Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BX0474

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
26-06-2012
Datum publicatie
05-07-2012
Zaaknummer
10/4586 WWB + 10/4587 WWB + 10/4588 WWB + 10/6333 WWB + 10/6990 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking bijstand. Appellanten hebben niet aannemelijk gemaakt dat het niet tijdig overleggen van de bankgegevens en toelichting hen niet kan worden verweten. Aan het alsnog tijdens de bezwaarfase indienen van deze gegevens komt daarom geen betekenis toe. Het college was bevoegd de bijstand in te trekken. De rechtbank heeft terecht geen grond gezien voor het oordeel dat het college niet in redelijkheid van deze bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken. Weigering toekenning bijstand. De rechtbank heeft op goede gronden geoordeeld dat appellanten, door het college niet op de hoogte te stellen van de ten tijde hier van belang op naam van appellant staande auto’s, de inlichtingenverplichting hebben geschonden als gevolg waarvan het recht op bijstand niet was vast te stellen. Intrekking bijstand en terugvordering. Het college heeft op goede gronden het standpunt ingenomen dat appellanten in auto’s hebben gehandeld, in de zin van het verrichten van op geld waardeerbare activiteiten bij de verkoop van auto’s. Door het college niet op de hoogte te stellen van deze activiteiten, hebben appellanten de op hen rustende inlichtingenverplichting geschonden. Onder de omstandigheden van dit geval heeft het college zich terecht op het standpunt gesteld dat de inkomsten die appellanten redelijkerwijs hebben kunnen verwerven niet kunnen worden vastgesteld zonder door appellanten zelf verstrekte controleerbare gegevens. Appellanten zijn er niet in geslaagd aannemelijk te maken dat in het geval wel aan de inlichtingenverplichting zou zijn voldaan over de betreffende periode recht op - aanvullende - bijstand bestaat. Het college heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat, als gevolg van schending van de inlichtingenverplichting, de hoogte van de inkomsten uit die activiteiten niet kan worden bepaald, zodat het recht op (aanvullende) bijstand niet kan worden vastgesteld en de bijstand over de transactiemaanden kan worden ingetrokken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/4586 WWB

10/4587 WWB

10/4588 WWB

10/6333 WWB

10/6990 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Alkmaar van 8 juli 2010, 09/484, 09/1214 en 09/2667 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Hoorn (college)

Datum uitspraak 26 juni 2012.

PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. G.E. Menick, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De rechtbank heeft een nader besluit van 12 oktober 2010 en het daartegen ingediende beroepschrift van appellanten aan de Raad doorgezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 mei 2012. Appellanten zijn niet verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door M.R. Ooievaar en W.T.M. Schwering.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellanten ontvingen vanaf 1 januari 2001 bijstand, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor gehuwden.

1.2. Naar aanleiding van een vermogenssignaal van de Belastingdienst is onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellanten verstrekte bijstand. Uit gegevens van de Dienst Wegverkeer (RDW) is naar voren gekomen dat in de periode van 1 januari 2001 tot 11 november 2008 op naam van appellant 34 en op naam van appellante 5 auto’s geregistreerd hebben gestaan. Voorts is gebleken dat een op 25 september 2008 geplande ontruiming is voorkomen omdat appellanten een huurschuld van € 3.500,-- hebben voldaan. Appellanten hebben geen administratie over de aan- en verkoop van deze auto’s verstrekt en evenmin de wijze waarop de huurschuld is voldaan inzichtelijk gemaakt.

1.3. Bij besluit van 29 oktober 2008 heeft het college het recht op bijstand van appellanten opgeschort en gegevens over de onder 1.2 vermelde auto’s en de aflossing van een schuld alsook bankgegevens over de periode van 1 oktober 2007 tot en met 1 oktober 2008 opgevraagd. Bij besluit van 18 november 2008, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van

6 januari 2009 (bestreden besluit 1), heeft het college de bijstand van appellanten met ingang van 1 november 2008 ingetrokken. Hieraan heeft het college, voor zover hier van belang, ten grondslag gelegd dat appellanten hebben verzuimd binnen de daartoe gestelde termijn de bij het opschortingsbesluit gevraagde gegevens te verstrekken en dat deze gegevens van belang zijn voor de verlening van bijstand.

1.4. Bij besluit van 4 maart 2009, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 1 april 2009 (bestreden besluit 2), heeft het college een aanvraag om bijstand van appellanten van 16 december 2008 afgewezen. Hieraan heeft het college, voor zover hier van belang, ten grondslag gelegd dat uit onderzoek naar voren is gekomen dat appellanten hebben verzwegen dat in de periode van 9 januari 2009 tot en met 31 januari 2009 twee auto’s op naam van appellant hebben gestaan, waaronder een Audi, die volgens de koerslijsten van de ANWB/Bovag een waarde heeft van € 19.150,-- tot € 20.750,--. Gelet hierop hebben appellanten de inlichtingenverplichting geschonden en als gevolg daarvan kan, in aanmerking genomen dat zij ook geen gegevens over deze auto’s hebben overgelegd, het recht op bijstand niet worden vastgesteld.

1.5. Bij besluit van 29 mei 2009, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 8 september 2009 (bestreden besluit 3), heeft het college de over de maanden april, juni en augustus 2001, mei, augustus en december 2002, juni en september 2003, april tot en met juni, augustus, oktober en december 2004, maart tot en met mei, juli, augustus en november en december 2005, februari, juni, juli en september 2006, maart en september 2007 en juni 2008 gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 42.051,82 van appellanten teruggevorderd. Hieraan heeft het college ten grondslag gelegd dat appellanten niet hebben meegedeeld dat zij in deze maanden transacties met auto’s hebben verricht en dat zij, gezien de korte duur van de tenaamstelling, in auto’s hebben gehandeld. Gelet hierop hebben appellanten de inlichtingenverplichting geschonden en als gevolg daarvan kan, nu zij geen objectieve en verifieerbare gegevens over deze transacties hebben verstrekt, het recht op bijstand niet worden vastgesteld.

2.1. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank de beroepen tegen de bestreden besluiten 1 en 2 ongegrond verklaard.

2.2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit 3 gegrond verklaard, overwogen dat dit besluit dient te worden vernietigd wegens een motiveringsgebrek en het college opgedragen een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen. Daartoe heeft de rechtbank geoordeeld dat aan de terugvordering ten onrechte geen besluit tot intrekking dan wel herziening ten grondslag ligt. Voorts heeft de rechtbank aannemelijk geacht dat appellanten ten tijde hier van belang inkomsten uit autohandel hebben verworven, maar de rechtbank heeft onvoldoende grondslag gezien voor het oordeel dat hierdoor het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld. Hierbij heeft de rechtbank opgemerkt dat de waarde van auto’s doorgaans kan worden vastgesteld aan de hand van koerslijsten van de ANWB/Bovag.

3. Appellanten hebben zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd voor zover de rechtbank de beroepen tegen de bestreden besluiten 1 en 2 ongegrond heeft verklaard. Appellanten hebben aangevoerd dat zij de bij de opschorting gevraagde gegevens, voor zover relevant, hebben verstrekt waardoor de bijstand ten onrechte met ingang van 1 november 2008 is ingetrokken. Voorts stellen appellanten zich op het standpunt dat zij niet in auto’s hebben gehandeld. Het autobezit was van incidentele en consumptieve aard. De meeste auto’s waren van geringe waarde. De onder 1.4 vermelde Audi is op naam gezet voor een familielid en had een lagere waarde dan door het college is aangenomen.

4. Bij het ter uitvoering van de aangevallen uitspraak genomen besluit van 12 oktober 2010 (nader besluit) heeft het college het besluit van 29 mei 2009 gehandhaafd en daarbij de bijstand van appellanten over de onder 1.5 vermelde maanden ingetrokken. Aan dit besluit heeft het college ten grondslag gelegd dat zonder resultaat navraag is gedaan bij de ANWB/Bovag, en dat het recht op bijstand zonder door appellanten verstrekte objectieve en verifieerbare gegevens over de autotransacties niet kan worden vastgesteld. De Raad zal dit besluit op de voet van de artikelen 6:18, 6:19, eerste lid, en 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht bij de beoordeling in hoger beroep betrekken.

5. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Ten aanzien van bestreden besluit 1

5.1. Bij de beantwoording van de vraag of het college op grond van artikel 54, vierde lid, van de WWB bevoegd was tot intrekking van de aan een betrokkene verleende bijstand, staat ter beoordeling of deze heeft verzuimd binnen de daartoe gestelde termijn de bij het opschortingsbesluit gevraagde gegevens of gevorderde bewijsstukken te verstrekken. Indien dit het geval is, dient vervolgens te worden nagegaan of de betrokkene hiervan een verwijt kan worden gemaakt. Die verwijtbaarheid kan ontbreken indien het gaat om gegevens of gevorderde bewijsstukken die niet van belang zijn voor de verlening van bijstand of om gegevens waarover de betrokkene niet binnen de gestelde hersteltermijn redelijkerwijs heeft kunnen beschikken.

5.2. Appellanten hebben geen van de onder 1.2 en 1.3 vermelde gegevens, die het college bij het opschortingsbesluit heeft opgevraagd, binnen de daarvoor gestelde termijn verstrekt. Zij hebben uitsluitend een kentekenbewijs getoond van een auto, die ten tijde van de opschorting op naam van appellant heeft gestaan. Eerst ten tijde van het bezwaar tegen het besluit van 18 november 2008 hebben zij de gevraagde bankgegevens overgelegd en een toelichting gegeven op het aflossen van de huurschuld. De door het college bij het opschortingsbesluit opgevraagde bankgegevens zijn van belang voor de verlening van de bijstand. De onder 1.2 vermelde onderzoeksresultaten hebben namelijk geleid tot onduidelijkheid over de herkomst van het geld waarmee de huurschuld is voldaan. Appellanten hebben niet aannemelijk gemaakt dat het niet tijdig overleggen van de bankgegevens en toelichting hen niet kan worden verweten. Aan het alsnog tijdens de bezwaarfase indienen van deze gegevens komt daarom geen betekenis toe. Aangezien het niet tijdig indienen van deze gegevens op zichzelf beschouwd al een toereikende grondslag vormt voor de intrekking van de bijstand, behoeft het in het geheel niet verstrekken van administratie over de autotransacties geen bespreking.

5.3. Uit hetgeen onder 5.1 en 5.2 is overwogen volgt dat de rechtbank op goede gronden heeft geoordeeld dat aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 54, vierde lid, van de WWB is voldaan. Het college was derhalve bevoegd de bijstand met ingang van 1 november 2008 in te trekken. De rechtbank heeft terecht geen grond gezien voor het oordeel dat het college niet in redelijkheid van deze bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken.

Ten aanzien van bestreden besluit 2

5.4. In geval van een aanvraag om bijstand bestrijkt de door de bestuursrechter te beoordelen periode in beginsel de periode vanaf de datum van de aanvraag tot en met de datum van het primaire besluit. Dit betekent dat in dit geval de te beoordelen periode loopt van 16 december 2008 tot en met 4 maart 2009.

5.5. Volgens de kentekenregistratie van de RDW hebben ten tijde hier van belang twee auto’s op naam van appellant gestaan, waaronder de onder 1.4 vermelde Audi, die volgens de koerslijsten van de ANWB/Bovag een waarde heeft die de van toepassing zijnde vermogensgrens ruim overschrijdt. Appellanten hebben de stelling dat deze Audi niet tot hun vermogen moet worden gerekend omdat deze auto uitsluitend ten behoeve van een familielid op naam van appellant is gezet, niet met objectieve gegevens aannemelijk gemaakt. Hetzelfde geldt voor de tweede auto, die tegen betaling voor iemand anders op naam van appellant zou zijn geregistreerd. Evenmin hebben appellanten aan de hand van objectieve en verifieerbare gegevens aannemelijk gemaakt dat de Audi in verband met het ontbreken van de motor slechts € 4.500,-- waard is. Appellanten hebben ook ten aanzien van deze twee auto’s niet voldaan aan het verzoek van het college controleerbare gegevens over te leggen. Zij hebben voorts geen toereikende financiële gegevens verstrekt waaruit de aanschaf van die auto’s kan worden verklaard.

5.6. Uit hetgeen onder 5.5 is overwogen volgt dat de rechtbank op goede gronden heeft geoordeeld dat appellanten, door het college niet op de hoogte te stellen van de ten tijde hier van belang op naam van appellant staande auto’s, de inlichtingenverplichting hebben geschonden als gevolg waarvan het recht op bijstand niet was vast te stellen. De aanvraag om bijstand van appellanten van 16 december 2008 is derhalve terecht afgewezen.

Ten aanzien van het nadere besluit

5.7. Vaststaat dat in de onder 1.5 vermelde maanden transacties met op naam van appellanten staande auto’s hebben plaatsgevonden. Omdat deze auto’s betrekkelijk korte tijd op naam van appellanten hebben gestaan en daarbij ook geregeld sprake was van elkaar overlappende periodes, waarbij appellanten meerdere auto’s op hun naam hadden staan, heeft het college op goede gronden het standpunt ingenomen dat zij in auto’s hebben gehandeld, in de zin van het verrichten van op geld waardeerbare activiteiten bij de verkoop van auto’s. Door het college niet op de hoogte te stellen van deze activiteiten, hebben appellanten de op hen rustende inlichtingenverplichting geschonden.

5.8. Ter uitvoering van de aangevallen uitspraak heeft het college bij de ANWB/Bovag geïnformeerd naar de waarde van de auto’s waarmee appellanten transacties hebben verricht. Volgens de door het college verkregen informatie zijn van deze auto’s geen ANWB/Bovag koerslijsten beschikbaar omdat voor oudere auto’s geldt dat de staat van het voertuig uiteenlopend kan zijn, hetgeen door appellanten niet is bestreden. Onder deze omstandigheden heeft het college zich terecht op het standpunt gesteld dat de inkomsten die appellanten redelijkerwijs hebben kunnen verwerven niet kunnen worden vastgesteld zonder door appellanten zelf verstrekte controleerbare gegevens.

5.9. Schending van de inlichtingenverplichting levert een rechtsgrond op voor intrekking van de bijstand, indien als gevolg daarvan niet kan worden vastgesteld of, en zo ja in hoeverre, de betrokkenen verkeren in bijstandsbehoeftige omstandigheden. Appellanten zijn er niet in geslaagd aannemelijk te maken dat in het geval wel aan de inlichtingenverplichting zou zijn voldaan over de betreffende periode recht op - aanvullende - bijstand bestaat. Uit het feit dat zij transacties hebben verricht met oudere auto’s kan niet worden afgeleid dat die transacties geen invloed op de bijstandsverlening kunnen hebben. Voorts hebben appellanten geen controleerbare gegevens verschaft over de met de transacties verworven inkomsten.

Het college heeft zich daarom terecht op het standpunt gesteld dat, als gevolg van schending van de inlichtingenverplichting, de hoogte van de inkomsten uit die activiteiten niet kan worden bepaald, zodat het recht op (aanvullende) bijstand niet kan worden vastgesteld en de bijstand over de transactiemaanden kan worden ingetrokken. Het gebruik maken van de bevoegdheid tot intrekking en de terugvordering zijn niet zelfstandig bestreden, behoudens het kennelijk op een misverstand berustende standpunt dat bij het besluit van 29 mei 2009 een netto bedrag is teruggevorderd en bij het nadere besluit een bruto bedrag. Bij het nadere besluit is het terugvorderingsbedrag van € 42.051,82 niet veranderd.

Conclusie

5.10. Hetgeen onder 5.1 tot en met 5.9 is overwogen leidt tot de conclusie dat het hoger beroep geen doel treft, zodat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, voor bevestiging in aanmerking komt. De Raad zal het beroep van appellanten tegen het nadere besluit ongegrond verklaren.

6. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

-bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten;

-verklaart het beroep tegen het besluit van 12 oktober 2010 ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door J.C.F. Talman als voorzitter en C.H. Bangma en M.F. Wagner als leden, in tegenwoordigheid van J. van Dam als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 juni 2012.

(get.) J.C.F. Talman.

(get.) J. van Dam.

HD