Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BX0116

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
27-06-2012
Datum publicatie
02-07-2012
Zaaknummer
08-1999 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering herziening WAO-uitkering. Er is geen aanleiding de bevindingen van de bezwaarverzekeringsarts voor onvolledig of onjuist te houden. Tussen partijen is niet in geschil dat de thans vastgestelde beperkingen ten opzichte van de eerder vastgestelde beperkingen die na arbeidskundige beoordeling hebben geleid tot een arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45% zijn toegenomen. Het Uwv heeft dan ook terecht arbeidskundig onderzoek verricht. Hieruit volgt dat de rechtbank ten onrechte de arbeidskundige grondslag niet heeft beoordeeld. Vernietiging aangevallen uitspraak, voor zover daarbij niet is beslist over de arbeidskundige grondslag. De Raad doet dit alsnog. De bezwaararbeidsdeskundige heeft op inzichtelijke wijze gemotiveerd waarom de belasting in de geduide functies geen overschrijding oplevert van de belastbaarheid van appellant. Bevestiging aangevallen uitspraak voor het overige.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/1999 WAO (gerectificeerde uitspraak)

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 10 maart 2008, 07/2246 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[A. te B. ] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 27 juni 2012

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. E. van der Heijden hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 oktober 2009. Appellant is, met bericht, niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W.P.F. Oosterbos.

Na de behandeling van het geding ter zitting van de Raad is gebleken dat het onderzoek niet volledig is geweest, in verband waarmee de Raad heeft besloten het onderzoek te heropenen.

Door het Uwv zijn desgevraagd nadere stukken in het geding gebracht.

Desgevraagd hebben partijen toestemming gegeven het onderzoek ter zitting van de Raad achterwege te laten. Gelet op de verleende toestemming heeft de Raad het onderzoek gesloten.

OVERWEGINGEN

1.1. Appellant was werkzaam als grondwerker en heeft deze werkzaamheden op 1 december 1994 gestaakt in verband met diabetes mellitus type I, chronische darmklachten en chronische hyperventilatie. Appellant is met ingang van 20 september 1995 in aanmerking gebracht voor een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), die laatstelijk na een medische en arbeidskundige herbeoordeling in 2005 werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%.

1.2. Appellant heeft het Uwv medio 2006 verzocht om een herziening van zijn uitkering in verband met een toeneming van zijn klachten. Naar aanleiding van dit verzoek heeft appellant op 27 september 2006 het spreekuur bezocht van de verzekeringsarts C.J. Ockeloen. Deze arts is tot de conclusie gekomen dat ten opzichte van de herbeoordeling in 2005 bij appellant per 1 januari 2006 sprake is van toegenomen beperkingen. Bij besluit van 24 november 2006 heeft het Uwv appellant meegedeeld dat zijn uitkering met ingang van 29 januari 2006 niet wordt herzien. Dit besluit berust op het standpunt dat de medische beperkingen van appellant, voortkomend uit dezelfde oorzaak als die ter zake waarvan appellant een uitkering ontvangt, sinds 1 januari 2006 weliswaar zijn toegenomen, maar dat uit arbeidskundig onderzoek niet is gebleken van een relevante toename van de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant. Na een herbeoordeling door de bezwaarverzekeringsarts M.E.J. van Hooff, heeft het Uwv het bezwaar van appellant bij besluit van

4 april 2007 (bestreden besluit) ongegrond verklaard en het besluit van 24 november 2006 gehandhaafd.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het tegen het bestreden besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard. Zij is van oordeel dat het bestreden besluit op zorgvuldig medisch onderzoek berust en dat het Uwv de belastbaarheid van appellant juist heeft weergegeven in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 23 februari 2007, zoals vastgesteld in het kader van de heroverweging in bezwaar. De rechtbank heeft daaruit de conclusie getrokken dat er bij appellant met ingang van 29 januari 2006 daarom géén sprake is van toegenomen medische beperkingen in de zin van artikel 39a van de WAO, waardoor naar het oordeel van de rechtbank niet wordt toegekomen aan de toetsing van de arbeidsdeskundige grondslag van het bestreden besluit.

3. Appellant betwist in hoger beroep de juistheid van de aangevallen uitspraak. Hij kan zich niet vinden in het oordeel van de rechtbank dat het bestreden besluit op een zorgvuldig medisch onderzoek berust. Daartoe voert appellant aan dat de bezwaarverzekeringsarts niet inzichtelijk heeft onderbouwd waarom hij voor de psychische klachten minder beperkingen heeft aangenomen dan de verzekeringsarts heeft gedaan. Appellant stelt dat zijn medische situatie ten tijde in geding slechter was dan door de bezwaarverzekeringsarts is aangenomen, nu sprake is van een progressieve aandoening en ernstige verslavingsproblematiek. Betreffende de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit voert appellant aan dat de rechtbank ten onrechte heeft nagelaten de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit te toetsen. Toetsing hiervan was aangewezen nu het Uwv appellant ten opzichte van de verzekeringsgeneeskundige beoordeling in 2005 wel degelijk meer beperkt heeft geacht, zoals blijkt uit de FML van 23 februari 2007. Appellant acht voorts de aan hem voorgehouden functies, waarin sprake is van een verhoogd persoonlijk risico, medisch niet passend.

4.1. De Raad overweegt als volgt.

4.2.1. De bezwaarverzekeringsarts Van Hooff heeft appellant op de hoorzitting van 23 februari 2007 gezien, hij heeft het dossier bestudeerd en hij heeft bij de beoordeling alle voorhanden medische informatie meegewogen.

4.2.2. Omdat appellant vanaf 1999 jaren heeft gewerkt en daarbij normaal heeft gefunctioneerd, appellant niet onder behandeling was van een psychiater of neuroloog en er geen medische gegevens bestaan die erop wijzen dat sprake is van een verslechtering van de medische situatie ten opzichte van de periode 1999 tot en met 2005, heeft Van Hooff in het rapport van 23 februari 2007 te kennen gegeven dat appellant niet beperkt geacht dient te worden betreffende diverse aspecten op persoonlijk en sociaal functioneren. Op grond van deze bevindingen heeft hij de belastbaarheid van appellant weergegeven in de FML van 23 februari 2007, waarbij - in tegenstelling tot hetgeen de verzekeringsarts Ockeloen in de FML van 2 oktober 2006 heeft vastgelegd - de beperkingen op de aspecten verdelen van de aandacht, concentreren, werken onder rechtstreeks toezicht en/of intensieve begeleiding, omgaan met conflicten, samenwerken, eigen gevoelens uiten en vervoer, zijn komen te vervallen.

4.2.3. De in hoger beroep overgelegde informatie van Novadic en Kentron verslavingszorg van 27 juli 2004, de psycholoog K. van Dooren van 26 mei 2005 en van de neuroloog en H.B.C. Verbiest van 8 januari 2009, heeft de bezwaarverzekeringsarts geen aanleiding gegeven dit standpunt te herzien. Uit deze medische gegevens blijkt volgens de bezwaarverzekeringsarts dat het alcoholgebruik vanaf 1999 problematisch is geworden en appellant met deze problemen tussen 1999 en 2003 normaal heeft gewerkt. Uit de informatie van de psycholoog Van Dooren blijkt vervolgens dat de klachten tussen oktober 2004 en maart 2005 ongewijzigd zijn gebleven. Ten slotte geeft Van Hooff te kennen dat de neuroloog appellant voor het eerst heeft gezien op het spreekuur van 22 mei 2008 met klachten die bestaan sinds mei 2007. Deze klachten zien dan ook op een periode ver na die hier in geding. Desgevraagd heeft bezwaarverzekeringsarts Van Hooff in het rapport van 25 februari 2010 te kennen gegeven dat hij appellant ook niet beperkt acht in het persoonlijk functioneren in arbeid in die zin dat appellant niet is aangewezen op volledig voorgestructureerd werk. Op dit aspect heeft de bezwaarverzekeringsarts dan ook de FML van 23 februari 2007 bij FML van 25 februari 2010 aangepast.

4.2.4. Appellant is wel beperkt te achten ten aanzien van de aspecten trillingen, duwen/trekken, tillen/dragen en zitten tijdens het werk wegens rugklachten. Daarbij heeft Van Hooff opgemerkt dat bij de herbeoordeling in 2005 werd uitgegaan van aspecifieke rugklachten, maar dat uit de in bezwaar ingebrachte informatie van de radioloog sprake blijkt te zijn van degeneratieve afwijkingen van de rug.

4.3. De Raad ziet geen aanleiding de bevindingen van de bezwaarverzekeringsarts voor onvolledig of onjuist te houden. De bezwaarverzekeringsarts heeft zijn opvatting - ook waar hij is afgeweken van de opvatting van de verzekeringsarts - op inzichtelijke wijze onderbouwd. Voorts acht de Raad van belang dat appellant geen medische informatie heeft overgelegd die aannemelijk maakt dat appellant op 1 januari 2006 meer beperkt is dan door de bezwaarverzekeringsarts is aangenomen. De rechtbank is mitsdien terecht tot het oordeel is gekomen dat het bestreden besluit berust op een deugdelijk medisch onderzoek.

4.4. Tussen partijen is niet in geschil dat de thans vastgestelde beperkingen ten opzichte van de eerder vastgestelde beperkingen die na arbeidskundige beoordeling hebben geleid tot een arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45% zijn toegenomen. Het Uwv heeft dan ook voor de beoordeling op grond van artikel 39a, eerste lid, van de WAO terecht arbeidskundig onderzoek verricht. Hieruit volgt dat de rechtbank ten onrechte de arbeidskundige grondslag niet heeft beoordeeld en de Raad de aangevallen uitspraak in zoverre zal vernietigen.

4.5. De Raad zal, doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit beoordelen.

4.6. De Raad stelt vast dat de schatting - zoals blijkt uit het rapport van de bezwaararbeidsdeskundige C. Limbeek van 18 juni 2007 - uiteindelijk berust op de functies wikkelaar (sbc-code 267050), machinaal metaalbewerker (sbc-code 264122) en machinaal metaalbehandelaar (sbc-code 264121). Limbeek heeft deze functies met inachtneming van de gewijzigde FML van 23 februari 2007 beoordeeld en het verlies aan verdiencapaciteit berekend op 42,2%. In bovengenoemd rapport, aangevuld bij de rapporten van 22 januari 2008 en 22 september 2008, heeft de bezwaararbeidsdeskundige naar het oordeel van de Raad op inzichtelijke wijze gemotiveerd waarom de belasting in de functies geen overschrijding oplevert van de belastbaarheid van appellant. De Raad neemt hierbij in aanmerking dat de bezwaararbeidsdeskundige in het laatstgenoemde rapport uitgebreid heeft gemotiveerd dat, daar waar in de functies een signalering is aangebracht op het aspect persoonlijk risico, appellant voldoende beschermende maatregelen kan nemen bij de uitvoering van deze functies, zodat er geen grotere kans op verwondingen bestaat dan bij een gezonde werknemer. Dat deze beperking in het bijzonder het gevolg is van het kunnen voorkomen van een hypo in verband met de diabetes mellitus type I klachten vormt ook geen belemmering, nu volgens de bezwaararbeidsdeskundige in de functies geen werkzaamheden voorkomen die niet ter stond kunnen worden afgebroken. Ten slotte merkt de Raad nog op dat een beoordeling door de bezwaararbeidsdeskundige met inachtneming van de gewijzigde FML van 25 februari 2010, geen voor appellant gunstiger resultaat kan opleveren, nu deze FML ten opzichte van de FML van 23 februari 2007 minder beperkingen bevat.

4.7. Uit hetgeen onder 4.2.1 tot en met 4.6 is overwogen volgt dat het hoger beroep slaagt en dat de aangevallen uitspraak voor het overige voor bevestiging in aanmerking komt.

5. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover daarbij niet is beslist over de arbeidskundige grondslag van het besluit van 4 april 2007;

- bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;

- bepaalt dat het Uwv aan appellant het betaalde griffierecht van € 107,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door T. Hoogenboom als voorzitter en J. Brand en C.C.W. Lange als leden, in tegenwoordigheid van Z. Karekezi als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op

27 juni 2012.

(getekend) T. Hoogenboom

(getekend) Z. Karekezi

KR