Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BX0476

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
05-07-2012
Datum publicatie
06-07-2012
Zaaknummer
10-5473 MAW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Appellant is van de opleiding ontheven, omdat hij niet opleidbaar wordt geacht voor de functie van Loadmaster Chinook en is vervolgens ontslag verleend wegens wegens ontheffing van de initiële opleiding. Aan appellant is (...) voldoende begeleiding gegeven ter verbetering van zijn tekortkomingen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2013/4
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/5473 MAW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 25 augustus 2010, 10/3041 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Commandant Luchtstrijdkrachten (commandant)

Datum uitspraak 5 juli 2012.

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

De commandant heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 mei 2012. Appellant is, zoals door hem bericht, niet verschenen. De commandant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. drs. A.J. Verdonk.

OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant is met ingang van 21 augustus 2006 aangesteld als beroepsmilitair voor bepaalde tijd bij de Koninklijke Luchtmacht en bestemd voor de functie van onderofficier Specialist Loadmaster Chinook. Voordat hij in deze functie te werk kon worden gesteld diende hij een opleiding te volgen die bestond uit een initiële militaire opleiding, gevolgd door een vaktechnische opleiding. Eén onderdeel daarvan was de zogeheten Functie Gerichte Opleiding (FGO), die appellant van 19 maart 2007 tot 27 april 2007 heeft gevolgd en met succes heeft afgerond. Het laatste onderdeel van de opleiding was de zogeheten Initial Mission Qualification Training (IMQT). Dit gedeelte van de opleiding was met name gericht op het toepassen van de eerder opgedane kennis in de praktijk. Van 24 november 2008 tot 7 januari 2009 heeft appellant het theoretische gedeelte van de IMQT doorlopen. Op 7 januari 2009 is appellant begonnen met opleidingsvluchten in het kader van het praktische gedeelte van de IMQT. Een aantal vluchten is met een U, Unsatisfactory, als eindresultaat beoordeeld. Ten slotte is op 25 februari 2009 de zogeheten Progress Check 1 van appellant ook met een U als eindresultaat beoordeeld. Vervolgens is door het Hoofd Opleidingen & Evaluatie Defensie Helicopter Commando (DHC) een voorstel gedaan om appellant op 23 maart 2009 te ontheffen uit de opleiding vanwege bepaalde karaktereigenschappen van appellant (passief, eenling) en omdat appellant de nodige technische kennis en motivatie miste.

1.2. Overeenkomstig het advies van de zogeheten Examencommissie DHC is appellant bij besluit van 14 september 2009 met ingang van 29 mei 2009 van de opleiding ontheven, omdat hij niet opleidbaar wordt geacht voor de functie van Loadmaster Chinook. Dit besluit is, na bezwaar, gehandhaafd bij het bestreden besluit van 19 maart 2010.

1.3. Appellant is met ingang van 1 mei 2010 ontslag verleend wegens ontheffing van de initiële opleiding.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Naar aanleiding van hetgeen in hoger beroep is aangevoerd, overweegt de Raad als volgt.

3.1. De commandant heeft aangevoerd dat appellant geen procesbelang meer heeft bij een beoordeling van het bestreden besluit, nu het ontslagbesluit inmiddels in rechte onaantastbaar is. Daarin kan de Raad de commandant niet volgen. In lijn met zijn uitspraak van 10 januari 2008, LJN BC2293, overweegt de Raad dat, indien het ontheffingsbesluit niet houdbaar zou blijken, het nadien gegeven ontslag achteraf gezien op een ondeugdelijke basis berust. Appellant kan alsdan een verzoek indienen om terug te komen van dat ontslagbesluit. Aangezien de beslissing daaromtrent zeker niet op voorhand vast staat, nu in dat geval immers sprake is van een nieuw feit, heeft appellant zijn belang bij de beoordeling van zijn bezwaren tegen de ontheffing uit de opleiding behouden.

3.2. In artikel 13, zesde lid, van het AMAR is bepaald dat de militair die is aangewezen voor het volgen van een initiële opleiding daarvan kan worden ontheven, indien hij niet voldoet aan de bij de opleiding gestelde eisen of indien ontheffing in het belang van de dienst of van de militair om andere redenen noodzakelijk is.

3.3. Tussen partijen is niet in geschil dat appellant niet heeft voldaan aan de bij de opleiding gestelde eisen, met name tijdens de IMQT. Volgens appellant heeft de commandant hem evenwel onvoldoende mogelijkheden geboden zich voor dit onderdeel te bekwamen.

3.3.1. Appellant heeft in dit kader onder meer gesteld dat vanwege de ongebruikelijk lang tijd tussen de FGO en de IMQT de door hem in de FGO opgedane kennis was weggezakt toen hij met de IMQT moest beginnen. De commandant heeft in reactie hierop opgemerkt dat vanwege capaciteitsproblemen niet snel na de FGO met de IMQT kon worden gestart. In de tussentijd heeft appellant wel allerlei modules van de opleiding gevolgd. In de perioden waarin hij geen modules kon volgen, is zoveel mogelijk getracht appellant praktisch te werk te stellen, om zodoende het militaire bedrijf breder te leren kennen. Met de commandant is de Raad van oordeel dat appellant zelf verantwoordelijk is voor het op peil houden van de kennis die hij tijdens de FGO heeft opgedaan. Weliswaar heeft appellant de boeken die hij voor de FGO heeft moeten bestuderen na afloop van de FGO moeten inleveren, maar volgens de commandant waren die boeken ook op het intranet van Defensie te raadplegen. Dat is appellant ook bij aanvang van de FGO meegedeeld. Aangezien appellant als leerling een toegangspas tot de militaire terreinen had, kon hij op meerdere plekken inloggen op het intranet van Defensie en het bedoelde studiemateriaal op ieder gewenst moment opnieuw raadplegen om op die manier zijn kennis op peil te houden.

3.3.2. Voorts heeft appellant gesteld dat hij voor aanvang van de IMQT niet de mogelijkheid heeft gekregen om evenals een aantal van zijn medeleerlingen vlieguren in de Verenigde Staten (VS) te maken, waardoor hij ten opzichte van die medeleerlingen een forse achterstand heeft opgelopen. De commandant heeft verklaard dat van de 35 leerlingen er 10 naar de VS zijn geweest en daar theorie- en praktijklessen hebben gevolgd. Zij moesten evenwel in Nederland nog de overige theorie- en praktijklessen volgen. De commandant heeft naar het oordeel van de Raad aannemelijk gemaakt dat uiteindelijk de leerlingen die naar de VS zijn geweest en de leerlingen die in Nederland zijn gebleven evenveel uren hebben besteed aan theorie- en praktijklessen. Vijf van de tien leerlingen die naar de VS zijn geweest hebben de opleiding voor Loadmaster Chinook evenmin behaald. Er was dus geen garantie op het behalen van de IMQT bij het opdoen van ervaring in de VS. Dat appellant een forse achterstand heeft opgelopen omdat hij niet de mogelijkheid heeft gekregen naar de VS te gaan, is dan ook niet gebleken.

3.3.3. Verder heeft appellant aangevoerd dat hij tijdens het praktijkgedeelte van de IMQT van 7 januari 2009 tot 28 februari 2009 tussen de vluchten door vijf à zes Engelstalige boeken van Boeing van ongeveer 400 bladzijdes ieder, uitsluitend op de kamers van de instructeurs moest bestuderen. Dit waren geclassificeerde boeken die binnen een beveiligde omgeving moesten blijven, zodat de leerlingen de boeken niet mee mochten nemen naar hun legeringskamers. Wel bestond voor de leerlingen de mogelijkheid om de boeken op de kamers van de instructeurs of via het intranet van Defensie te bestuderen. Volgens de commandant had appellant al vanaf de aanvang van het theoretische gedeelte van de IMQT, dus vanaf

24 november 2008, de gelegenheid op deze wijze de boeken te bestuderen. Het komt dan ook voor rekening van appellant dat hij daarmee pas is begonnen tijdens het praktische gedeelte van de IMQT. De Raad deelt het oordeel van de commandant dat appellant voldoende gelegenheid en tijd heeft gehad de vereiste stof tot zich te nemen. Daaraan doet niet af dat, zoals appellant heeft gesteld, de leerlingen die naar de VS zijn geweest beschikten over CD-roms waarop informatie uit bedoelde boeken stond. De commandant heeft die CD-roms niet aan deze leerlingen verstrekt en was, mede gelet op de andere hiervoor genoemde en als voldoende aan te merken studiemogelijkheden, ook niet verplicht om het ertoe te leiden dat deze CD-roms alsnog aan de overige leerlingen zouden worden verstrekt.

3.4. Uit de verklaringen van de vlieginstructeurs en de beoordelingsformulieren van de vluchten van appellant blijkt dat door middel van coaching, pre- en debriefing veel aandacht is besteed aan de tekortkomingen van appellant tijdens de vluchten. Ook blijkt daaruit dat appellant tijdens de praktijkopleiding voldoende tijd heeft gekregen om zijn kennis bij te spijkeren. Zo heeft appellant na zijn vlucht op 15 januari 2009 pas weer op 11 februari 2009 moeten vliegen. Daarnaast hebben de instructeurs appellant geholpen met het bijspijkeren van zijn technische kennis door hem extra opdrachten te geven en vragen te stellen. Voorts heeft appellant een dag voor de Progress check van 25 februari 2009 nog een drie uur durende demonstratie gehad, waarin de gehele preflightprocedure is doorlopen en is aangegeven wat van appellant verwacht werd. Aan appellant is dan ook voldoende begeleiding gegeven ter verbetering van zijn tekortkomingen.

4. Gezien het vorenstaande ziet de Raad geen grond voor het oordeel dat appellant redelijkerwijs niet van de opleiding kon worden ontheven. Dit brengt mee dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. De Raad ziet tot slot geen aanleiding om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake de vergoeding van de proceskosten.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak

Deze uitspraak is gedaan door B.J. van de Griend als voorzitter en N.J. van Vulpen-Grootjans en K.J. Kraan als leden, in tegenwoordigheid van M.R. Schuurman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 5 juli 2012.

(get.) B.J. van de Griend.

(get.) M.R. Schuurman.

HD