Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BX0106

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
29-06-2012
Datum publicatie
02-07-2012
Zaaknummer
10-4139 WAO-T
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening WAO-uitkering naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%. De door de Raad in geschakelde deskundige kan zich niet verenigen met de vastgestelde belastbaarheid van appellant. Er is geen aanleiding af te wijken van het in vaste rechtspraak besloten liggende uitgangspunt dat het oordeel van een door de bestuursrechter ingeschakelde deskundige in beginsel wordt gevolgd. Het bestreden besluit heeft geen voldoende medische grondslag. Het Uwv krijgt de opdracht om het gebrek in het bestreden besluit te herstellen met inachtneming van hetgeen de Raad heeft overwogen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/4139 WAO-T

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Tussenuitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 11 juni 2010, 09/2032 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 29 juni 2012

PROCESVERLOOP

Namens appellant is hoger beroep ingesteld door mr. R. van Oostrom, werkzaam bij CNV Vakmensen.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 mei 2011. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Van Oostrom. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. D. de Jong.

Na de behandeling van het geding ter zitting van de Raad is gebleken dat het onderzoek niet volledig is geweest, in verband waarmee de Raad heeft besloten het onderzoek te heropenen

De Raad heeft professor dr. R.A. Schoevers als deskundige benoemd voor het instellen van een onderzoek. De deskundige heeft op 7 december 2011, in samenwerking met dr. B. Doornbos, arts, een schriftelijk verslag van het psychiatrisch onderzoek aan de Raad uitgebracht. Partijen hebben hun zienswijze daarover naar voren gebracht. De deskundige heeft op 13 maart 2012 een reactie gegeven op de zienswijze van het Uwv. Het Uwv heeft zijn zienswijze daarover naar voren gebracht.

Desgevraagd hebben partijen toestemming gegeven het onderzoek ter zitting van de Raad achterwege te laten. Gelet op de verleende toestemming heeft de Raad het onderzoek gesloten.

OVERWEGINGEN

1. Appellant is op 15 maart 1999 uitgevallen voor zijn arbeid als gevolg van psychische klachten. Met ingang van 5 november 2001 is aan hem een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, laatstelijk berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

2. Bij besluit van 2 februari 2009 heeft het Uwv deze uitkering per 3 april 2009 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%. Het door appellant tegen dit besluit gemaakte bezwaar is bij bestreden besluit van 17 juli 2009 ongegrond verklaard.

3.1. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Naar het oordeel van de rechtbank is door het Uwv in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) voldoende rekening gehouden met de psychische beperkingen van appellant. In het door appellant overgelegde expertise rapport van verzekeringsarts mr. W.M. van der Boog van 24 november 2009, komt Van der Boog naar het oordeel van de rechtbank eveneens tot de conclusie dat de opgestelde FML op de datum in geding juist is. Ook uit de brief van psychiater J.C.A. Weijmar Schultz leidt de rechtbank niet af dat de psychische belastbaarheid van appellant is overschat. Ten aanzien van de conclusie van Van der Boog dat als gevolg van deze procedure de spanningen voor appellant zijn toegenomen en dit naar verwachting zal leiden tot een geleidelijke toename van de beperkingen en ongeschiktheid voor de functies, overweegt de rechtbank dat met een eventuele toename van de beperkingen na de datum in geding van 3 april 2009 in deze procedure geen rekening kan worden gehouden. Ten aanzien van het standpunt van appellant dat ten onrechte geen urenbeperking is vastgesteld overweegt de rechtbank dat de eerder voor appellant vastgestelde urenbeperking verband hield met zijn dagbehandeling. Ook overigens ziet de rechtbank daarvoor geen aanleiding. Met betrekking tot de vraag of de door bezwaararbeidsdeskundige M.E. van der Molen geduide functies passend zijn, overweegt de rechtbank dat de functies de door de bezwaarverzekeringsarts Egbers vastgestelde belastbaarheid niet te boven gaat.

4. In hoger beroep heeft appellant zich - in het verlengde van hetgeen hij reeds in beroep heeft aangevoerd - op het standpunt gesteld dat de rechtbank meer gewicht had moeten toekennen aan de bevindingen van psychiater Weijmar Schultz en Van der Boog. De rechtbank had een deskundige moeten benoemen. Daarnaast is de conclusie van de rechtbank dat Van der Boog het eens is met de FML onjuist. Van der Boog moet zo worden begrepen dat er onvoldoende rekening is gehouden met de beperkingen op psychisch vlak. Hij acht appellant niet geschikt voor productiefuncties vanwege de opgelegde werkdwang en daarmee gepaard gaande stressfactoren. De functies zijn daarnaast ongeschikt omdat samenwerken en een meer dan geringe interactie met teamleden vereist is. Ook is de waardering voor werk ten onrechte niet meegewogen.

5.1. De Raad overweegt als volgt.

5.2. De Raad heeft aanleiding gezien om psychiater Schoevers als deskundige in te schakelen. De deskundige heeft in zijn rapportages te kennen gegeven dat er bij appellant op de datum in geding sprake was van een affectieve verwaarloosde, getraumatiseerde man met een dwangmatige en ontwijkende persoonlijkheidsstoornis. Waarschijnlijk waren er toen ook al depressieve klachten die te classificeren zijn als een dysthyme stoornis. Ook waren er al klachten (nachtmerries, herbeleving, prikkelbaarheid en vermijding) die pasten bij een posttraumatische stressstoornis. De deskundige kan zich niet verenigen met de vastgestelde belastbaarheid van appellant in de FML van 13 mei 2008. Er is door de bezwaarverzekeringsarts te weinig rekening gehouden met de beperkte psychische belastbaarheid van appellant. Op de FML is ten onrechte geen beperking opgenomen bij de items 1.5 (doelmatig handelen) en 1.6 (handelingstempo). Daarnaast is appellant volgens de deskundige op de datum in geding niet in staat om acht uur op een dag werkzaam te zijn zonder hierdoor terug te vallen in zijn oude klachten. Verder wordt in de verschillende stukken de persoonlijkheidsproblematiek en traumatisatie van appellant wel genoemd maar wordt de invloed van deze problematiek op zijn functioneren in arbeid te gering ingeschat door de bezwaarverzekeringsarts. De deskundige concludeert dat appellant gezien de ernst van de huidige klachten en zijn huidige beperkte functioneren alleen in staat is tot het uitvoeren van betaald werk als dit in een beschermde omgeving zou gebeuren met een zeer gedoseerde (en beperkte) belasting en relatief intensieve begeleiding. Het is aan de arbeidsdeskundige om in te schatten of dit daadwerkelijk kan worden geboden.

5.3. Bezwaarverzekeringsarts G.W. Egbers heeft in de rapportages van 13 januari 2012 en 27 april 2012 zijn zienswijze kenbaar gemaakt. Het is absoluut niet zo dat de kwetsbaarheid en traumatisering niet door het Uwv is onderkend. Er is geen reden om de door de deskundige voorgestelde beperkingen ten aanzien van arbeid ten grondslag te leggen aan de beoordeling per datum in geding. Daarnaast is er in het kader van de Standaard Verminderde Arbeidsduur geen aanleiding om een urenbeperking aan te nemen. Ook ziet Egbers geen indicatie voor een beschermde werkomgeving. Er zijn beperkingen in de FML vastgesteld ten aanzien van sociaal functioneren.

5.4. De Raad is alles afwegende van oordeel dat de deskundige, die bij zijn onderzoek de beschikking heeft gehad over alle in dit geding aanwezige medische gegevens, op zorgvuldige wijze een onderzoek heeft ingesteld en op inzichtelijke wijze verslag heeft gedaan van de psychische toestand van appellant. Zijn conclusies dat appellant verdergaande beperkingen heeft in het persoonlijk functioneren en dat een verdere urenbeperking noodzakelijk is, welke conclusies zijn beargumenteerd aan de hand van relevante medische inzichten, zijn begrijpelijk en overtuigend. De Raad ziet daarom geen aanleiding af te wijken van het in vaste rechtspraak besloten liggende uitgangspunt dat het oordeel van een door de bestuursrechter ingeschakelde deskundige in beginsel wordt gevolgd.

5.5. Uit de overwegingen 5.2 tot en met 5.4 volgt het oordeel van de Raad dat de beperkingen van appellant voor het verrichten van arbeid in de FML van 13 mei 2009 niet juist zijn vastgesteld. Dit brengt de Raad tot de conclusie dat het bestreden besluit in strijd is met artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht omdat het geen voldoende medische grondslag heeft.

6. In het voorliggende geval leent de aard van het vastgestelde gebrek zich niet voor een andere wijze van herstel dan door het Uwv. De Raad ziet daarom aanleiding met toepassing van artikel 21, zesde lid, van de Beroepswet het Uwv op te dragen het door de Raad in 5.5 geconstateerde gebrek in het bestreden besluit te herstellen. Hiertoe dient het Uwv de medische grondslag van het bestreden besluit in overeenstemming te brengen met het oordeel van de deskundige, zo nodig gevolgd door een arbeidskundige rapportage met betrekking tot de vraag of een en ander gevolgen heeft voor de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit, dan wel een nader besluit te nemen.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep draagt het Uwv op om binnen zes weken na verzending van deze tussenuitspraak het gebrek in het bestreden besluit te herstellen met inachtneming van hetgeen de Raad heeft overwogen.

Deze tussenuitspraak is gedaan door H.J. Simon, in tegenwoordigheid van M.D.F. de Moor als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 29 juni 2012.

(getekend) H.J. Simon

(getekend) M.D.F. de Moor

TM