Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BX0189

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
03-07-2012
Datum publicatie
04-07-2012
Zaaknummer
10-841 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering verzoek terug te komen van een eerder genomen besluit. De stelling van appellant dat in het bestreden besluit geen sprake is van een kenbare heroverweging in bezwaar maar dat slechts sprake is van een herhaling van de motivering van het eerdere besluit is feitelijk onjuist. Er is geen sprake van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden, aangezien de aangevoerde omstandigheden ook in een bezwaar tegen het eerdere besluit hadden kunnen worden aangevoerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/841 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 29 december 2009, 09/3900 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)

Datum uitspraak 3 juli 2012.

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. F. Verkerk, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 mei 2012. Deze zaak is gevoegd behandeld met de zaken 10/866 WWB, 11/668 WWB en 11/6740 WWB. Appellant is, met bericht, niet verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M. Mulders en B.A. Veenendaal. In de gevoegde zaken wordt heden afzonderlijk uitspraak gedaan.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Bij besluit van 2 september 2002 heeft het college de eerder aan appellant verleende bijstand over de periode van 14 juli 1997 tot en met 31 januari 2002 herzien op de grond dat appellant zijn inlichtingenverplichting heeft geschonden door niet te melden dat hij gedurende die periode inkomsten uit arbeid heeft gehad. Daardoor heeft appellant te veel bijstand ontvangen. Voorts heeft het college de over die periode ten onrechte gemaakte kosten van bijstand van appellant teruggevorderd. Appellant heeft tegen dit besluit geen rechtsmiddelen aangewend.

1.2. In het bezwaarschrift van 29 april 2008 gericht tegen een besluit van 19 oktober 2007 heeft appellant, voor zover hier relevant, het college tevens verzocht te erkennen dat de schulden niet het gevolg zijn van fraude. Het college heeft dit verzoek opgevat als een verzoek om terug te komen van het besluit van 2 september 2002 en dat verzoek in de beslissing op bezwaar van 24 oktober 2008 afgewezen. Hieraan heeft het college ten grondslag gelegd dat appellant op 3 januari 2002 is gehoord door medewerkers van de sociale recherche en dat zijn bij die gelegenheid afgelegde verklaring neerkomt op de erkenning dat hij de betreffende inkomsten inderdaad opzettelijk heeft verzwegen. Er zijn geen nieuwe feiten gebleken die reden vormen de terugvordering te herzien.

1.3. De rechtbank heeft in een eerdere beroepsprocedure het besluit van 24 oktober 2008 ten aanzien van het verzoek tot wijziging van de grondslag van de terugvordering aangemerkt als een primair besluit, zodat het daartegen gerichte beroep als bezwaarschrift moet worden behandeld. Bij besluit van 16 juli 2009 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 24 oktober 2008 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellant zich op de hierna te bespreken gronden tegen de uitspraak van de rechtbank gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Het besluit van 2 september 2002 is in rechte onaantastbaar geworden. Het in dit geding aan de orde zijnde verzoek van 29 april 2008 strekt ertoe dat het college van dit eerdere, ambtshalve genomen, besluit terugkomt.

4.2. Overeenkomstig hetgeen voor herhaalde aanvragen is bepaald in artikel 4.6 van de Algemene wet bestuursrecht mag van degene die een bestuursorgaan verzoekt van een eerder ambtshalve genomen besluit terug te komen worden verlangd dat bij dit verzoek nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld die zulk een terugkomen kunnen rechtvaardigen. De bestuursrechter dient het oorspronkelijke besluit tot uitgangspunt te nemen en zich in beginsel te beperken tot de vraag of sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden en, zo ja, of het bestuursorgaan daarin aanleiding had behoren te vinden om het oorspronkelijke besluit te herzien. Het vorenstaande betekent dat de rechtbank, anders dan appellant meent, de juiste toets heeft aangelegd.

Het standpunt van appellant dat sprake dient te zijn van een volledige heroverweging, waarbij alle inhoudelijke aspecten opnieuw in overweging dienen te worden genomen, ook als geen sprake is van nieuwe feiten of omstandigheden, moet worden verworpen.

4.3. De stelling van appellant dat in het bestreden besluit geen sprake is van een kenbare heroverweging in bezwaar maar dat slechts sprake is van een herhaling van de motivering van het besluit van 24 oktober 2008 is feitelijk onjuist. Het college heeft in het bestreden besluit weliswaar de motivering van het besluit van 24 oktober 2008 herhaald, maar is in het bestreden besluit tevens ingegaan op de door appellant in bezwaar aangevoerde argumenten.

4.4. Ter ondersteuning van zijn verzoek om terug te komen van het besluit van 2 september 2002 heeft appellant aangevoerd dat bij hem sprake was van medische problematiek waardoor hij zich niet altijd even goed van zijn verplichtingen bewust was en dat hij de Nederlandse taal maar beperkt machtig was. De rechtbank heeft terecht overwogen dat het daarbij niet gaat om nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden, aangezien deze omstandigheden ook in een bezwaar tegen het besluit van 2 september 2002 hadden kunnen worden aangevoerd.

4.5 Uit 4.1 tot en met 4.4 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door E.J.M. Heijs als voorzitter en W.H. Bel en Y.J. Klik als leden, in tegenwoordigheid van A.C. Oomkens als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 3 juli 2012.

(getekend) E.J.M. Heijs

(getekend) A.C. Oomkens

HD