Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BX0505

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
05-07-2012
Datum publicatie
06-07-2012
Zaaknummer
11-2178 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Niet nakomen van werkafspraken. Afbreken van verplichte coaching. Beoordeling van het functioneren is onvoldoende. Ontslag op grond van onbekwaamheid dan wel ongeschiktheid voor zijn betrekking anders dan op grond van ziekten of gebreken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2013/3
Module Ambtenarenrecht 2013/1445
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/2178 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 28 maart 2011, 10/504 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Maastricht (college)

Datum uitspraak 5 juli 2012.

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 mei 2012. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. drs. H.M.G. Duijsters, advocaat. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. G.P.F. van Duren, advocaat, en door J.M. Mol en

mr. P.B.A.M. Ruijters.

OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant was werkzaam als senior onderzoeker in het team Informatie en Juridische Zaken bij de gemeente Maastricht. Begin 2007 kreeg appellant een nieuwe leidinggevende, M. In de daaropvolgende periode heeft M. appellant herhaaldelijk aangesproken op het niet nakomen van werkafspraken. Op 17 juli 2007 heeft M. appellant hierover een brief gestuurd, waarin hij appellant onder meer heeft voorgehouden dat het zonder geldige reden geen gehoor geven aan een opdracht kan worden aangemerkt als plichtsverzuim.

1.2. In de eerste helft van 2008 zijn met appellant meerdere gesprekken gevoerd over zijn opstelling jegens M. Aanleiding tot die gesprekken vormden een e-mailbericht van appellant aan M. van 18 maart 2008, welk bericht M. zowel inhoudelijk als op het punt van de toonzetting onacceptabel achtte, en het niet verschijnen van appellant op een naar aanleiding van die mail door M. vervroegd ingeplande afspraak voor een functioneringsgesprek op 20 maart 2008. Appellant heeft tijdens de gesprekken aangegeven niet meer onder M. werkzaam te willen zijn. In reactie daarop is hem in een gesprek op 19 mei 2008 een drietal opties voorgehouden, te weten:

- een vorm van outplacement;

- doorwerken bij de gemeente, maar dan met verplichte coaching gericht op samenwerken en accepteren van leiding;

- zelf ontslag nemen en buiten de gemeente Maastricht aan de slag gaan.

1.3. Appellant heeft gekozen voor de optie van doorwerken met verplichte coaching. Er is een externe coach ingeschakeld, die een traject van coaching van zowel appellant als M. heeft gestart, gericht op het bij elkaar brengen van beiden in een ontwikkelingsgerichte samenwerkingsrelatie. Bij brief van 4 juli 2008 heeft de manager van de sector waartoe het team Informatie en Juridische Zaken behoort appellant over het traject ingelicht, waarbij zij heeft bericht dat zij gedurende de looptijd daarvan geen definitieve keuzes voor de toekomst zal maken. Appellant heeft het traject eind 2008 voortijdig afgebroken. In de periode nadien is appellant opnieuw een aantal malen aangesproken op het niet nakomen van werkafspraken. In een brief van 3 februari 2009 heeft de sectormanager appellant laten weten dat zij er gelet op de ontstane situatie, die een rechtstreeks gevolg is van de keuze van appellant tot het afbreken van het coachingtraject, van uitgaat dat appellant zelf zorgt voor een concreet Plan van Aanpak met betrekking tot het vervolg van zijn loopbaan.

1.4. Op 3 maart 2009 is een beoordeling van het functioneren van appellant opgemaakt over de periode van 1 januari 2008 tot 1 maart 2009. Het eindoordeel van deze beoordeling luidt “onvoldoende”. De beoordeling is vastgesteld bij besluit van 29 april 2009. Appellant heeft tegen het beoordelingsbesluit bezwaar gemaakt. Het college heeft dit bezwaar bij besluit van 30 november 2009 ongegrond verklaard. Daartegen heeft appellant geen rechtsmiddelen aangewend.

1.5. Na het voornemen daartoe bekend te hebben gemaakt en appellant in de gelegenheid te hebben gesteld zijn zienswijze ter zake naar voren te brengen, heeft het college appellant bij besluit van 4 november 2009, op grond van artikel 8:6 van de Arbeidsvoorwaardenregeling gemeente Maastricht (AGM), ontslag verleend op grond van onbekwaamheid dan wel ongeschiktheid voor zijn betrekking anders dan op grond van ziekten of gebreken. Op grond van artikel 10d:5 van de AGM is daarbij een re-integratiefase van acht maanden in acht genomen. De ingangsdatum van het ontslag is bepaald op 6 juli 2010. Appellant heeft tegen het ontslagbesluit bezwaar gemaakt. Bij besluit van 10 maart 2010 (bestreden besluit) heeft het college dit bezwaar ongegrond verklaard.

1.6. Tijdens de re-integratiefase is appellant van 15 maart 2010 tot 1 juli 2010 gedetacheerd geweest bij het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS). Aansluitend heeft hij met ingang van 1 juli 2010 een tijdelijke aanstelling voor de duur van een jaar bij het CBS verkregen. Deze is na afloop niet verlengd.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep hebben aangevoerd, overweegt de Raad als volgt.

3.1. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak overwogen dat, nu de beoordeling van 29 april 2009 in rechte vaststaat, ook het geheel van feiten dat in die beoordeling is vastgelegd in rechte vaststaat, en dat het college bij het nemen van het bestreden besluit daarom van die feiten uit mocht gaan. Appellant heeft zich op het standpunt gesteld dat de rechtbank met die overweging de grenzen van de rechtsstrijd heeft overschreden en aldus het bepaalde in artikel 8:69, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft geschonden. Hij heeft in dit verband gewezen op een - in het verweer bij de rechtbank herhaalde - opmerking van het college in het ontslagbesluit, te weten de opmerking dat de beoordeling niet aan het ontslag ten grondslag ligt, maar dat enkel de feiten en overwegingen die tot die beoordeling hebben geleid, in het ontslag zijn meegenomen.

3.2. De Raad volgt appellant niet in bedoeld standpunt. De door appellant aangehaalde passage maakt, wat er verder ook zij van de vraag hoe die passage exact moet worden begrepen, niet dat de rechtbank in haar overwegingen over het ontslag aan de beoordeling geen feitelijke betekenis mocht toekennen. Gezien de gekozen ontslaggrond is de relevantie van de beoordeling ten aanzien van het ontslag evident. Gelet op de door appellant in beroep aangedragen gronden was de beoordeling evenzeer relevant binnen het concrete geschil over dat ontslag zoals dat bij de rechtbank voorlag. De rechtbank heeft dan ook terecht gewezen op het in rechte onaantastbaar zijn van de beoordeling. Van schending van artikel 8:69 van de Awb is geen sprake. Wel merkt de Raad op dat de onaantastbaarheid waarvan hier sprake is, anders dan is overwogen door de rechtbank, niet de feiten als zodanig kan regarderen. Het zijn de in het beoordelingsbesluit gegeven oordelen over het functioneren van appellant die in rechte vast zijn komen te staan.

4. De inhoudelijke gronden van appellant komen er kort samengevat op neer dat geen sprake was van onbekwaamheid of ongeschiktheid voor de uitoefening van de functie, maar van onverenigbaarheid van karakters tussen appellant en M. Appellant is van mening dat de verkeerde ontslaggrond is gehanteerd en dat, op grond van artikel 8:8 van de AMG, ontslag wegens verstoorde verhoudingen had moeten worden verleend. Appellant meent daarnaast dat hem onvoldoende verbeterkansen zijn geboden.

4.1. Volgens vaste rechtspraak van de Raad moet ongeschiktheid - zich uitend in het ontbreken van eigenschappen, mentaliteit en instelling die voor het op goede wijze vervullen van de functie vereist zijn - worden aangetoond aan de hand van concrete gedragingen van de ambtenaar. Zoals voortvloeit uit het overwogene onder 3.2, behoort bij de toetsing aan dit criterium de beoordeling van 29 april 2009 niet buiten beschouwing te blijven. Ook de Raad heeft daarbij uit te gaan van de juistheid van de daarin gegeven oordelen, nu de beoordeling in rechte onaantastbaar is geworden. Voor zover appellant zijn argumenten ter bestrijding van het ontslagbesluit kracht heeft willen bijzetten door het noemen van zijns inziens aan de beoordeling klevende formele en inhoudelijke gebreken, treft hetgeen hij heeft aangevoerd dan ook geen doel.

4.2. Vervolgens is van belang dat niet alleen uit de beoordeling, maar ook uit de andere gedingstukken onmiskenbaar naar voren komt dat appellant gedurende de periode waarin M. zijn leidinggevende was, min of meer stelselmatig diens opdrachten heeft genegeerd. Appellant heeft ter zitting van de Raad weliswaar gewezen op het niet vermeld zijn van data in een zich onder de stukken bevindend overzicht van zijn afwezigheid bij overleggen in de jaren 2008 en 2009, maar dat hij het, ondanks frequent aandringen op zijn aanwezigheid door M., bij overleggen en vergaderingen zeer vaak heeft laten afweten en ook andere opdrachten naast zich neer heeft gelegd, blijkt ook uit de overige stukken onomstotelijk. Appellant heeft dit op zichzelf beschouwd ook niet weersproken, maar heeft in dit verband gesteld dat M. niet capabel was voor zijn functie. Volgens appellant was M. nimmer genegen om adviezen van hem, appellant, over te nemen, zodat het aanwezig zijn bij overleggen naar zijn inzicht bij voorbaat zinloos was. Uit de gedingstukken komt verder naar voren dat appellant zich, in lijn met deze visie, meermalen laatdunkend over M. heeft uitgelaten, zowel tegenover M. zelf als tegenover derden. Dat M. zich jegens appellant onredelijk of anderszins onaanvaardbaar heeft opgesteld, is de Raad niet kunnen blijken. Blijkens de stukken was appellant bovendien voorafgaand aan het aantreden van M. in soortgelijke fricties verwikkeld met, onder meer, diens voorganger. Er was daarmee al met al voldoende grond voor de vaststelling dat het appellant ontbrak aan het voor een aanvaardbare functievervulling noodzakelijke vermogen om te voldoen aan redelijke eisen van loyaliteit en van onderschikking aan de dienstleiding. Dat het werk van appellant inhoudelijk kon rekenen op waardering van zowel leiding als collega’s, staat los van deze tekortkoming en kan aan het voorgaande dan ook niet afdoen.

4.3. De Raad volgt appellant daarbij niet in zijn standpunt dat hem onvoldoende verbeterkans is geboden. Appellant is een- en andermaal, zowel schriftelijk als tijdens veelal uitvoerige gesprekken, gewezen op zijn tekortkoming en op de noodzaak tot een gedragsverandering. Dat, zoals door appellant is gesteld, hem niet duidelijk is gemaakt wat er van hem werd verwacht, vermag de Raad dan ook niet in te zien. Met het ingezette coachingtraject is appellant bovendien een, nadrukkelijk als zodanig gepresenteerde, laatste kans geboden. Die kans heeft appellant, gezien zijn keuze om het traject af te breken, niet willen of kunnen benutten. De verklaring die appellant achteraf voor het afbreken van het traject heeft gegeven, te weten het zijns inziens niet in acht nemen van voldoende discretie door de coach, billijkt dat afbreken niet. Appellant doelt hierbij op een persoonlijk getinte mededeling over M., die, overigens reeds voorafgaand aan het traject, met uitdrukkelijke toestemming van M. aan appellant is gedaan, en op het feit dat de coach, nadat appellant al te kennen had gegeven het traject te willen afbreken, via een collega van appellant heeft geprobeerd hem op andere gedachten te brengen. Geen van beide gebeurtenissen maakt dat het ingaan of voortzetten van het traject niet meer van appellant mocht worden verlangd.

4.4. Het voorgaande betekent dat was voldaan aan de voorwaarden voor ontslag op grond van onbekwaamheid of ongeschiktheid voor de functievervulling als bedoeld in artikel 8:6 van de AGM, en dat het college de bevoegdheid toekwam om appellant op die grond ontslag te verlenen. Dat wellicht ook een ontslag op grond van artikel 8:8 van de AGM tot de mogelijkheden had behoord, maakt dat niet anders. De rechtbank heeft in dit verband terecht gewezen op de vaste rechtspraak van deze Raad, inhoudende dat het bestuursorgaan bij samenloop van ontslaggronden een zekere keuzevrijheid heeft (CRvB 3 juni 2010, LJN BM8443, TAR 2010, 135), waarbij geldt dat de gekozen ontslaggrond duidelijk moet kunnen worden aangetoond. Dat laatste is hier, zoals uit al het voorgaande blijkt, het geval.

4.5. De Raad ziet in hetgeen appellant heeft aangevoerd geen grond voor het oordeel dat het college in dit geval niet in redelijkheid van de aangewende ontslagbevoegdheid gebruik heeft kunnen maken, of dat de aanwending van die bevoegdheid anderszins in strijd met enige rechtsregel of algemeen rechtsbeginsel is geschied. Voor de bewering van appellant dat zijn relatie met een collega de ware reden voor het ontslag zou hebben gevormd, heeft de Raad geen enkel aanknopingspunt gevonden.

5. Ter zitting van de Raad heeft appellant er, ten slotte, nog op gewezen dat de datum waarop hij in dienst is getreden bij het CBS, zijnde 1 juli 2010, is gelegen vóór de ingangsdatum van het ontslag, zijnde 6 juli 2010. Voor zover hij daarmee de stelling heeft willen betrekken dat het ontslag achteraf bezien niet verleend had mogen worden, kan hij ook daarin niet worden gevolgd. Het ontslag is bevoegdelijk en met inachtneming van de bepalingen over re-integratie verleend. Dat appellant al vóór het feitelijk ingaan daarvan bij een andere werkgever in dienst is getreden, maakt dat op geen enkele wijze anders.

6. Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak moet - gezien het slot van rechtsoverweging 3.2 met enige verbetering van gronden - worden bevestigd. Gezien deze uitkomst is er geen grond voor de door appellant gevraagde toekenning van schadevergoeding op grond van artikel 8:73 van de Awb.

7. De Raad ziet tot slot geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door B.J. van de Griend als voorzitter en N.J. van Vulpen-Grootjans en K.J. Kraan als leden, in tegenwoordigheid van M.R. Schuurman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 5 juli 2012.

(getekend) B.J. van de Griend

(getekend) M.R. Schuurman

HD