Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BX0524

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
05-07-2012
Datum publicatie
06-07-2012
Zaaknummer
11-5900 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verlenging van de tijdelijke aanstelling. Geen vaste aanstelling na één jaar. Arbeidsmarkttoelage.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2013/5
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/5900 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 24 augustus 2011, 11/2475 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van ’s-Gravenhage (college)

Datum uitspraak

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft aanvankelijk plaatsgevonden in een enkelvoudige kamer op

8 maart 2012. Appellant is verschenen, bijgestaan door zijn vader [naam vader]. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. T.E.G. Seedorf.

Na schorsing van het onderzoek ter zitting heeft de enkelvoudige kamer de zaak verwezen naar een meervoudige kamer.

Het onderzoek ter zitting is hervat op 24 mei 2012. Appellant is verschenen, bijgestaan door zijn vader [naam vader]. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. O.M. Langemeijer.

OVERWEGINGEN

1. Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat met het volgende.

1.1. Na een geslaagde sollicitatie naar de functie van architect bij de afdeling Bouw en Architectuur van het bedrijfsonderdeel ingenieursbureau van de Dienst Stadsbeheer is appellant bij brief van 3 april 2009 een aanstellingsaanbod gedaan. Bij besluit van 21 mei 2009 (aanstellingsbesluit) heeft het college appellant met ingang van 1 juni 2009 voor de duur van een jaar aangesteld in de functie van architect. Bij afzonderlijk besluit van 21 mei 2009 heeft het college aan appellant op grond van artikel 3:5 van de beloningsregeling met ingang van 1 juni 2009 een periodieke arbeidsmarkttoelage toegekend voor de duur van een jaar. Appellant heeft in beide besluiten berust.

1.2. Bij besluit van 15 juni 2010, zoals gewijzigd bij besluit van 24 augustus 2010, heeft het college de tijdelijke aanstelling van appellant voor de duur van zeven maanden verlengd tot 1 januari 2011. Appellant heeft tegen dat besluit bezwaar gemaakt omdat hij het er niet mee eens is dat zijn tijdelijke aanstelling niet is omgezet in een vaste aanstelling en dat zijn arbeidsmarkttoelage niet is voortgezet. Het college heeft de bezwaren bij besluit van 8 februari 2011 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Volgens de rechtbank is niet gebleken dat er geen toereikende grondslag was voor het met zeven maanden verlengen van het tijdelijk dienstverband en evenmin dat er een toezegging is gedaan over een vaste aanstelling per 1 juni 2010 of een automatische verlenging voor de duur van één jaar. Van een situatie als bedoeld in artikel 8:12, eerste lid, van de Arbeidsvoorwaardenregeling Gemeente Den Haag (ARG) is geen sprake, aangezien de leidinggevende appellant tijdens het functioneringsgesprek op 25 februari 2010 heeft verteld dat een vaste aanstelling op dat moment niet aan de orde was. In de voorlopige beoordeling van 26 april 2010, die appellant op 18 mei 2010 heeft ondertekend, is vermeld dat de dienst voornemens is om de tijdelijke aanstelling van appellant met zeven maanden te verlengen tot 1 januari 2010, zodat niet kan worden gezegd dat hij daarvan niet op de hoogte was.

3.1. In hoger beroep heeft appellant - samengevat - aangevoerd dat hem per 1 juni 2010 een vaste aanstelling had moeten worden verleend en subsidiair dat zijn aanstelling met twaalf maanden had moeten worden verlengd. Daartoe betoogt appellant dat de hem in juni 2009 in het vooruitzicht gestelde vaste baan op het laatste moment is omgezet in een jaar op proef en dat hij toen met zijn lijnmanager W de afspraak heeft gemaakt dat hij daarna bij voldoende functioneren en aanbod van werk een vaste aanstelling zou krijgen. Appellant stelt dat hij in de periode van juni 2009 tot en met mei 2010 minimaal voldoende heeft gefunctioneerd. Hij verwijst daartoe naar de vele positieve referenties van de mensen waarmee hij in die periode heeft gewerkt. Als hij op het gebied van zijn creatieve vermogens en acquisitie niet voldoende beoordeelbaar was, komt dat volgens appellant voor risico van de werkgever die hem bepaalde werkzaamheden heeft opgedragen. De beschikbaarheid van werk stond een vaste aanstelling evenmin in de weg. Wat betreft de arbeidsmarkttoelage voert appellant aan dat hem is toegezegd dat hij op het niveau van schaal 12 zou worden bezoldigd. Daartoe verwijst hij naar de brief van 3 april 2009, waarin is vermeld dat het salaris € 4.609,-- bedraagt. Later is gekozen voor een salaris op het niveau van schaal 11 en een arbeidsmarkttoelage tot het niveau van schaal 12. Tot slot verzoekt appellant om vergoeding van proceskosten en van door hem geleden schade.

3.2. Het college heeft zich achter de aangevallen uitspraak geschaard.

4. De Raad stelt voorop dat in hoger beroep uitsluitend de verlenging van de tijdelijke aanstelling met zeven maanden per 1 juni 2010 en het niet voortzetten van de arbeidsmarkttoelage na 1 juni 2010 aan de orde zijn. Hierover overweegt de Raad het volgende.

Verlenging van de tijdelijke aanstelling

4.1. De rechtbank is er in het voetspoor van het college van uitgegaan dat de tijdelijke aanstelling van appellant niet betrof een tijdelijke aanstelling bij wijze van proef. De Raad stelt vast dat in het aanstellingsbesluit niet is vermeld dat het gaat om een tijdelijke aanstelling bij wijze van proef. Daaruit kan evenwel niet zonder meer worden afgeleid dat het gaat om een tijdelijke aanstelling niet bij wijze van proef. De zinsnede in het aanstellingsbesluit, inhoudende dat het college zich een oordeel zal vormen over het functioneren van appellant en dat op basis daarvan tijdig besluitvorming plaatsvindt of hij na afloop van de tijdelijke aanstelling in vaste dienst wordt aangesteld, vormt een aanwijzing voor de conclusie dat het besluit wel het karakter draagt van een tijdelijke aanstelling bij wijze van proef. Het aanstellingsbesluit geeft dus geen uitsluitsel over het karakter van de aanstelling.

4.2. Nu het aanstellingbesluit op dit punt onvoldoende duidelijkheid biedt, dienen bij de beantwoording van de vraag wat tussen het college en appellant heeft te gelden hun bedoelingen te worden betrokken, zoals die blijken uit de overige gedingstukken. In dat verband wijst de Raad in de eerste plaats op het vanwege het college en door appellant ondertekende aanstellingsaanbod in de brief van 3 april 2009, waarvan ook de op die brief geplaatste handgeschreven aantekeningen deel uitmaken. Daarin is vermeld dat na drie en zes maanden een functioneringsgesprek wordt gehouden en dat na negen maanden een beoordeling zal worden opgemaakt, dat tijdens het beoordelingsgesprek zal worden gesproken over de mogelijkheid van het verlenen van een vaste aanstelling en dat deze enkel en alleen afhangt van twee factoren, het functioneren van appellant en het aanbod van werk. Verder is van belang dat W in het verslag dat hij van het functioneringsgesprek op 25 februari 2010 met appellant heeft opgemaakt heeft vermeld dat appellant een jaarcontract heeft dat eind april afloopt en dat moet worden bezien of hem een vast dienstverband wordt aangeboden. Tot slot heeft W tijdens de hoorzitting op 19 januari 2011 gezegd dat het noodzakelijk was een beoordeling uit te brengen om te bezien of de rechtsbetrekking met appellant moest worden voortgezet. De hiervoor vermelde omstandigheden leiden tot de conclusie dat het aanstellingsbesluit moet worden aangemerkt als een tijdelijke aanstelling bij wijze van proef voor de duur van een jaar en het gehandhaafde besluit om die aanstelling te verlengen als een verlengde proeftijdaanstelling.

4.3. Gegeven dit oordeel kon en mocht appellant er in beginsel van uitgaan dat het college de wijze waarop hij zijn functie vervulde aan een beoordeling zou onderwerpen en hem bij een gunstige beoordeling een vaste aanstelling of, als nog enige twijfel zou resteren, weer een proefaanstelling zou verlenen. Nu appellant een vaste aanstelling is onthouden, maar de proeftijdaanstelling wel is verlengd, is de toetsing van het besluit beperkt tot de vraag of, behoudens anderszins strijd met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel, in redelijkheid kon worden geoordeeld dat nog twijfel bestond of appellant aan de door het college in redelijkheid te stellen eisen of verwachtingen heeft voldaan.

4.4. Over het functioneren van appellant zijn in augustus 2009, november 2009 en februari 2010 gesprekken met appellant gevoerd. In de van die gesprekken opgemaakte verslagen zijn enkele verbeterpunten vermeld, onder meer op het gebied van productie en creativiteit. Eind april 2010 is een beoordeling opgemaakt van het functioneren van appellant. Die beoordeling was ‘voldoende’ op een belangrijk onderdeel van het functioneren en ‘nog niet te beoordelen’ op twee andere onderdelen van de functie van appellant, met als eindoordeel ‘onvoldoende’. Aan dat eindoordeel ligt ten grondslag dat appellant in de afgelopen tijd nog onvoldoende heeft kunnen bewijzen dat hij voldoet aan de gestelde eisen en dat daarom is gekozen voor verlenging van de tijdelijke aanstelling tot 1 januari 2011 om hem in staat te stellen bovengenoemde zaken te verbeteren. Het college heeft bij besluit van 24 oktober 2011 het bezwaar tegen die beoordeling gegrond verklaard en meegedeeld dat de beoordeling uit het personeeldossier zal worden verwijderd. Op het beroep van appellant tegen dat besluit heeft de rechtbank nog niet beslist.

4.5. Uit de onder 4.4 genoemde omstandigheden kan worden afgeleid dat het functioneren van appellant tegen het einde van de tijdelijke aanstelling nog niet op alle onderdelen kon worden beoordeeld. Daarbij is niet van belang wat de oorzaak daarvan is. Bij die stand van zaken was er nog ruimte voor twijfel over de vraag of appellant aan de door het college in redelijkheid te stellen eisen of verwachtingen had voldaan, waardoor die vraag nog niet volledig kon worden beantwoord. Dat betekent dat het bij het bestreden besluit gehandhaafde besluit van het college om die tijdelijke proefaanstelling niet om te zetten in een vaste aanstelling, maar deze te verlengen, de onder 4.3 vermelde toetsing kan doorstaan.

4.6. Wat betreft de duur van de verlenging geldt dat in artikel 8:12, eerste lid, van de ARG is bepaald dat de ambtenaar die tijdelijk is aangesteld voor bepaalde tijd van rechtswege is ontslagen op de datum waarop die tijd verstrijkt. Indien na de datum, bedoeld in de eerste volzin, het dienstverband feitelijk wordt gehandhaafd zonder dat opnieuw een aanstelling is verleend, wordt de tijdelijke aanstelling geacht voor dezelfde tijd te zijn aangegaan.

Het besluit van 15 juni 2010, waarbij de tijdelijke aanstelling van appellant met terugwerkende kracht met ingang van 1 juni 2010 is verlengd met - slechts - zeven maanden, is pas genomen een halve maand nadat de oorspronkelijke aanstelling van appellant was afgelopen. Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, was appellant er echter al voor 1 juni 2010 mee bekend dat zijn aanstelling maar voor zeven maanden zou worden verlengd. Onder deze omstandigheden komt appellant in redelijkheid geen beroep op het bepaalde in artikel 8:12, eerste lid, van de ARG toe. Met de verlenging blijft de duur van de tijdelijke aanstelling ook binnen de in artikel 2:4, vierde lid, van de ARG vermelde maximale termijn van 24 maanden.

4.7. Het hoger beroep slaagt in zoverre niet. De aangevallen uitspraak moet op dit punt, met verbetering van gronden, worden bevestigd.

Arbeidsmarkttoelage

4.8. Het college stelt zich op het standpunt dat het besluit van 21 mei 2009 in rechte vaststaat, dat het college geen toezegging over voortzetting heeft gedaan aan appellant en dat hij geen aanspraak op een arbeidsmarkttoelage heeft. Het is juist dat appellant geen bezwaar heeft gemaakt tegen het besluit van 21 mei 2009 waarbij hem tot 1 juni 2010 een arbeidsmarkttoelage is verleend. Omdat het in de rede lag dat de arbeidsmarkttoelage voor dezelfde duur zou worden toegekend als de tijdelijke aanstelling, hoefde appellant er echter niet op bedacht te zijn dat toekenning voor de duur van een jaar inhield dat de toelage in geval van een verlenging van de aanstelling niet (ook) zou worden voortgezet. Mede in het licht van het aanstellingsaanbod van 3 april 2009, waarin een salaris op het niveau van schaal 12 is vermeld, mocht appellant ervan uitgaan dat in geval van verlenging van de tijdelijke aanstelling, die verlenging onder dezelfde (arbeids)voorwaarden plaatsvond. Onder die omstandigheden is het verlengen van de tijdelijke aanstelling onder andere, ongunstiger condities in strijd met het beginsel van de rechtszekerheid. De Raad wijst in dit verband nog op een interne e-mail van W van 17 november 2010, waarin hij schrijft dat appellant ten onrechte een lagere beloning heeft gehad in zijn tweede periode omdat het niet zijn intentie was hem in beloning te korten voor deze periode, en verzoekt de toelage alsnog uit te betalen aan appellant.

4.9. Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep in zoverre slaagt. De Raad zal de aangevallen uitspraak in zoverre vernietigen en doende wat de rechtbank zou behoren te doen, het beroep van appellant tegen het bestreden besluit op dit punt gegrond verklaren, en dat besluit vernietigen voor zover daarbij het bezwaar tegen het niet verlengen van de arbeidsmarkttoelage ongegrond is verklaard. De Raad ziet aanleiding om zelf in de zaak te voorzien door te bepalen dat de arbeidsmarkttoelage van appellant alsnog wordt voortgezet over de periode van 1 juni 2009 tot 1 januari 2011.

5. De Raad ziet aanleiding om het college te veroordelen in de proceskosten van appellant in eerste aanleg. Deze worden begroot op € 437,-- voor in beroep verleende rechtsbijstand.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

-vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover het betreft de handhaving van het niet voortzetten van de arbeidsmarkttoelage van appellant;

-verklaart het beroep tegen het besluit van 8 februari 2011 in zoverre gegrond;

-vernietigt dat besluit voor zover daarbij het bezwaar tegen het niet verlengen van de arbeidsmarkttoelage ongegrond is verklaard;

-bepaalt dat de over de periode van 1 juni 2009 tot 1 juni 2010 aan appellant toegekende arbeidsmarkttoelage wordt voortgezet tot 1 januari 2011 en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van het besluit van 8 februari 2011;

-bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;

-bepaalt dat het college aan appellant het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht voldoet tot een bedrag van in totaal € 153,--;

-veroordeelt het college in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 437,--.

Deze uitspraak is gedaan door B.J. van de Griend als voorzitter en N.J. van Vulpen-Grootjans en K.J. Kraan als leden, in tegenwoordigheid van M.R. Schuurman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 5 juli 2012.

(getekend) B.J. van de Griend

(getekend) M.R. Schuurman

HD