Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BX0252

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
04-07-2012
Datum publicatie
05-07-2012
Zaaknummer
10-6306 ZW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen recht op ziekengeld. Het werk als productiemedewerker is terecht als maatstaf arbeid aangemerkt. De door appellant aangevoerde grond dat na zijn uitval de arbeidsomstandigheden zijn verbeterd, kan niet tot een ander oordeel leiden omdat uitgegaan dient te worden van de arbeidsomstandigheden ten tijde van de datum in geding. Gelet op de onderzoeksbevindingen en de overgelegde medische informatie heeft de bezwaarverzekeringsarts voldoende overtuigend en gemotiveerd aangegeven om welke reden(en) er geen aanleiding is tot het wijzigen van het eerder door de verzekeringsarts ingenomen standpunt dat appellant geschikt werd geacht voor zijn arbeid. Hetgeen appellant heeft aangevoerd geeft geen aanleiding om tot een ander oordeel te komen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/6306 ZW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 21 oktober 2010, 10/818 (aangevallen uitspraak),

Partijen:

[appellant], te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 4 juli 2012

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. A.T. Tilburg, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 mei 2012. Namens appellant is mr. Tilburg verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W.M.J. Evers.

OVERWEGINGEN

1.1. Appellant was sinds 16 juli 2008 werkzaam als productiemedewerker in dienst van [naam werkgever]. Op 1 december 2008 is hij gestart met werkzaamheden in een kringloopwinkel, waarna hij op 4 december 2008 is uitgevallen met rug- en nekklachten. Het dienstverband is met ingang van 16 juli 2009 beëindigd.

1.2. Appellant is laatstelijk op 15 december 2009 gezien op het spreekuur van verzekeringsarts A.M.C. Vergroesen. Deze arts heeft appellant onderzocht en verkregen informatie van de huisarts bij zijn beoordeling betrokken. Naar aanleiding hiervan heeft de verzekeringsarts appellant per 21 december 2009 geschikt geacht voor het eigen werk. Op basis van de conclusie van de verzekeringsarts heeft het Uwv bij besluit van 15 december 2009 aan appellant meegedeeld dat hij met ingang van 21 december 2009 geen recht (meer) heeft op ziekengeld.

1.3. Bij besluit van 26 januari 2010 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 15 december 2009, onder verwijzing naar de rapportage van bezwaarverzekeringsarts J.B. van der Heemst van 22 januari 2010, ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat het Uwv in zijn besluitvorming terecht is uitgegaan van het werk als productiemedewerker als maatgevende arbeid. Op grond van een onderzoek naar dit werk heeft de arbeidsdeskundige aan de verzekeringsarts aangegeven uit welke werkzaamheden de arbeid als productiemedewerker bestond en onder welke omstandigheden dit werk werd verricht. Ten tijde als hier in geding is terecht uitgegaan van de arbeidsomstandigheden, zoals die door de arbeidsdeskundige zijn beschreven. De rechtbank heeft voorts vastgesteld dat het medisch onderzoek dat aan het bestreden besluit ten grondslag ligt voldoende zorgvuldig is geweest. In hetgeen appellant in beroep heeft aangevoerd heeft de rechtbank geen aanleiding gezien aan de juistheid van het medisch oordeel dat aan het bestreden besluit ten grondslag ligt in twijfel te trekken, waarbij de rechtbank in aanmerking neemt dat appellant zijn standpunt dat zijn klachten dusdanig ernstig zijn dat hij de maatgevende arbeid niet kan verrichten, niet nader heeft onderbouwd door het overleggen van medische stukken.

3. In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat hij bestrijdt dat het medisch onderzoek dat aan het bestreden besluit ten grondslag ligt voldoende zorgvuldig is geweest. Het langdurig zitten in de maatgevende arbeid is volgens hem niet goed voor een diabetespatiënt. Voorst stelt hij zich op het standpunt dat van een onjuiste belasting is uitgegaan, omdat de werkomstandigheden bij zijn werkgever na zijn uitval zijn verbeterd.

4. De Raad, oordelend over hetgeen appellant tegen de aangevallen uitspraak heeft aangevoerd, overweegt het volgende.

4.1. Ingevolge artikel 19, eerste en vierde lid, van de Ziektewet (ZW) heeft de verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebrek recht op ziekengeld. Volgens vaste rechtspraak van de Raad wordt onder “zijn arbeid” verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding feitelijk verrichte arbeid. Nu appellant de laatst verrichte werkzaamheden bij de kringloopwinkel slechts gedurende drie dagen heeft uitgevoerd, waarna ziekmelding volgde omdat meer rugklachten ontstonden, moet dit als een mislukte werkhervatting worden beschouwd. Daarom is het werk als productiemedewerker terecht als maatstaf arbeid aangemerkt. Van de belasting in dit werk heeft de arbeidsdeskundige in zijn rapportage van 2 december 2009, na een bedrijfsbezoek, een duidelijke omschrijving gegeven. Hiervan uitgaande hadden de verzekeringsartsen een voldoende duidelijk beeld van de aard en de zwaarte van de maatstaf arbeid. De door appellant aangevoerde grond dat na zijn uitval de arbeidsomstandigheden zijn verbeterd, kan niet tot een ander oordeel leiden omdat uitgegaan dient te worden van de arbeidsomstandigheden ten tijde van de datum in geding.

4.2. Met betrekking tot de medische beoordeling onderschrijft de Raad het oordeel en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen van de rechtbank. Evenals de rechtbank is de Raad van oordeel dat bezwaarverzekeringsarts Van der Heemst in het kader van de beoordeling van appellants aanspraken op een uitkering ingevolge de ZW op inzichtelijke wijze heeft onderbouwd dat appellant geschikt wordt geacht voor zijn eigen werk. Blijkens de rapportage van 22 januari 2010 heeft de bezwaarverzekeringsarts dossierstudie verricht, heeft hij appellant onderzocht tijdens het spreekuur en heeft hij de verkregen informatie van de sportarts bij zijn beoordeling meegewogen. Op basis daarvan heeft hij geconcludeerd dat er gezien de aard van de objectiveerbare medische pathologie in relatie tot de maatstaf arbeid geen reden is om op de datum in geding arbeidsongeschiktheid aan te nemen. Gelet op de onderzoeksbevindingen en de overgelegde medische informatie heeft de bezwaarverzekeringsarts naar het oordeel van de Raad voldoende overtuigend en gemotiveerd aangegeven om welke reden(en) er geen aanleiding is tot het wijzigen van het eerder door de verzekeringsarts ingenomen standpunt dat appellant per 21 december 2009 geschikt werd geacht voor zijn arbeid.

4.3. In de in hoger beroep ingebrachte aanvullende rapportage van 28 januari 2011 heeft bezwaarverzekeringsarts M. Kleinjan aangegeven dat overwegend zittende arbeid de medische belastbaarheid van een diabetespatiënt niet overschrijdt. Dat appellant blijkens de informatie van de huisarts niet tot gebruik van een oraal antidiabeticum is te motiveren, is volgens de bezwaarverzekeringsarts evenmin basis om te stellen dat appellant arbeidsongeschikt is. Nu appellant in hoger beroep geen andersluidende medische informatie heeft overgelegd, ziet de Raad in hetgeen appellant heeft aangevoerd geen aanleiding om tot een ander oordeel te komen.

4.4. Gelet op hetgeen onder 4.1 tot en met 4.3 is overwogen, komt de Raad tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake de vergoeding van proceskosten.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C.P.J. Goorden, in tegenwoordigheid van L. van Eijndthoven als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 juli 2012.

(getekend) C.P.J. Goorden

(getekend) L. van Eijndthoven

KR