Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BX0228

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
04-07-2012
Datum publicatie
05-07-2012
Zaaknummer
11/7466 ZW + 11/7467 WIA + 12/1 ZW + 12/2 ZW + 12/3 ZW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Herziening
Inhoudsindicatie

Afwijzing het verzoek om herziening. In hetgeen door verzoekster bij het verzoek om herziening is aangevoerd, alsmede in de overgelegde verwijzingsbrief en de informatie van de reumatoloog aan de huisarts van 24 april 2012, heeft de Raad geen feiten of omstandigheden kunnen ontdekken die voldoen aan de drie in artikel 8:88 van de Awb omschreven cumulatieve voorwaarden. De Raad moet dan ook vaststellen dat verzoekster met het onderhavige verzoek heeft beoogd op basis van al bekende gegevens een - bij het rechtsmiddel van herziening niet passende - hernieuwde discussie te voeren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/7466 ZW, 11/7467 WIA, 12/1 ZW, 12/2 ZW, 12/3 ZW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het verzoek om herziening van de uitspraak van de Raad van 16 november 2011, 11/4806 t/m 4809 ZW en 11/4810 WIA

Partijen:

[Verzoekster], te [woonplaats] (verzoekster)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak 4 juli 2012.

PROCESVERLOOP

Verzoekster heeft verzocht om herziening van de uitspraak van de Raad van 16 november 2011.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 mei 2012. Verzoekster is met voorafgaand bericht niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. R. Spanjer.

OVERWEGINGEN

1.1. Ingevolge artikel 8:88, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in verbinding met artikel 21 van de Beroepswet kan de Raad op verzoek van een partij een onherroepelijk geworden uitspraak herzien op grond van feiten en omstandigheden die:

a. hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak,

b. bij de indiener van het verzoekschrift vóór de uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn, en

c. waren zij bij de Raad eerder bekend geweest, tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden.

1.2.1. Bij de uitspraak waarvan thans om herziening wordt gevraagd, heeft de Raad de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 15 juli 2011, 10/296 t/m 10/300, bevestigd.

1.2.2. In de gedingen 11/4806 t/m 4809 ZW is de Raad met de rechtbank tot het oordeel gekomen dat het Uwv zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat verzoekster op de in geding zijnde data van 20 oktober 2008, 29 april 2009, 22 oktober 2009 en 1 december 2009 in staat moet worden geacht haar arbeid te verrichten, zodat per die data geen recht (meer) bestaat op een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW). De Raad heeft daartoe overwogen dat het Uwv een juiste maatstaf heeft aangenomen voor het begrip “zijn arbeid” als bedoeld in artikel 19, vijfde lid, van de ZW. De Raad heeft verder geoordeeld dat de rechtbank terecht de door haar geraadpleegde deskundige, reumatoloog prof. dr. Sj. van der Linden, in zijn medisch oordeel heeft gevolgd dat verzoekster op de data in geding in staat moet worden geacht haar arbeid te verrichten. De Raad heeft geen reden gezien om aan te nemen dat er gebreken kleven aan het onderzoek door de deskundige of de conclusies die uit het onderzoek voortkomen.

1.2.3. In het geding 11/4810 WIA heeft de Raad geoordeeld dat het Uwv terecht heeft vastgesteld dat verzoekster met ingang van 8 juli 2009 geen recht heeft op een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen, nu de wachttijd niet is vervuld.

2.1. Naar vaste rechtspraak van de Raad, zoals deze blijkt uit onder andere zijn uitspraak van 3 oktober 2003 (LJN AN7982), kan in het kader van het (bijzondere) rechtsmiddel van herziening slechts worden beoordeeld of op grond van enig nieuw feit of enige nieuwe omstandigheid als bedoeld in artikel 8:88, eerste lid, van de Awb in verbinding met artikel 21 van de Beroepswet herziening aangewezen is. Een hernieuwde discussie over de betrokken zaak en de juistheid van de betrokken uitspraak kan in dit kader niet worden gevoerd.

2.2. Samengevat wordt door verzoekster kritiek naar voren gebracht op het rapport van de door de rechtbank als deskundige ingeschakelde reumatoloog Van der Linden. In dat kader voert zij onder meer aan dat zij uit een consult bij een specialist van het AZM op 12 december 2011 heeft begrepen dat al eerder een operatie in verband met het carpaal tunnelsyndroom (CTS) noodzakelijk was geweest en dat zij is doorverwezen naar een neurochirurg. Voorts heeft verzoekster kritiek op de bevindingen van het onderzoek naar het eigen werk en de vaststelling van de beperkingen.

2.3. De Raad stelt vast dat uit de door verzoekster overgelegde verwijzingsbrief van 12 december 2011 niet blijkt van een noodzaak van een operatie, die eerder onderkend had dienen te worden. Overigens heeft verzoekster reeds in de eerdere procedure in hoger beroep erop gewezen dat volgens het Uwv een operatie niet nodig is, terwijl die volgens haarzelf wel nodig zou zijn geweest, maar een te groot risico was. Voor het overige hebben de argumenten van verzoekster betrekking op een hernieuwde discussie over reeds bekende feiten en omstandigheden.

2.4. In hetgeen door verzoekster bij het verzoek om herziening is aangevoerd, alsmede in de overgelegde verwijzingsbrief en de informatie van de reumatoloog aan de huisarts van 24 april 2012, heeft de Raad geen feiten of omstandigheden kunnen ontdekken die voldoen aan de drie in artikel 8:88 van de Awb omschreven cumulatieve voorwaarden. De Raad moet dan ook vaststellen dat verzoekster met het onderhavige verzoek heeft beoogd op basis van al bekende gegevens een - bij het rechtsmiddel van herziening niet passende - hernieuwde discussie te voeren.

2.5. Gelet op het vorenstaande dient het verzoek om herziening van de uitspraak van de Raad van 16 november 2011, 11/4806 t/m 4809 ZW en 11/4810 WIA, dan ook te worden afgewezen.

3. Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep wijst het verzoek om herziening af.

Deze uitspraak is gedaan door C.P.J. Goorden, in tegenwoordigheid van L. van Eijndthoven als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 juli 2012. .

(getekend) C.P.J. Goorden

(getekend) L. van Eijndthoven

KR