Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BX0134

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
27-06-2012
Datum publicatie
03-07-2012
Zaaknummer
10-6403 WW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering WW-uitkering. Verwijtbaar werkloos. De rechtbank heeft terecht tot uitgangspunt genomen dat het aan appellant is om zijn stelling te onderbouwen dat hij door ernstige psychische klachten ten tijde van het ontslag de gevolgen van zijn beslissing niet kon overzien, zodat hem zijn handelen niet kan worden aangerekend. Al de gegevens samen wijzen niet in de richting dat appellant ten tijde van zijn ontslagname in een zodanige paniektoestand verkeerde dat hem niet kan worden aangerekend dat hij zijn arbeidsovereenkomst heeft prijs gegeven. De rechtbank kan worden gevolgd in haar oordeel dat met de brief van de psychiaters niet aannemelijk is gemaakt dat appellant tijdens het ontslag als gevolg van zijn depressieve klachten en suïcidale gedachten niet in staat was zelfstandig te handelen. Uit de informatie van de psychiater is evenmin een verband naar voren gekomen tussen de omstandigheden waarin appellant bij zijn werkgever zijn werkzaamheden heeft verricht en de paniektoestand die na zes dagen werken zou zijn ontstaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/6403 WW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 20 oktober 2011, 10/2690 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 27 juni 2012

PROCESVERLOOP

Namens appellant is hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 mei 2012. Appellant is verschenen en bijgestaan door mr. J.J. Blok, advocaat. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.J. Grasmeijer.

OVERWEGINGEN

1.1. Appellant heeft met ingang van 30 september 2008 ontslag genomen uit zijn dienstbetrekking met [A. B.V.] Met ingang van 20 oktober 2008 is hij in dienst getreden bij [B. B.V.]. Op 28 oktober 2008 heeft appellant de arbeidsovereenkomst met [B. B.V.] beeindigd. Met een aanvraag van 30 november 2009 heeft appellant het Uwv verzocht hem met ingang van 28 oktober 2008 in aanmerking te brengen voor een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW).

1.2. Het Uwv heeft op 7 december 2009 op de aanvraag van appellant afwijzend beslist. Appellant wordt verwijtbaar werkloos geacht omdat hij ontslag heeft genomen zonder dat dit noodzakelijk was.

1.3. Bij besluit van 5 maart 2010 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant ongegrond verklaard en zijn het besluit van 7 december 2009 gehandhaafd.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft het Uwv gevolgd in zijn standpunt dat niet aannemelijk is geworden dat aan de voortzetting van het dienstverband met [B. B.V.] voor appellant dusdanige bezwaren waren verbonden dat die voortzetting niet van hem kon worden gevergd.

3.1. Appellant heeft in hoger beroep herhaald dat hij ten tijde van zijn ontslagname als gevolg van omstandigheden op het werk en in zijn privesituatie burnoutklachten had, depressief en suïcidaal was, zodat hem zijn ontslagname niet kan worden aangerekend en van verwijtbare werkloosheid geen sprake is.

3.2 Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. In artikel 24, eerste lid, aanhef en onder a, van de WW is bepaald dat de werknemer voorkomt dat hij verwijtbaar werkloos wordt. Op grond van artikel 24, tweede lid, aanhef en onder b, van de WW is de werknemer verwijtbaar werkloos geworden indien de dienstbetrekking is beëindigd door of op verzoek van de werknemer zonder dat aan de voortzetting ervan zodanige bezwaren waren verbonden, dat deze voortzetting redelijkerwijs niet van hem kon worden gevergd. In artikel 27, eerste lid, van de WW is bepaald dat, indien de werknemer de verplichting op grond van artikel 24, eerste lid, onderdeel a, van de WW opgelegd, niet is nagekomen, het Uwv de uitkering blijvend geheel weigert, tenzij het nakomen van de verplichting de werknemer niet in overwegende mate kan worden verweten.

4.2. De rechtbank heeft terecht tot uitgangspunt genomen dat het aan appellant is om zijn stelling te onderbouwen dat hij door ernstige psychische klachten ten tijde van het ontslag de gevolgen van zijn beslissing niet kon overzien, zodat hem zijn handelen niet kan worden aangerekend.

4.3. Vaststaat dat appellant kort voor en ten tijde van zijn ontslagname niet onder medische behandeling was en geen medicatie gebruikte in verband met psychische problematiek. Omtrent zijn ontslagname heeft appellant ter zitting uiteengezet dat hij op 28 oktober 2008 in de ochtend, nadat hij zijn werkzaamheden had aangevangen, om een gesprek met zijn leidinggevende heeft gevraagd. Appellant heeft gewerkt tot dat gesprek aan het einde van de middag heeft plaatsgevonden. Aan zijn leidinggevende heeft hij toen kenbaar gemaakt dat hij ontslag nam en daarna heeft hij het werk verlaten. Hij is volgens zijn zeggen in verwarde toestand naar huis gegaan. Maar hij heeft vervolgens thuis op de gebruikelijke wijze voor zijn zieke moeder gezorgd. Bij de gedingstukken bevinden zich een e-mailbericht en een brief waaruit blijkt dat appellant op 28 oktober 2008 en 30 oktober 2008 met helder gestelde geschriften heeft gesolliciteerd naar betrekkingen bij nieuwe werkgevers. Al deze gegevens samen wijzen niet in de richting dat appellant ten tijde van zijn ontslagname in een zodanige paniektoestand verkeerde dat hem niet kan worden aangerekend dat hij zijn arbeidsovereenkomst heeft prijs gegeven.

4.4. Appellant heeft een brief ingebracht van psychiater F. Asmus, verbonden aan MoleMann Mental Health Clinics van 24 september 2009 en een ongedateerde, door de gemachtigde van appellant op 9 mei 2011 ontvangen, brief van psychiater W. van der Krans, die aan hetzelfde instituut is verbonden. Uit deze brieven blijkt dat appellant op 30 oktober 2008 met spoed is gezien in verband met suïcidale klachten en paniek. Van de bij de intake door appellant gedane mededelingen heeft psychiater Van der Krans genoteerd dat appellant zijn baan bij [B. B.V.] min of meer in paniek na een week heeft beëindigd, daarna geen zekerheid meer had, piekerde en rampscenario's voorzag. Appellant dacht het niet meer aan te kunnen als er nog meer tegen zou zitten. Uit deze mededelingen heeft Van der Krans afgeleid dat geen sprake kan zijn geweest van een weloverwogen beslissing toen appellant ontslag nam. Van mensen die in paniek zijn, is volgens Van der Krans bekend dat zij niet tot rationeel denken in staat zijn. En appellant stond, zo is hem tijdens de intake gebleken, al lange tijd onder grote druk doordat hij naast een drukke baan de zorg voor zijn zeer ernstig zieke moeder op zich had genomen.

4.5. De rechtbank kan worden gevolgd in haar oordeel dat met de brief van Asmus, die inzicht heeft gegeven in het verloop van de behandeling van appellant, niet aannemelijk is gemaakt dat appellant tijdens het ontslag als gevolg van zijn depressieve klachten en suïcidale gedachten niet in staat was zelfstandig te handelen. Anders dan appellant meent, is ook met de brief van Van der Krans niet de stelling van appellant onderbouwd dat appellant op 28 oktober 2008 in een zodanige psychische toestand verkeerde dat van hem niet kon worden gevergd zijn arbeidsovereenkomst met [B. B.V.] voort te zetten. Van der Krans heeft appellant op 28 oktober 2008 niet gezien en heeft over de door appellant gestelde paniektoestand op die dag niet kunnen verklaren.

4.6. Uit de informatie van Van der Krans is evenmin een verband naar voren gekomen tussen de omstandigheden waarin appellant bij [B. B.V.] zijn werkzaamheden heeft verricht en de paniektoestand die na zes dagen werken op 28 oktober 2008 zou zijn ontstaan. Appellant heeft in bezwaar op de hoorzitting verklaard dat het feit dat hij ontslag nam niet aan [B. B.V.] lag. Hij had gedacht twee of drie maanden rust te nemen en dan weer aan de slag te gaan. Dit duidt er eerder op dat van een paniektoestand ten tijde van het ontslag nog geen sprake was, maar dat appellant in paniek is geraakt toen hij na zijn ontslagname de gevolgen daarvan overzag.

4.7. Net als de rechtbank komt de Raad tot de conclusie dat appellant verwijtbaar werkloos is geworden, zodat het Uwv tot blijvend gehele weigering van een WW-uitkering aan appellant gehouden was. De verzamelde feiten bieden geen aanknopingspunten voor het standpunt van appellant dat hem zijn handelen niet volledig kan worden verweten. Van een verminderde mate van verwijtbaarheid is geen sprake.

4.8. Uit 4.1 tot en met 4.7 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door G.A.J. van den Hurk als voorzitter en M. Greebe en F.A.M. Stroink als leden, in tegenwoordigheid van E. Heemsbergen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 27 juni 2012.

(getekend) G.A.J. van den Hurk

(getekend) E. Heemsbergen

CVG