Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BX0110

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
29-06-2012
Datum publicatie
02-07-2012
Zaaknummer
09/5229 WAO + 10/487 WAO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Mate van arbeidsongeschiktheid ongewijzigd. Er is geen aanleiding om het medisch onderzoek onzorgvuldig te achten of het medisch oordeel aangaande de belastbaarheid van appellante voor onjuist te houden. Uitgaande van de juistheid van de beperkingen zoals die voor appellante zijn vastgesteld, ziet de Raad geen reden te twijfelen aan de geschiktheid van appellante voor de functies die aan bestreden besluit 2 ten grondslag liggen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/5229 WAO en 10/487 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante], wonende te [woonplaats] (appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 4 augustus 2009, 07/3020 (aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv).

Datum uitspraak: 29 juni 2012

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J.A.H. Blom, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Op 21 oktober 2009 heeft het Uwv een nieuw besluit op bezwaar genomen.

Bij brief van 30 maart 2010 heeft het Uwv rapportage van een bezwaararbeidsdeskundige ingezonden.

Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting op 31 maart 2010, waar partijen niet zijn verschenen.

De Raad heeft het onderzoek heropend om appellante in de gelegenheid te stellen te reageren op de brief (met bijlage) van het Uwv van 30 maart 2010. Hierop is geen reactie gevolgd.

Partijen hebben desgevraagd toestemming verleend voor afdoening buiten zitting.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellante is op 29 november 1999 met gewrichts- en vermoeidheidsklachten bij sikkelcelanemie uitgevallen voor haar werkzaamheden als schoonmaakster, voor 15 uur per week. Zij ontvangt sinds 27 november 2000 een uitkering krachtens de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%.

1.2. Appellante heeft zich bij brief van 23 juni 2005, door het Uwv ontvangen op 11 juli 2006, toegenomen arbeidsongeschikt gemeld. Zij heeft aangegeven dat haar gezondheidstoestand sinds september 2004 is verslechterd. Appellante is op 8 augustus 2006 onderzocht door een arts van het Uwv. In een rapport van 8 augustus 2006, aangevuld na de op 22 november 2006 ontvangen informatie van de behandelend internist-hematoloog dr. B.J. Biemond, heeft de arts van het Uwv vastgesteld dat de belastbaarheid van appellante in verband met sikkelcelanemie arbitrair is afgenomen per 8 augustus 2006, zijnde de datum van het medisch onderzoek. De arts heeft de gewijzigde beperkingen vastgelegd in een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 22 november 2006. Bij het arbeidskundig onderzoek van 10 januari 2007 is, uitgaande van 8 augustus 2006 als arbitraire datum van toename van de beperkingen, vastgesteld dat appellante ongeschikt was voor de maatgevende functie, maar geschikt voor andere gangbare arbeid. De daaraan te ontlenen verdiencapaciteit is zodanig dat ten opzichte van het maatgevende inkomen geen sprake is van enig verlies.

In het besluit van 11 januari 2007 heeft het Uwv meegedeeld dat de arbeidsongeschiktheid van appellante na 23 juni 2005 niet is toegenomen, dan wel een periode van vier weken is aan te wijzen van een toename. Appellante is met ingang van8 augustus 2006 (datum medisch onderzoek) voor minder dan 15% arbeidsongeschikt geacht, zodat geen recht op uitkering bestaat.

1.3. In de bezwaarprocedure is appellante onderzocht door de bezwaarverzekeringsarts. De bezwaarverzekeringsarts heeft geen verandering gezien in de medische situatie ten opzichte van het onderzoek in 2003. De bezwaarverzekeringsarts heeft zich aangesloten bij de door de primaire arts aangenomen beperkingen. Bij het arbeidskundig onderzoek in de bezwaarprocedure werd geconstateerd dat ten onrechte geen rekening is gehouden met het feit dat appellante bij een herbeoordeling in 2003 (na bezwaar) onveranderd 15 tot 25% arbeidsongeschikt is gebleven en ongewijzigd een WAO-uitkering heeft ontvangen. De bezwaararbeidsdeskundige stelde vast dat bij een eventuele verlaging van de WAO-uitkering een uitlooptermijn van twee maanden in aanmerking genomen dient te worden, ingaande op 10 januari 2007, op basis van de schattingsbrief van de primaire arbeidsdeskundige. Vervolgens werd bij het arbeidskundig onderzoek vastgesteld dat de arbeidsongeschiktheidsklasse met ingang van 8 maart 2007 op minder dan 15% dient te worden gesteld. Bij besluit van 26 september 2007 (bestreden besluit 1) heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 11 januari 2007 gegrond verklaard, de WAO-uitkering van appellante tot 8 maart 2007 ongewijzigd vastgesteld naar de arbeidsongeschiktheidsklasse van 15 tot 25% en met ingang van 8 maart 2007 de WAO-uitkering ingetrokken.

1.4. In beroep heeft de bezwaarverzekeringsarts de FML van 22 november 2006 aangepast ten aanzien van het item 4.23 (hand- en vingergebruik) omdat deze in 2003 vastgestelde beperking ten onrechte niet in de FML van 22 november 2006 was opgenomen. De bezwaararbeidsdeskundige zag in de aangepaste FML geen aanleiding af te wijken van de conclusies in de eerdere rapportages van 21 september 2007 en 14 maart 2008.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellante tegen bestreden besluit 1 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat het Uwv een nieuw besluit dient te nemen met inachtneming van hetgeen in die uitspraak is overwogen. De rechtbank heeft daartoe - kort weergegeven - overwogen dat zij geen aanleiding ziet om het medisch onderzoek onzorgvuldig te achten of het medisch oordeel aangaande de belastbaarheid van appellante voor onjuist te houden. De rechtbank heeft in de omstandigheid dat het Uwv de FML in beroep heeft aangepast reden gezien bestreden besluit 1 te vernietigen. Wat de aan appellante voorgehouden functies betreft, heeft de rechtbank overwogen dat de functie administratief medewerkster niet kan worden gehandhaafd vanwege de strikte diploma-eis (VMBO-TL), waardoor de schatting niet gedragen wordt door drie functies.

3.1. Appellante heeft in hoger beroep te kennen gegeven zich niet te kunnen vinden in het oordeel van de rechtbank dat er geen aanleiding bestaat het medische oordeel van het Uwv voor onjuist te houden. Zij heeft zich op het standpunt gesteld dat het Uwv haar beperkingen heeft onderschat.

3.2. Het Uwv heeft in de aangevallen uitspraak berust. Ter uitvoering van de uitspraak van de rechtbank heeft het Uwv op 21 oktober 2009 een nieuw besluit genomen en het bezwaar van appellante tegen het besluit van 11 januari 2007 wederom ongegrond verklaard (bestreden besluit 2). Dit besluit berust op het door de rechtbank bevestigde medische oordeel. Op basis van een nader arbeidskundig onderzoek en een deels gewijzigde functieselectie heeft het Uwv de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante per 8 maart 2007 opnieuw vastgesteld op 15 tot 25%. In een rapport van 20 januari 2010, aangevuld op 30 maart 2010, is een nadere arbeidskundige onderbouwing gegeven ten aanzien van de passendheid van de aan appellante voorgehouden functies wat betreft de opleidingseis.

4. De Raad overweegt als volgt.

4.1. Aangezien met bestreden besluit 2 niet volledig is tegemoetgekomen aan het hoger beroep van appellante, zal de Raad dit besluit met overeenkomstige toepassing van de artikelen 6:18 en 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in deze procedure betrekken.

4.2. De Raad stelt voorop dat het Uwv in zijn schrijven van 30 maart 2010 terecht heeft verzocht om voor de in bestreden besluit 2 genoemde datum 8 maart 2007 te lezen 5 september 2006. De Raad stelt voorts vast dat in bestreden besluit 2 een intrekking van de WAO-uitkering niet meer aan de orde is. Dit betekent dat de mate van arbeidsongeschiktheid beoordeeld dient te worden per 5 september 2006, vier weken na 8 augustus 2006. Zie hierboven rechtsoverweging 1.2.

4.3. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank met betrekking tot de medische grondslag van de schatting. De Raad verwijst naar de overwegingen van de rechtbank en maakt deze tot de zijne. Appellante heeft in hoger beroep geen medische gegevens in het geding gebracht die doen twijfelen aan de juistheid van de in beroep vastgestelde FML van 19 maart 2009.

4.4. Ten aanzien van het beroep tegen bestreden besluit 2 overweegt de Raad het volgende.

4.5. Uitgaande van de juistheid van de beperkingen zoals die voor appellante zijn vastgesteld, ziet de Raad geen reden te twijfelen aan de geschiktheid van appellante voor de functies die aan bestreden besluit 2 ten grondslag liggen. De onderbouwing hiervoor is gegeven in de rapporten van de bezwaararbeidsdeskundige van 14 oktober 2009, 20 januari 2010 en 30 maart 2010.

5. Uit hetgeen onder 4.2 tot en met 4.5 is overwogen volgt dat het hoger beroep van appellante niet slaagt en de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, voor bevestiging in aanmerking komt. Het beroep tegen bestreden besluit 2 zal ongegrond worden verklaard.

6. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

- bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 21 oktober 2009 ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door H. Bolt in tegenwoordigheid van K.E. Haan als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 29 juni 2012.

(get.) H. Bolt

(get.) K.E. Haan

TM