Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BX0525

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
03-07-2012
Datum publicatie
06-07-2012
Zaaknummer
11-5570 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verlaging bijstand over één maand met honderd procent. Niet is komen vast te staan dat aan appellant al een (voldoende) concreet werkaanbod is gedaan. De Raad is op grond van de gedingstukken, in het bijzonder het eerdergenoemde rapportageoverzicht RAAK, waarin ook de inhoud van de door appellant verstuurde e-mailberichten is opgenomen, van oordeel dat appellant de (...) op hem rustende verplichting om naar vermogen algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen niet of onvoldoende is nagekomen en dat hem dit kan worden verweten. Daarbij is sprake van een gedraging van de derde categorie: het percentage van de verlaging van de bijstand wordt vastgesteld op twintig.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/5570 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 11 augustus 2011, 10/4829 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[A. te B. ] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (college)

Datum uitspraak: 3 juli 2012

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M.J.A. van Schaik, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 april 2012. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Van Schaik. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door A. Dinç.

OVERWEGINGEN

1. Voor een overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak en volstaat hier met het volgende.

1.1. Appellant en zijn echtgenote ontvangen sinds 31 december 2004 bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor gehuwden. Op hen zijn de arbeidsverplichtingen als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de WWB van toepassing.

1.2. Appellant heeft op 10 maart 2010 een sollicitatiegesprek gevoerd bij het bedrijf Center Tone Consultancy (CTC) voor de functie van scanner. Dit heeft ertoe geleid dat CTC aan de acquisiteur ExIT bij DAAD/Sociale Zaken en Werkgelegenheid (contactpersoon) te kennen heeft gegeven dat CTC voor appellant de functie paralegal i.o. (paralegal) in gedachten heeft. Bij brief van 30 maart 2010 is appellant uitgenodigd voor een gesprek bij CTC over deze vacature. Na een aantal e-mailberichten van appellant heeft CTC aan de contacpersoon laten weten dat CTC bij appellant het enthousiasme mist en dat het een te complexe zaak voor CTC is geworden. Hierop heeft de contactpersoon aan appellant laten weten dat besloten is het gesprek op 7 april 2010 te annuleren en dat daarmee ook is besloten dat CTC hem geen baanaanbod doet als paralegal.

1.3. Bij besluit van 7 mei 2010, zoals gehandhaafd bij besluit van 19 oktober 2010 (bestreden besluit), heeft het college de bijstand van appellant over de maand juni 2010 verlaagd met honderd procent. Hieraan heeft het college ten grondslag gelegd dat appellant algemeen geaccepteerde arbeid, in de vorm van concreet aangeboden arbeid als paralegal bij CTC, zonder geldige reden niet heeft aanvaard. De opgelegde verlaging is in overeenstemming met de ernst van het feit en de verwijtbaarheid, terwijl niet is gebleken van persoonlijke omstandigheden op grond waarvan van de verlaging zou moeten worden afgezien dan wel de verlaging zou moeten worden gematigd.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit van ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat sprake was van een aanbod van CTC tot aan de tweede door hem verstuurde mail van 30 maart 2010. Niet kan worden gesteld dat appellant een baan heeft geweigerd. Zo er al sprake was van een weigering van een werkaanbod, dan is deze weigering appellant niet of in verminderde mate te verwijten. Dat appellant algemeen geaccepteerde arbeid dient te aanvaarden kan niet betekenen dat hij een baan moet accepteren die op onderdelen boven zijn niveau ligt. Ten slotte heeft de rechtbank ten onrechte geoordeeld dat er geen dringende reden was op grond waarvan het college had kunnen afzien van het opleggen van een verlaging dan wel deze verlaging had dienen te matigen.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling, waarbij hij voor de voor dit geding van belang zijnde bepalingen van de WWB en de Afstemmingsverordening Wet werk en bijstand van de gemeente Rotterdam (Afstemmingsverordening) verwijst naar de aangevallen uitspraak, waarin deze zijn aangehaald.

4.1. Aan het besluit van 7 mei 2010, waarbij aan appellant een verlaging is opgelegd, ligt ten grondslag het niet aanvaarden van de functie paralegal bij CTC.

4.2. Het college heeft de aan appellant verweten gedraging aangemerkt als een gedraging van de zesde categorie als bedoeld in artikel 8 van de Afstemmingsverordening: het niet aanvaarden van algemeen geaccepteerde arbeid. Op grond van artikel 6, eerste en tweede lid, aanhef en onder f, van de Afstemmingsverordening leidt dit in beginsel tot een verlaging van de bijstand van 100% gedurende een maand.

4.3. Voorop staat dat het in deze procedure gaat om een voor appellant belastend besluit. Dat betekent dat op het college de bewijslast rust ten aanzien van de vraag of is voldaan aan de voorwaarden om tot het opleggen van de verlaging over te gaan, wat meer concreet in dit geval met zich brengt dat het aan het college is om aannemelijk te maken dat appellant een werkaanbod heeft afgeslagen.

4.4. Vaststaat dat met appellant weliswaar is gesproken over de mogelijkheid van een baan als paralegal en dat er ook afspraken zijn gemaakt voor een gesprek bij CTC over deze functie, maar niet is komen vast te staan dat aan appellant al een (voldoende) concreet werkaanbod is gedaan. Uit het rapportageoverzicht RAAK blijkt dat CTC na het gesprek over de functie van scanner aan de contactpersoon van appellant heeft doorgegeven dat deze werkgever voor hem iets in gedachten heeft als legal assistent. Mocht een andere kandidaat afvallen, dan mag appellant deze functie gaan vervullen. Hierop is aan appellant de functieomschrijving toegezonden. Bij brief van 30 maart 2010 heeft de algemeen directeur van de dienst Sociale Zaken en Werkgelegenheid appellant uitgenodigd voor een gesprek bij CTC op 7 april 2010 over de vacature van paralegal. Appellant heeft met zijn contactpersoon afspraken gemaakt om gezamenlijk naar CTC te rijden. Dit gesprek heeft echter geen doorgang gevonden omdat CTC na een aantal e-mailberichten van appellant heeft aangegeven dat dit een te complexe zaak voor hen is. Het enkele feit dat de functie paralegal beschikbaar was en dat appellant was uitgenodigd voor een gesprek over deze vacature, is ontoereikend voor de conclusie dat er een concreet werkaanbod was. Uit de gedingstukken valt slechts te herleiden dat het hier ging om een sollicitatiegesprek. Een verklaring van de werkgever, waarin deze bevestigt dat appellant bij hem kon komen werken en dat hij alleen maar het aanbod hoefde te aanvaarden, is niet voorhanden. Aan het feit dat in de tot de gedingstukken behorende rapportage van 15 april 2010 staat vermeld dat de werkgever hem in dienst wilde nemen, kan geen betekenis worden toegekend nu dit geen steun vindt in de overige gedingstukken. Hieruit volgt dat het college heeft nagelaten met stukken te onderbouwen dat er een concreet aanbod lag en dat appellant dit concrete aanbod niet heeft aanvaard. Het college heeft aldus niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van een gedraging van de zesde categorie als hiervoor vermeld en de bijstand van appellant ten onrechte voor de duur van een maand met honderd procent verlaagd. Bij het bestreden besluit is die verlaging dus ten onrechte gehandhaafd.

4.5. De rechtbank heeft dit niet onderkend, zodat de aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De Raad ziet, met het oog op de finale beslechting van dit geschil, aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, aanhef en onder c van de Awb zelf in de zaak te voorzien en overweegt hiertoe het volgende.

4.6. De Raad is op grond van de gedingstukken, in het bijzonder het eerdergenoemde rapportageoverzicht RAAK, waarin ook de inhoud van de door appellant verstuurde e-mailberichten is opgenomen, van oordeel dat appellant de op grond van artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB op hem rustende verplichting om naar vermogen algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen niet of onvoldoende is nagekomen en dat hem dit kan worden verweten. Daarbij is sprake van een gedraging van de derde categorie als bedoeld in artikel 8, derde lid, onder a, van de Afstemmingsverordening: gedragingen die de arbeidsinschakeling belemmeren. De opstelling van appellant zoals neergelegd in de e-mailberichten is immers doorslaggevend geweest voor het annuleren van het gesprek op 7 april 2010. Op dit punt komt in het bijzonder betekenis toe aan de passage in de tweede e-mail van eiser van 30 maart 2010, verstuurd om 22.53 uur, zowel afzonderlijk als in zijn context bezien, die als volgt luidt: “Ik denk (dat) uw bedrijf een legitiem bedrijf is en hoop dat u de juiste kandidaat kan vinden. Tot mijn spijt als ik op mijn eigen situatie reflecteer, denk ik niet dat ik de juiste kandidaat ben. Dit is geen onwil maar een oprechte constatering.” Bij een gedraging die de arbeidsinschakeling belemmert wordt gelet op artikel 6, tweede lid, aanhef en onder c, van de Afstemmingsverordening de hoogte en de duur van de maatregel bepaald op twintig procent van de bijstandsnorm gedurende een maand. De Raad acht deze maatregel in overeenstemming met de ernst van de gedraging, de mate waarin appellant de gedraging kan worden verweten en de omstandigheden waarin hij verkeert. In wat appellant heeft aangevoerd over de inhoud van de functie en zijn zorgtaken, is geen grond gelegen voor het oordeel dat bij hem elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt. Het betreft hier algemeen geaccepteerde arbeid. Dat appellant niet voldoende gekwalificeerd is en dat aldus geen aansluiting is gezocht bij zijn individuele mogelijkheden in verband met gezondheid en belastbaarheid, wordt niet gevolgd. De functie van paralegal is een functie op MBO-niveau, terwijl appellant universitair is geschoold. Het college heeft er daarbij terecht op gewezen dat het gaat om een functie in opleiding en dat dit betekent dat het werk nog eigen gemaakt moet worden. De werkgever heeft zich voorts bereid verklaard tot een dienstverband van 32 uur. Omdat dit overeenkomt met de inschrijving van appellant bij het CWI, is hiermee voldoende rekening gehouden met zijn zorgtaken. In hetgeen appellant heeft aangevoerd zijn geen dringende redenen gelegen om geheel of gedeeltelijk af te zien van de verlaging met twintig procent gedurende een maand. De Raad zal het besluit van 7 mei 2010 herroepen met dien verstande dat het percentage van de verlaging van de bijstand wordt vastgesteld op twintig.

5. De Raad ziet aanleiding om het college te veroordelen in de kosten in bezwaar en in de proceskosten in beroep en hoger beroep van appellant. De kosten in bezwaar worden begroot op € 874,-- en de proceskosten op € 874,-- in beroep en op € 874,-- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 19 oktober 2010;

- herroept het besluit van 7 mei 2010 met dien verstande dat het percentage van de verlaging twintig bedraagt en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het besluit 19 oktober 2010;

- veroordeelt het college in de kosten van appellant in bezwaar tot een bedrag van € 874,--, in beroep tot een bedrag van € 874,--, te betalen aan de griffier van de Raad en in hoger beroep tot een bedrag van € 874,--;

- bepaalt dat het college aan appellant het door hem in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 153,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door J.J.A. Kooijman als voorzitter en H.C.P. Venema en Y.J. Klik als leden, in tegenwoordigheid van R. Scheffer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 3 juli 2012.

(getekend) J.J.A. Kooijman

(getekend) R. Scheffer

HD