit van 6 maart 2009 en bepaald dat deze uitspraak in de plaats treedt van het besluit van 19 augustus 2009;

- veroordeelt het college in de kosten van appellant in bezwaar tot een bedrag van € 644,--, in beroep tot een bedrag van € 874,--, te betalen aan de griffier van de Raad en in hoger beroep tot een bedrag van € 874,--;

- bepaalt dat het college aan appellant het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 152,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door J.J.A. Kooijman als voorzitter en H.C.P. Venema en Y.J. Klik als leden, in tegenwoordigheid van R. Scheffer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 3 juli 2012.

(getekend) J.J.A. Kooijman

(getekend) R. Scheffer

HD