Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BX0479

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
05-07-2012
Datum publicatie
06-07-2012
Zaaknummer
11-661 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Nieuw recht op WW-uitkering. Appellant kan op grond van het van overeenkomstige toepassing zijnde artikel 21, eerste lid, van de WW terzake van zijn op 1 januari 2010 ingetreden werkloosheid geen aanspraak doen gelden op een hogere aansluitende uitkering op grond van het CAR/UWO dan die hem naar een arbeidsurenverlies van 12 per week was toegekend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/661 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Utrecht van 26 november 2010, 10/3243 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

het College van burgemeester en wethouders van IJsselstein (college)

Datum uitspraak 5 juli 2012.

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgehad op 24 mei 2012. Appellant is, met bericht van verhindering, niet verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door H. Hendriks en mr. P.E. Holtrichter.

OVERWEGINGEN

1. Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.

1.1. Appellant was in een tijdelijke aanstelling werkzaam bij de gemeente IJsselstein. Met ingang van 1 oktober 2006 is die aanstelling geëindigd. Appellant is bij besluit van 16 november 2006 ingaande 2 oktober 2006 tot uiterlijk 2 december 2009 een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) toegekend met inachtneming van een arbeidsurenverlies van 36 per week. Met een besluit van dezelfde datum heeft het college hem eveneens per 2 oktober 2006 een bovenwettelijke uitkering (BW-uitkering) op grond van de Collectieve arbeidsvoorwaardenregeling en Uitwerkingsovereenkomst (CAR/UWO) toegekend. De BW-uitkering betrof een aanvullende uitkering voor dezelfde duur als de WW-uitkering, gevolgd door een aansluitende uitkering die, zoals later is bepaald, op 1 oktober 2011 zou eindigen.

1.2. Appellant is op 1 december 2008 voor 24 uur per week in dienst getreden van de gemeente Utrechtse Heuvelrug. Dit bracht mee dat beide uitkeringen van appellant gedeeltelijk werden beëindigd en werden voorgezet (de BW-uitkering in de vorm van een aansluitende uitkering) met inachtneming van een arbeidsurenverlies van 12 per week. Per

1 januari 2010 is aan die aanstelling een einde gekomen.

1.3. Nadat zijn recht op WW naar een omvang van 12 uur per week per 2 december 2009 was geëindigd, heeft appellant in verband met de op 1 januari 2010 voor hem ingetreden werkloosheid een WW-uitkering aangevraagd, die hem met ingang van 4 januari 2010 is toegekend tot 4 april 2010 naar een arbeidsurenverlies van 24 per week.

1.4. Bij brief van 6 mei 2010 heeft appellant het college verzocht om voorzetting van zijn BW-uitkering waarop hij sinds 2 oktober 2006 recht heeft, rekening houdend met een volledige werkloosheid. Dit verzoek is afgewezen bij besluit van 3 juni 2010. Bij besluit van 20 augustus 2010 (bestreden besluit) is dat besluit na bezwaar gehandhaafd. Overwogen is, samengevat, dat volgens artikel 10a:21 van de CAR/UWO de bepalingen van de WW betreffende de herleving van het recht op uitkering van overeenkomstige toepassing zijn op de aansluitende uitkering en dat blijkens artikel 21 van de WW een op grond van artikel 20 van de WW beëindigd recht kan worden verlengd, tenzij er een nieuw WW-recht ontstaat. Dit laatste is blijkens de toekenning aan appellant van de WW-uitkering per 4 januari 2010 hier het geval. Daarom heeft appellant onverminderd recht op een aansluitende uitkering berekend naar een arbeidsurenverlies van 12 uur per week en kan hij daarboven geen recht laten gelden op een uitkering naar 24 uur arbeidsurenverlies.

2. De voorzieningenrechter van de rechtbank Utrecht (voorzieningenrechter) heeft bij de aangevallen uitspraak - voor zover zij in hoger beroep aan de orde is - het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daarbij heeft de voorzieningenrechter de motivering van het bestreden besluit gevolgd.

3. Met inachtneming van hetgeen partijen in hoger beroep hebben aangevoerd, komt de Raad tot de volgende beoordeling.

3.1. De Raad zal eerst het hier geldende wettelijke kader, voor zover hier van belang en samengevat, uiteenzetten.

3.1.1. Op grond van artikel 10a:21, eerste lid, van de CAR/UWO zijn op de aansluitende uitkering de bepalingen van de WW betreffende de herleving van het recht op die uitkering van overeenkomstige toepassing.

3.1.2. Volgens artikel 21, eerste lid, van de WW herleeft een recht op uitkering indien dat recht op grond van artikel 20, eerste lid, onder a, b, c, d of f, van de WW geheel of gedeeltelijk is geëindigd en vervolgens de omstandigheid die tot dat eindigen heeft geleid, heeft opgehouden te bestaan, voor zover geen nieuw recht op uitkering bestaat.

3.2. Met verwijzing naar hetgeen onder 1.3 is vastgesteld, staat vast dat voor appellant ter zake van zijn op 1 januari 2010 ingetreden werkloosheid een nieuw recht op WW-uitkering is ontstaan, naast de WW-uitkering naar een arbeidsurenverlies van 12 per week, die per 2 december 2009 was geëindigd.

3.3. Dit betekent dat appellant op grond van het van overeenkomstige toepassing zijnde artikel 21, eerste lid, van de WW terzake van zijn op 1 januari 2010 ingetreden werkloosheid geen aanspraak kan doen gelden op een hogere aansluitende uitkering op grond van het CAR/UWO dan die hem naar een arbeidsurenverlies van 12 per week was toegekend.

3.4. Appellant heeft naar voren gebracht dat in artikel 10a:21 van de CAR/UWO (slechts) is bepaald dat de bepalingen in de WW betreffende de gehele of gedeeltelijke beëindiging van het recht op vervolguitkering van overeenkomstige toepassing zijn op de aansluitende uitkering en dat deze bepalingen inmiddels zijn vervallen. Dit betoog kan niet tot het door appellant beoogde doel leiden, reeds omdat hij niet in rechte is opgekomen tegen het besluit om zijn BW-uitkering wegens het aanvaarden van de dienstbetrekking bij de gemeente Utrechtse Heuvelrug voor 24 uur te beëindigen. Die beëindiging, gevolgd door een voortzetting van de BW-uitkering naar een arbeidsurenverlies van slechts 12, is daarom een gegeven. Overigens kan het vervallen van de vervolguitkering in de WW niet afdoen aan de kennelijke strekking van artikel 10a:20 van de CAR/UWO dat - voor zover hier van belang - het recht op BW-uitkering eindigt voor zover de betrokkene niet langer werkloos is in de zin van de WW.

3.5. Ook de stelling van appellant dat blijkens artikel 10a:15, vierde lid, van de CAR/UWO de aansluitende uitkering van appellant is ingegaan op 2 december 2009 en niet op 2 oktober 2006 en dat voor het bepalen van het recht van appellant op een volledige herleving van de aansluitende uitkering ervan moet worden uitgegaan dat hij toen geen zes maanden werkzaam was geweest maar een maand, kan hem niet baten. Dit strookt niet met het feit dat appellant ingevolge de toepassing van de WW per 1 januari 2010 wel degelijk een nieuw recht op WW heeft verkregen. Dit is voor de toepassing van de CAR/UWO hier leidend.

4. Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak moet - voor zover aangevochten - worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.G. Treffers als voorzitter en J.Th.Wolleswinkel en R. Kooper als leden, in tegenwoordigheid van P.J.M. Crombach als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 5 juli 2012.

(get.) J.G. Treffers.

(get.) P.J.M. Crombach.

HD