Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BX0502

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
05-07-2012
Datum publicatie
06-07-2012
Zaaknummer
11-2613 WSW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

WSW-indicatie van appellante is ingetrokken, omdat zij niet beschikbaar was voor werk in het kader van de Wsw dan wel passende arbeid in dienstbetrekking onder aangepaste omstandigheden weigerde. Appellante heeft zich slechts bereid getoond om werkzaamheden van administratieve aard te verrichten. Dit soort werk was evenwel niet voor haar beschikbaar. De(...) benadering door het college van het - in de Wsw niet gedefinieerde - begrip “passende arbeid” sluit goed aan bij artikel 3 van de Wsw waarin is bepaald dat de arbeid gericht is op het behouden dan wel bevorderen van de arbeidsbekwaamheid van de werknemer.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2012/153
RSV 2012/248 met annotatie van C.W.C.A. Bruggeman
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/2613 WSW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 23 maart 2011, 10/4476 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van ’s-Gravenhage (college)

Datum uitspraak 5 juli 2012.

PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 mei 2012. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. J. Biemond, advocaat, en H. [G.]. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door C.J.M. Zwinkels en M.Y. Smit.

OVERWEGINGEN

1. Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.

1.1. Appellante is afkomstig uit Suriname waar ze buitengewoon onderwijs voor gehoorgestoorden heeft gevolgd. Ze is volledig doof. In Suriname was zij vijf jaren als administratief medewerkster werkzaam.

1.2. Bij besluit van 19 januari 2007 en opnieuw bij besluit van 29 december 2008 is haar een indicatie verleend dat zij behoort tot de doelgroep van de Wet sociale werkvoorziening (Wsw) waarbij is vermeld dat zij in aanmerking komt voor begeleid werken.

1.3. Nadat het college zijn voornemen daartoe aan appellante had kenbaar gemaakt en appellante haar zienswijze daarop had gegeven, heeft het college bij besluit van 3 november 2009 de indicatie van appellante ingaande 1 november 2009 met toepassing van artikel 12, derde lid, van de Wsw ingetrokken, omdat zij niet beschikbaar was voor werk in het kader van de Wsw dan wel passende arbeid in dienstbetrekking onder aangepaste omstandigheden weigerde. Bij het bestreden besluit van 18 mei 2010 heeft het college dit intrekkingsbesluit na bezwaar gehandhaafd.

2. In de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank overwogen dat appellante vier banen zijn aangeboden, te weten die van groenwerker, schoonmaakster, kaswerkster en postbezorgster. Appellante meent dat zij deze functies niet behoefde te accepteren omdat het daarbij om ongeschoolde arbeid gaat die gelet op haar vooropleiding en ervaring niet passend zijn als bedoeld in artikel 12 van de Wsw. De rechtbank was evenwel met het college van oordeel dat de vier functies in de gegeven omstandigheden wel passend waren voor appellante. De rechtbank heeft verder overwogen dat zorgvuldige besluitvorming eiste dat het college zich in voldoende mate vergewiste of appellante zich mede in het licht van haar beperkingen voldoende realiseerde wat weigering van de aangeboden functies zou betekenen. Volgens de rechtbank was van deze zorgvuldigheid niet gebleken, reden waarom zij het bestreden besluit heeft vernietigd wegens strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht. De rechtbank heeft het college voorts opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van hetgeen in haar uitspraak is overwogen.

3. De Raad overweegt dat het hoger beroep uitsluitend ziet op de vraag of de onder 2 vermelde vier functies als passende arbeid in de zin van artikel 12, derde lid, van de Wsw kunnen worden aangemerkt.

3.1. De Raad beantwoordt die vraag met de rechtbank bevestigend. Om te beginnen is hier van belang dat de functies niet strijdig zijn met de indicatiebeschikking noch met de voor appellante vastgestelde beperkingen. Appellante heeft zich slechts bereid getoond om werkzaamheden van administratieve aard te verrichten. Dit soort werk was evenwel niet voor haar beschikbaar. Daarom heeft het college het eerst gezocht in ongeschoold werk. De bedoeling was dat het daarbij om een aanloopfunctie zou gaan en appellante door middel van een traject volgens een individueel ontwikkelingsplan zou doorgroeien naar bij voorkeur een administratieve functie. Door het weer oppakken van werk zou appellante ook weer in een gebruikelijk arbeidsritme komen en gemakkelijker kunnen instromen in een voor haar meer gekwalificeerde functie. Deze benadering door het college van het - in de Wsw niet gedefinieerde - begrip “passende arbeid” sluit goed aan bij artikel 3 van de Wsw waarin is bepaald dat de arbeid gericht is op het behouden dan wel bevorderen van de arbeidsbekwaamheid van de werknemer.

3.2. Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.

4. Voor vergoeding van proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door J.G. Treffers als voorzitter en J.Th. Wolleswinkel en R. Kooper als leden, in tegenwoordigheid van P.J.M. Crombach als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 5 juli 2012.

(get.) J.G. Treffers.

(get.) P.J.M. Crombach.

HD