Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BX0519

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
05-07-2012
Datum publicatie
06-07-2012
Zaaknummer
10/6033 AW + 10/6496 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek om doorbetaling toelage onregelmatige diensten (TOD. Betrokkene was (...) na zijn plaatsing in klantgroep 1 (...) volledig arbeidsgeschikt. Hij kon zijn werkzaamheden in klantgroep 4 niet meer verrichten omdat hij voor de shuttleruntest was gezakt en daarom geen vuurwapen meer mocht dragen. Dit betrof alle diensten in klantgroep 4, niet alleen de onregelmatige maar ook de reguliere. Van een ongeschiktheid specifiek voor onregelmatige diensten was geen sprake.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/6033 AW

10/6496 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Middelburg van 30 september 2010, 09/1085 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

de Staatssecretaris van Financiƫn (appellant)

[Betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene)

Datum uitspraak 5 juli 2012.

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Op 8 november 2010 heeft appellant ter uitvoering van de aangevallen uitspraak een nieuw besluit genomen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 mei 2012. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.J.H. Grandiek. Voor betrokkene is verschenen mr. R.A.A. Maat, advocaat.

OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Betrokkene was werkzaam als groepsfunctionaris C bij de Douane Zuid te Vlissingen en belast met fysiek toezicht in klantgroep 4. In deze klantgroep is het dragen van een vuurwapen vereist. De werkzaamheden worden veelvuldig in onregelmatige diensten verricht. Betrokkene ontving daarvoor een toelage onregelmatige diensten (TOD) op grond van artikel 17 van het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984 (BBRA). In december 2007 is betrokkene gezakt voor de verplichte periodieke conditietest voor vuurwapendragers (shuttleruntest). Begin 2008 is hij wegens een enkeloperatie uitgevallen. Omdat hij de shuttleruntest nog steeds niet met goed gevolg had afgelegd, is hij in september 2008 geplaatst in klantgroep 1 3. Voor de werkzaamheden in die klantgroep is het dragen van een vuurwapen niet vereist. Er zijn echter minder onregelmatige diensten.

1.2. Op 4 december 2008 heeft betrokkene verzocht om doorbetaling van de TOD voor 100% gedurende 52 weken en voor 70% gedurende een jaar daarna. Daarbij heeft hij gewezen op hoofdstuk 4, onderdeel 1.4.5, punt 4, van het Reglement Personeelsvoorschriften Belastingdienst (RPVB).

1.3. Bij besluit van 16 april 2009 heeft appellant dit verzoek om doorbetaling afgewezen. Volgens appellant heeft betrokkene vanaf september 2008 wel aanspraak op een afbouwtoelage wegens blijvende vermindering van de TOD, als bedoeld in hoofdstuk 4, onderdeel 1.5.1, van het RPVB.

1.4. Bij besluit van 18 november 2009 (bestreden besluit) heeft appellant het hiertegen gerichte bezwaar ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van betrokkene gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en appellant opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van die uitspraak. Tevens zijn bepalingen gegeven omtrent proceskosten en griffierecht.

3. Bij het nieuwe besluit van 8 november 2010 heeft appellant - onder voorbehoud van het hoger beroep - opnieuw op het bezwaar beslist. Daarbij is het bezwaar gegrond verklaard, het besluit van 16 april 2009 herroepen en is aan betrokkene met ingang van 1 september 2008 een TOD toegekend als bedoeld in hoofdstuk 4, onderdeel 1.4.5, punt 4, van het RPVB.

4. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep hebben aangevoerd, overweegt de Raad als volgt.

4.1. In hoofdstuk 4, onderdeel 1.4.5, punt 4, van het RPVB is bepaald dat de ambtenaar, die bij diensthervatting nog niet in onregelmatige dienst kan worden ingezet, alsmede de ambtenaar die om medische redenen niet langer in onregelmatige dienst kan worden ingezet, wordt geacht wegens ziekte gedeeltelijk verhinderd te zijn dienst te verrichten. Dit houdt in dat aan de ambtenaar gedurende 52 weken de ingevolge de artikelen 48a, 25 en 34f van het Algemeen Rijksambtenarenreglement (ARAR) berekende toelage wegens onregelmatige dienst volledig wordt uitbetaald. Met ingang van het tweede ziektejaar wordt deze toelage, als de ambtenaar niet in onregelmatige dienst kan worden ingezet, voor 70% uitbetaald.

4.2. In de aangevallen uitspraak is overwogen dat betrokkene als gevolg van ziekte zijn eigen werk van vuurwapendrager binnen de groepsfunctie C niet volledig heeft hervat. Overeenkomstig de bij ziekte geldende hoofdregel moet worden uitgegaan van de werkzaamheden die betrokkene verrichtte ten tijde van het intreden van de arbeidsongeschiktheid. In de situatie van betrokkene is sprake van het om medische redenen niet langer als vuurwapendrager (ook in onregelmatige dienst) kunnen worden ingezet. Hij voldoet dus aan hoofdstuk 4, onderdeel 1.4.5, punt 4, van het RPVB, aldus de rechtbank.

4.3. De Raad kan de rechtbank hierin niet volgen. Betrokkene was in ieder geval na zijn plaatsing in klantgroep 1 3 per september 2008 volledig arbeidsgeschikt. Hij kon zijn werkzaamheden in klantgroep 4 niet meer verrichten omdat hij voor de shuttleruntest was gezakt en daarom geen vuurwapen meer mocht dragen. Dit betrof alle diensten in klantgroep 4, niet alleen de onregelmatige maar ook de reguliere. Van een ongeschiktheid specifiek voor onregelmatige diensten was geen sprake. Dit blijkt ook uit het feit dat betrokkene in klantgroep 1 3 onregelmatige diensten is gaan verrichten en zelfs op uitbreiding daarvan heeft aangedrongen. Dat het niet halen van de shuttleruntest wellicht te maken had met de gezondheidstoestand waarin betrokkene verkeerde, maakt dit niet anders. Voor doorbetaling van de TOD op grond van hoofdstuk 4, onderdeel 1.4.5, punt 4, van het RPVB was dus geen plaats.

4.4. Daarmee trad per september 2008 de situatie in van blijvende vermindering van de TOD, als bedoeld in hoofdstuk 4, onderdeel 1.5.1, van het RPVB in samenhang met artikel 18, eerste lid, van het BBRA. In zo'n geval bestaat aanspraak op een afbouwtoelage. Deze is aan betrokkene toegekend.

4.5. Het hoger beroep treft dus doel. De aangevallen uitspraak komt voor vernietiging in aanmerking. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep van betrokkene ongegrond verklaren.

5. Het nieuwe besluit van 8 november 2010 moet op grond van de artikelen 6:18 en 6:19 in samenhang met artikel 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bij het geding worden betrokken. Met de onder 4.5 vermelde beslissing ontvalt de grondslag aan dit nieuwe besluit. Om die reden zal het worden vernietigd.

6. Voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 van de Awb bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep ongegrond;

- vernietigt het besluit van 8 november 2010.

Deze uitspraak is gedaan door J.G. Treffers als voorzitter en J.Th. Wolleswinkel en R. Kooper als leden, in tegenwoordigheid van P.J.M. Crombach als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 5 juli 2012.

(get.) J.G. Treffers.

(get.) P.J.M. Crombach.

HD