Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BX0208

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
03-07-2012
Datum publicatie
04-07-2012
Zaaknummer
10-4647 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking bijstand en terugvordering. Schending inlichtingenverplichting. De omstandigheid dat een betrokkene gedurende een zekere periode op een markt of daarmee vergelijkbare plaats een kraam of standplaats huurt, terwijl vanuit die kraam of standplaats handelsactiviteiten worden uitgeoefend, rechtvaardigt de vooronderstelling dat de huurder die handelsactiviteiten voor eigen rekening en risico verricht of laat verrichten. Appellant is er niet in geslaagd het tegendeel aannemelijk te maken. Door de vastgestelde schending van de inlichtingenverplichting kan het recht op bijstand van appellant over de te beoordelen periode niet worden vastgesteld. Dat betekent dat het college bevoegd was om over die periode tot intrekking van bijstand over te gaan. De terugvordering is niet in strijd met het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/4647 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 14 juli 2010, 10/1253 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)

Datum uitspraak 3 juli 2012.

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J. Klaas, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 mei 2012. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Klaas. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. J.E. Carter.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant ontving van 2 maart 2004 tot 1 augustus 2009 algemene bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB).

1.2. Naar aanleiding van een bestandsvergelijking en een analyse van de Sociale Inlichtingen en -opsporingsdienst is bij het Interventieteam “Handhaving Beverwijkse Bazaar” het vermoeden ontstaan dat appellant werkzaamheden heeft verricht op de Beverwijkse Bazaar. Het college heeft vervolgens een onderzoek doen instellen naar de rechtmatigheid van de aan appellant verleende bijstand. De Dienst Werk en Inkomen, team Handhaving, heeft in dit kader onder andere informatie opgevraagd bij de Belastingdienst en appellant op 29 juni 2009 en 22 september 2009 als verdachte en [naam verdachte] op 3 augustus 2009 als getuige gehoord. De sociale recherche van de gemeente Almere heeft op 22 september 2009 [naam getuige] als getuige gehoord. De bevindingen van dat onderzoek zijn neergelegd in een rapport van

5 oktober 2009.

1.3. Het college heeft op basis van de onderzoeksresultaten geconcludeerd dat appellant in de periode van 26 april 2008 tot 5 oktober 2008 (periode 1) unit 25.325 huurde op de Beverwijkse Bazaar en dat appellant daar handelsactiviteiten verrichtte. Vanaf 11 oktober 2008 huurde [getuige] unit 25.325. De verklaringen van appellant en [getuige] hebben het college tot de conclusie geleid dat appellant ook in de periode van 6 oktober 2008 tot 1 augustus 2009 (periode 2) werkzaamheden op de Beverwijkse Bazaar verrichtte. Omdat appellant zijn werkzaamheden op de Bazaar en zijn inkomsten hieruit niet heeft gemeld, heeft het college zich op het standpunt gesteld dat appellant niet heeft voldaan aan de ingevolge artikel 17 van de WWB op hem rustende inlichtingenverplichting, waardoor het recht op bijstand niet is vast te stellen.

1.4. Bij besluit van 2 november 2009 heeft het college op de onder 1.3 vermelde grond de bijstand aan appellant over de periode van 26 april 2008 tot en met 31 juli 2009, met toepassing van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB ingetrokken en de over deze periode gemaakte kosten van bijstand met toepassing van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a van de WWB teruggevorderd tot een bedrag van € 18.256,68.

1.5. Bij besluit van 23 februari 2010 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van appellant tegen het besluit van 2 november 2009 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd. Hij voert aan dat hij de inlichtingenverplichting niet heeft geschonden. Hij heeft bij de gemeente gemeld dat hij stage ging lopen op de Bazaar. Voorts stelt appellant dat hij geen inkomen heeft ontvangen maar slechts een onkostenvergoeding van € 50,-- per week. Mocht deze onkostenvergoeding als inkomsten worden gezien dan kan het bedrag worden vastgesteld op ? 1.000,--. Appellant acht de terugvordering in strijd met het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel aangezien het terugvorderingbedrag aanzienlijk hoger is dan het bedrag dat hij daadwerkelijk als onkostenvergoeding heeft ontvangen. Ten slotte verzoekt appellant het college te veroordelen tot vergoeding van de geleden schade.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Ingevolge artikel 17, eerste lid, van de WWB, voor zover van belang, doet de belanghebbende aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op zijn arbeidsinschakeling of het recht op bijstand.

4.2. Zoals de Raad eerder heeft overwogen (CRvB, 20 april 2010, LJN BM1890, en 23 november 2010, LJN BO4894), rechtvaardigt de omstandigheid dat een betrokkene gedurende een zekere periode op een markt of daarmee vergelijkbare plaats, zoals de Beverwijkse Bazaar, een kraam of standplaats huurt, terwijl vanuit die kraam of standplaats handelsactiviteiten worden uitgeoefend, de vooronderstelling dat de huurder die handelsactiviteiten voor eigen rekening en risico verricht of laat verrichten. Het is dan aan de betrokkene om het tegendeel aannemelijk te maken.

4.3. Vaststaat dat appellant in periode 1 een unit op de Beverwijkse Bazaar huurde. Appellant heeft op 29 april 2008 gemeld dat hij voor een maand aan de slag was op de Beverwijkse Bazaar. Appellant heeft later verklaard dat hij ervaring wilde opdoen op de Bazaar en in dat kader voor een vriend, [vriend], speelgoed en batterijen verkocht en dat hij daarvoor slechts een onkostenvergoeding ontving. Appellant heeft echter niet aannemelijk gemaakt dat hij in de rest van periode 1 geen handelsactiviteiten voor eigen risico heeft verricht. Daarmee staat vast dat appellant gedurende een langere periode dan hij aan het college heeft gemeld, actief is geweest op de Beverwijkse Bazaar. Verder blijkt uit zijn verklaring, alsmede uit de verklaring van [vriend], dat appellant een deel van de dagopbrengst van de unit ontving, terwijl appellant aan het college geen melding heeft gedaan van enige inkomsten over deze periode. Hieruit volgt dat appellant, anders dan hij betoogt, over de gehele periode 1 de op hem rustende wettelijke inlichtingenverplichting heeft geschonden.

4.4. Nadat appellant de huur van unit 25.325 had opgezegd, heeft [getuige] vanaf 11 oktober 2008 deze unit gehuurd. Zowel appellant als [getuige] hebben verklaard dat zij vanaf dat moment samen de inkoop regelden, dat zij beiden de producten verkochten en de winst deelden (periode 2). Nu appellant van deze door hem verrichte handelsactiviteiten, alsmede van de daarmee verworven inkomsten geen melding heeft gedaan bij het college, heeft hij ook in deze periode de op hem rustende wettelijke inlichtingenverplichting geschonden.

4.5. Schending van de inlichtingenverplichting levert een rechtsgrond op voor intrekking van bijstand, indien als gevolg daarvan niet kan worden vastgesteld of, en zo ja in hoeverre, de betrokkene verkeert in bijstandbehoevende omstandigheden. Het is dan aan de betrokkene om aannemelijk te maken dat in het geval wel aan de inlichtingenverplichting zou zijn voldaan over de betreffende periode recht op (aanvullende) bijstand bestond.

4.6. Het standpunt van appellant dat hij voor zijn verkoopactiviteiten slechts een onkostenvergoeding van € 50,-- per week ontving, vindt geen steun in de gedingstukken. Uit de door appellant tijdens de bezwaarprocedure overgelegde verklaring van [H.] van 10 december 2009 blijkt niet duidelijk of deze verklaring afkomstig is van [H.] of van [vriend]. Verder blijkt uit de verklaringen van appellant en [vriend] dat appellant een deel van de dagopbrengst ontving. Dit is in tegenspraak met de verklaring over een vaste onkostenvergoeding. Uit de verklaring van [getuige] blijkt dat ook na oktober 2008 de inkomsten van appellant afhankelijk waren van de winst van de kraam. Appellant heeft geen enkele vorm van administratie van de inkomsten en uitgaven bijgehouden en heeft ook nadien op geen enkele wijze concreet en verifieerbaar inzicht verschaft in de exacte omvang van zijn werkzaamheden en de in die periode verkregen inkomsten. Dat appellant niet of niet meer in staat is dergelijke gegevens aan te leveren ligt, gegeven de schending van de inlichtingenverplichting, geheel in zijn risicosfeer.

4.7. Uit hetgeen onder 4.1 tot en met 4.6 is overwogen vloeit voort dat door de vastgestelde schending van de inlichtingenverplichting het recht op bijstand van appellant over de te beoordelen periode niet kan worden vastgesteld. Dat betekent dat het college op grond van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB bevoegd was om over die periode tot intrekking van bijstand over te gaan. Appellant heeft de uitoefening van deze bevoegdheid niet bestreden. Uit het vorenstaande vloeit tevens voort dat aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB is voldaan, zodat het college bevoegd was om de kosten van bijstand over de te beoordelen periode terug te vorderen.

4.8. Appellant betoogt dat de terugvordering in strijd is met het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel, omdat veel meer wordt teruggevorderd dan het bedrag dat hij aan onkostenvergoeding heeft ontvangen. Dit betoogt faalt. Juist omdat appellant zijn inlichtingenverplichting heeft geschonden en hij ook de omvang van zijn inkomsten niet aannemelijk heeft kunnen maken, kan zijn recht op bijstand in de te beoordelen periode niet worden vastgesteld. De uitoefening van de bevoegdheid tot terugvordering is dan ook niet in strijd met de door appellant genoemde beginselen.

4.9. Uit hetgeen onder 4.1 tot en met 4.8 is overwogen vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt. Daarom bestaat geen grond het verzoek om veroordeling tot schadevergoeding toe te wijzen.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

-bevestigt de aangevallen uitspraak;

-wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.

Deze uitspraak is gedaan door O.L.H.W.I. Korte als voorzitter en J.F. Bandringa en E.C.R. Schut als leden, in tegenwoordigheid van M.R. Schuurman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 3 juli 2012.

(get.) O.L.H.W.I. Korte.

(get.) M.R. Schuurman.

HD