Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BX0187

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
26-06-2012
Datum publicatie
03-07-2012
Zaaknummer
10-1068 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag om bijstand. Het gedurende het hoger beroep genomen besluit waarbij aan appellante als gevolg van de verlening van een vergunning tot verblijf alsnog met terugwerkende kracht bijstand is verleend, brengt mee dat het bestreden besluit, waaraan ten grondslag ligt dat appellante over de te beoordelen periode geen recht heeft op bijstand, niet in stand kan blijven. Vernietiging aangevallen uitspraak. Het verzoek om het college te veroordelen tot vergoeding van immateriële schade wordt afgewezen. De stelling van appellante dat het nieuwe besluit op bezwaar onrechtmatig is, omdat het college ten onrechte heeft geweigerd de kosten van bezwaar te vergoeden, treft geen doel. Het beroep tegen het nieuwe besluit is ongegrond.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 7:15
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 2012/203
ABkort 2012/258
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/1068 WWB, 12/1817 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 29 januari 2010, 09/4197 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)

Datum uitspraak: 26 juni 2012

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. W.G. Fischer, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben nadere stukken ingediend, waaronder een herziene beslissing op bezwaar van 23 maart 2012.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 april 2012. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Fischer. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. S.S. Kisoentewari.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante heeft de Chinese nationaliteit. Zij heeft zich op 3 juni 2009 gemeld om bijstand aan te vragen op grond van de Wet werk en bijstand (WWB).

1.2. Bij besluit van 7 juli 2009 heeft het college de aanvraag om bijstand van appellante afgewezen.

1.3. Bij besluit van 21 augustus 2009 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 7 juli 2009 ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit ligt het volgende ten grondslag. Appellante heeft geen recht op bijstand, omdat zij in afwachting is van een vergunning tot verblijf en niet wordt gelijkgesteld met een Nederlander als bedoeld in artikel 11, tweede en derde lid, van de WWB. Appellante komt ook niet in aanmerking voor bijstand op grond van zeer dringende redenen als bedoeld in artikel 16, eerste lid, WWB, omdat zij hiervan ingevolge artikel 16, tweede lid, van de WWB is uitgesloten.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3.1. Bij besluit van 28 januari 2011 heeft de Minister voor Immigratie en Asiel aan appellante met ingang van 6 mei 2009 een vergunning tot verblijf voor bepaalde tijd onder de beperking ‘voortgezet verblijf’ verleend.

3.2. Naar aanleiding van de verlening van deze vergunning tot verblijf heeft appellante op 16 maart 2011 een nieuwe aanvraag om bijstand ingediend.

3.3. Bij besluit van 22 maart 2011 heeft het college aan appellante met ingang van 16 maart 2011 bijstand verleend.

3.4. Voorts heeft het college bij besluit van 23 maart 2012 een herziene beslissing op bezwaar genomen. Daarbij heeft het college het besluit van 7 juli 2009 herroepen, aan appellante alsnog bijstand verleend over de periode van 3 juni 2009 tot en met 15 maart 2011 en over die periode wettelijke rente toegekend. Het verzoek van appellante om vergoeding van de kosten in bezwaar is afgewezen op de grond dat het bestreden besluit destijds op goede gronden is genomen.

4. Appellante heeft in hoger beroep, samengevat en voor zover thans nog van belang, het volgende tegen de aangevallen uitspraak en het besluit van 23 maart 2012 aangevoerd. Het besluit van 7 juli 2009 tot afwijzing van haar aanvraag om bijstand, zoals gehandhaafd bij het bestreden besluit, is genomen in strijd met het in artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) neergelegde recht op gezinsleven. Door de weigering van het college om haar bijstand te verlenen, kon zij, bij gebrek aan financiële middelen, de niet bij haar wonende minderjarige kinderen minder vaak bezoeken dan zij wenste en geen cadeautjes voor hen kopen of leuke dingen met hen doen. De immateriële schade die zij hierdoor heeft geleden, is begroot op € 8.000,--. In dit bedrag is tevens schade verdisconteerd die is veroorzaakt door onrechtmatig optreden jegens haar en haar kinderen door andere bestuursorganen. De Raad kan het college opdragen in contact te treden met deze andere bestuursorganen teneinde tot een verdeling van de gevorderde schadevergoeding te komen. Het college heeft voorts ten onrechte geweigerd de door haar gemaakte kosten in bezwaar te vergoeden.

5. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

5.1. Het besluit van 23 maart 2012 dient te worden aangemerkt als een besluit als bedoeld in artikel 6:18 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en zal, gelet op artikel 6:19, eerste lid, in verbinding met artikel 6:24 van de Awb, in de beoordeling worden betrokken.

5.2. Nu appellante stelt immateriële schade te hebben geleden als gevolg van het bestreden besluit, heeft zij belang behouden bij een beoordeling van het bestreden besluit.

De aangevallen uitspraak en het bestreden besluit

5.3. In geval van een aanvraag om bijstand bestrijkt de door de bestuursrechter te beoordelen periode in beginsel de periode vanaf de datum van de aanvraag tot en met de datum van het primaire besluit. Dit betekent dat in dit geval de te beoordelen periode loopt van 3 juni 2009 tot en met 7 juli 2009.

5.4. Het onder 3.4 vermelde besluit, waarbij aan appellante als gevolg van de verlening van een vergunning tot verblijf op 28 januari 2011 alsnog met terugwerkende kracht over de periode van 3 juni 2009 tot en met 15 maart 2011 bijstand is verleend, brengt mee dat het bestreden besluit, waaraan ten grondslag ligt dat appellante over de te beoordelen periode geen recht heeft op bijstand, niet in stand kan blijven. Dit betekent dat ook de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking komt.

5.5. Vervolgens dient te worden beoordeeld of er grond is het college te veroordelen tot vergoeding van immateriële schade die appellante stelt te hebben geleden als gevolg van het onrechtmatige bestreden besluit. De Raad verstaat het standpunt van appellante aldus dat het college het recht op respect voor haar gezinsleven als bedoeld in artikel 8 van het EVRM heeft geschonden door haar aanvraag om bijstand af te wijzen als gevolg waarvan zij is belemmerd in de uitoefening van haar gezinsleven met haar niet bij haar wonende minderjarige kinderen.

5.6. Bij het beantwoorden van de vraag of aanleiding bestaat om immateriële schadevergoeding toe te kennen, dient naar vaste rechtspraak van de Raad - zie bijvoorbeeld de uitspraak van 1 november 1995, LJN ZB1495 - zoveel mogelijk aansluiting te worden gezocht bij het civielrechtelijk schadevergoedingsrecht. Ingevolge artikel 6:106, eerste lid, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek (BW), voor zover hier van belang, heeft de benadeelde bij immateriële schade recht op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding indien de benadeelde in zijn persoon is aangetast. De Raad heeft eerder overwogen - zie bijvoorbeeld de uitspraak van 8 juni 2010, BM8044 - dat een ernstige inbreuk op een fundamenteel recht, waaronder het recht op respect voor het gezinsleven als bedoeld in artikel 8 van het EVRM, moet worden aangemerkt als een aantasting van de persoon als bedoeld in artikel 6:106 van het BW. De vraag of sprake is van feitelijk letsel is daarbij niet van belang (vergelijk de arresten van de Hoge Raad van 9 juli 2004, LJN AO7721 en 18 maart 2005, LJN AR5213).

5.7. Appellante behoorde ten tijde van belang niet tot de kring van bijstandsgerechtigden en aan haar kon, gelet op artikel 16, tweede lid, van de WWB, zelfs uit hoofde van zeer dringende redenen als bedoeld in het eerste lid geen bijstand worden toegekend. Ook indien zou moeten worden aangenomen dat ten aanzien van appellante destijds een positieve verplichting bestond om recht te doen aan artikel 8 van het EVRM, kon die positieve verplichting niet met toepassing van de WWB gestalte worden gegeven (zie de uitspraken van de Raad van onder meer 9 november 2011, LJN BU4382, en 11 januari 2012, BV0611). Dit brengt mee dat reeds hierom niet kan worden geoordeeld dat het college met de afwijzing van de aanvraag om bijstand van appellante een ernstige inbreuk op het recht op respect voor haar gezinsleven als bedoeld in artikel 8 van het EVRM heeft gepleegd.

5.8. Uit 5.6 en 5.7 volgt dat het verzoek om het college te veroordelen tot vergoeding van immateriële schade moet worden afgewezen. Het standpunt van appellante dat de immateriële schade mede is veroorzaakt door andere bestuursorganen dan het college, dient in het kader van de onderhavige procedure buiten beschouwing te blijven.

Het besluit van 23 maart 2012

5.9. Bij het besluit van 23 maart 2012 heeft het college het besluit van 7 juli 2009 herroepen en aan appellante alsnog bijstand verleend met ingang van 3 juni 2009.

5.10. De stelling van appellante dat dit besluit onrechtmatig is, omdat het college ten onrechte heeft geweigerd de kosten van bezwaar te vergoeden, treft geen doel. Ingevolge artikel 7:15, tweede lid, eerste volzin, van de Awb worden de kosten die de belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken, door het bestuursorgaan uitsluitend vergoed op verzoek van de belanghebbende voor zover het bestreden besluit wordt herroepen wegens aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid. Nu het besluit van 7 juli 2009 niet is herroepen wegens aan het college te wijten onrechtmatigheid, maar als gevolg van de omstandigheid dat haar op 28 januari 2011 een vergunning tot verblijf is verleend met ingang van 6 mei 2009, heeft het college het verzoek om vergoeding van de kosten in bezwaar terecht afgewezen (vergelijk de uitspraak van de Raad van 19 oktober 2010, LJN BO1322, en de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 24 februari 2011, LJN BP6331).

5.11. Uit 5.10 volgt dat het beroep tegen het besluit van 23 maart 2012 ongegrond is.

6. Tot slot bestaat aanleiding het college te veroordelen in de proceskosten van appellante. Deze worden begroot op € 644,-- in beroep en € 874,-- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 21 augustus 2009 gegrond en vernietigt dit besluit;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 23 maart 2012 ongegrond;

- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af;

- veroordeelt het college in de kosten van appellante in beroep tot een bedrag van € 644,--, te betalen aan de griffier van de Raad en in hoger beroep tot een bedrag van € 874,--;

- bepaalt dat het college aan appellante het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 151,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door E.J.M. Heijs als voorzitter en M. Hillen en Y.J. Klik als leden, in tegenwoordigheid van E. Heemsbergen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 juni 2012.

(getekend) E.J.M. Heijs

(getekend) E. Heemsbergen

HD