Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BX0183

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
03-07-2012
Datum publicatie
04-07-2012
Zaaknummer
10-866 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vaststelling aflossingsverplichting. De omvang van schulden is bij het vaststellen van de aflossingscapaciteit voor de terugvorderingschuld niet van belang, omdat de vordering van het college voorgaat op de afbetaling van andere schulden. Deze andere schulden konden dan ook bij de vaststelling van de aflossingsverplichting van appellant buiten beschouwing worden gelaten. Appellant heeft niet met gegevens onderbouwd dat en waarom de berekening van het aflossingsbedrag op grond van de door hem verstrekte financiële gegevens onjuist zou zijn. Geen sprake van een motiveringsgebrek.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/866 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 29 december 2009, 09/3876 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)

Datum uitspraak 3 juli 2012.

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. F. Verkerk, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 mei 2012. De zaak is gevoegd behandeld met de zaken 10/841 WWB, 11/668 WWB en 11/6740 WWB. Appellant is, met bericht, niet verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M. Mulders en B.A. Veenendaal. In de gevoegde zaken wordt heden afzonderlijk uitspraak gedaan.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Het college heeft op grond van de besluiten van 2 september 2002 en 19 oktober 2007 een vordering op appellant ter zake van terugvordering van in het verleden teveel ontvangen bijstand. Het saldo van de nog openstaande vordering bedroeg op 17 april 2009 € 27.099,86.

1.2. Na een periodiek heronderzoek heeft het college de aflossingsverplichting van appellant bij besluit van 15 mei 2009 met ingang van 1 juni 2009 vastgesteld op een bedrag van € 752,30 per maand.

1.3. Bij besluit van 16 juli 2009 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 15 mei 2009 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat hij het aflossingsbedrag te hoog vindt. Door de omvang van zijn schulden kan hij niet aan de aflossingsverplichting voldoen. Hij heeft deze schulden met stukken onderbouwd en deze zijn ten onrechte niet meegenomen bij het vaststellen van zijn draagkracht. Met de enkele verwijzing naar het besluit in een andere procedure is het bestreden besluit onvoldoende gemotiveerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. In artikel 60, zesde lid, van de Wet werk en bijstand (WWB) is bepaald dat terugvordering van de kosten van bijstand als bedoeld in de artikelen 58 en 59 van de WWB bevoorrecht is en onmiddellijk volgt na de vorderingen die in artikel 288 van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek zijn omschreven.

4.2. In hoger beroep heeft appellant alleen te kennen gegeven dat hij door de omvang van zijn schulden niet aan de aflossingsverplichting kan voldoen. De omvang van deze schulden is echter bij het vaststellen van de aflossingscapaciteit voor de terugvorderingschuld niet van belang, omdat de vordering van het college voorgaat op de afbetaling van andere schulden. Deze andere schulden konden dan ook bij de vaststelling van de aflossingsverplichting van appellant buiten beschouwing worden gelaten. De beroepsgrond van appellant slaagt dus niet.

4.3. Appellant heeft weliswaar gesteld dat het aflossingsbedrag te hoog is, maar hij heeft niet met gegevens onderbouwd dat en waarom de berekening van het aflossingsbedrag op grond van de door hem verstrekte financiële gegevens onjuist zou zijn. Deze beroepsgrond faalt dan ook.

4.4. De verwijzing naar een andere beslissing in het bestreden besluit is alleen opgenomen in verband met het in bezwaar door appellant ingenomen standpunt dat de terugvordering nog niet definitief vaststaat. De beroepsgrond van appellant dat op grond daarvan sprake is van een motiveringsgebrek wordt verworpen.

4.5. Uit 4.1 tot en met 4.4 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak wordt bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door E.J.M. Heijs als voorzitter en W.H. Bel en Y.J. Klik als leden, in tegenwoordigheid van A.C. Oomkens als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 3 juli 2012.

(getekend) E.J.M. Heijs

(getekend) A.C.Oomkens

HD