Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BW9874

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
20-06-2012
Datum publicatie
02-07-2012
Zaaknummer
12/1198 WWB-VV + 12/1199 WWB-VV e.a.
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag om bijstand. Niet in geding is dat verzoeker tijdens de te beoordelen perioden geen vreemdeling was in de zin van artikel 11, tweede en derde lid, van de WWB. Als gevolg hiervan valt verzoeker onder artikel 16, tweede lid, van de WWB, en kan aan hem zelfs uit hoofde van zeer dringende redenen, zoals bedoeld in het eerste lid van dit artikel, geen uitkering ingevolge de WWB worden toegekend. Met inachtneming van het primaat van de wetgever, en teneinde een door de wetgever ongewenste doorkruising van het vreemdelingenbeleid te voorkomen, kan de voorzieningenrechter ook thans - evenals in de uitspraak van de Raad van 22 november 2011, LJN BU6844 - tot geen andere conclusie komen dan dat een positieve verplichting ten aanzien van vreemdelingen, niet met toepassing van de WWB gestalte kan worden gegeven. Het is aan het COA om voor de Staat een eventuele positieve verplichting na te komen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

12/1198 WWB-VV

12/1199 WWB-VV

12/958 WWB

12/959 WWB

Centrale Raad van Beroep

Voorzieningenrechter

Uitspraak op de verzoeken om voorlopige voorziening

Partijen:

[verzoeker] zonder vaste woon- of verblijfplaats (verzoeker)

het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (college)

Datum uitspraak 20 juni 2012.

PROCESVERLOOP

Namens verzoeker heeft mr. W.G. Fischer, advocaat, hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 29 december 2011 (11/3089, 11/3090, 11/1820, 11/1821, 11/1183), de aangevallen uitspraak, en heeft tevens verzoeken om voorlopige voorziening gedaan.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 juni 2012. De zaak is gevoegd behandeld met de zaken met registratienummers 12/1200 Wmo-VV, 12/1201 Wmo-VV en 12/1202 Onbek-VV. Voor verzoeker is verschenen bij mr. Fischer en mr. C.J. Forder. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.H. van der Post en J. Baks. Na de sluiting van het onderzoek zijn de gevoegde zaken weer gesplitst. In deze zaak wordt heden uitspraak gedaan.

OVERWEGINGEN

1.1. Ingevolge artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en artikel 21 van de Beroepswet kan, indien tegen een uitspraak van de rechtbank of van de voorzieningenrechter van de rechtbank als bedoeld in artikel 18, eerste lid, van de Beroepswet hoger beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de Raad op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

1.2. Ingevolge artikel 8:86 van de Awb en artikel 21 van de Beroepswet kan de voorzieningenrechter, indien hij van oordeel is dat na de zitting nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de hoofdzaak, tevens onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak.

1.3. De voorzieningenrechter is van oordeel dat in dit geval nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de hoofdzaak en dat ook overigens geen sprake is van beletselen om tevens onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

2. De voorzieningrechter gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

2.1.Verzoeker, geboren [in] 1969 te Libanon, is een alleenstaande man. Hij is erkend Palestijns vluchteling en is staatloos. Verzoeker is ongewenst verklaard. Een verzoek om opheffing van de ongewenstverklaring is geweigerd bij besluit van 4 maart 2009. Aan verzoeker is meermalen een maatregel tot bewaring op grond van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) opgelegd, welke maatregelen niet tot uitzetting hebben geleid.

2.2. Op 19 oktober 2010 heeft verzoeker een aanvraag ingediend voor onder meer een uitkering ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB). Bij besluit van 2 december 2010 heeft het college de aanvraag van verzoeker om in aanmerking te komen voor een uitkering ingevolge de WWB afgewezen.

2.3 Bij besluit van 14 maart 2011 heeft het college het bezwaar van verzoeker ongegrond verklaard.

2.4. Op 10 februari 2011 heeft verzoeker onder verwijzing naar nieuwe omstandigheden opnieuw verzocht om een uitkering ingevolge de WWB. Daarbij is een beroep gedaan op de Richtlijn 2008/115/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008.

2.5. Bij besluit van 29 maart 2011 heeft het college de aanvraag van verzoeker om uitkering ingevolge de WWB afgewezen.

2.6. Bij besluit van 11 juli 2011 heeft het college het bezwaar van verzoeker tegen het besluit van 29 maart 2011 ongegrond verklaard.

3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank, voor zover van belang in het kader van het onderhavige verzoek, het beroep van verzoeker tegen de besluiten van 14 maart 2011 en 11 juli 2011 ongegrond verklaard.

4.1. Verzoeker heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Ter ondersteuning van zijn verzoeken om voorlopige voorziening heeft hij opgemerkt dat er een spoedeisende situatie is ontstaan nadat hij in februari 2012 uit de zogenaamde ‘bed-bad-brood’ regeling is gezet. Ook is het leefgeld van verzoeker van € 70,-- per week ingetrokken. Verzoeker leefde ten tijde van de indiening van de voornoemde verzoeken op straat, was ondervoed en oververmoeid geraakt, wat zijn medische situatie niet ten goede kwam.

4.2. Bij beschikking van 10 mei 2012 heeft de rechtbank Rotterdam op grond van de wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen (BOPZ) een voorlopige machtiging verleend om verzoeker in een psychiatrisch ziekenhuis te doen opnemen en te doen verblijven tot uiterlijk 11 november 2012. Verzoeker is opgenomen bij Bouman GGZ te Rotterdam. Op 24 mei 2012 heeft een ernstig incident plaatsgevonden tijdens de opname bij Bouman GGZ, waarna verzoeker in verzekering is gesteld en de vordering tot inbewaringstelling tegen verzoeker vervolgens is verleend. De rechterlijke machtiging tot opname bij Bouman GGZ is opgeheven met ingang van 25 mei 2012.

5. De voorzieningenrechter komt tot de volgende beoordeling.

5.1. De voorzieningenrechter stelt voorop dat volgens vaste rechtspraak van de Raad de door de bestuursrechter te beoordelen periode in geval van een aanvraag om bijstand in beginsel de periode bestrijkt vanaf de datum van de aanvraag tot en met de datum van het primaire besluit. Dat brengt mee dat hier beoordeeld dienen te worden de perioden van 19 oktober 2010 tot en met 2 december 2010 en van 10 februari 2011 tot en met 29 maart 2011.

5.2. Niet in geding is dat verzoeker tijdens de te beoordelen perioden geen vreemdeling was in de zin van artikel 11, tweede en derde lid, van de WWB. Als gevolg hiervan valt verzoeker onder artikel 16, tweede lid, van de WWB, en kan aan hem zelfs uit hoofde van zeer dringende redenen, zoals bedoeld in het eerste lid van dit artikel, geen uitkering ingevolge de WWB worden toegekend.

5.3. Met betrekking tot het beroep op artikel 8 van het Europees verdrag voor de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) stelt de voorzieningenrechter voorop dat het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) als “the very essence” van het EVRM aanmerkt respect voor menselijke waardigheid en menselijke vrijheid. Het in artikel 8 van het EVRM besloten liggende recht op respect voor privéleven van een persoon omvat mede de fysieke en psychische integriteit van die persoon en is er primair op gericht, zonder inmenging van buitenaf, de ontwikkeling van de persoonlijkheid van elke persoon in zijn betrekkingen tot anderen te waarborgen. Het artikel beoogt niet alleen de staten tot onthouding van inmenging te dwingen, maar kan onder omstandigheden ook inherente positieve verplichtingen meebrengen die noodzakelijk zijn voor een effectieve waarborg van het recht op privéleven. Daarbij hebben kinderen en andere kwetsbare personen in het bijzonder recht op bescherming. Het EHRM heeft meerdere malen geoordeeld dat artikel 8 van het EVRM ook relevant is in zaken die betrekking hebben op de besteding van publieke middelen. Daarbij is wel van belang dat in een dergelijk geval aan de Staat een extra ruime ‘margin of appreciation’ toekomt, terwijl het EHRM bij de bepaling van de bescherming die betrokkenen genieten onder het EVRM belang toekent aan de al dan niet legale status van het verblijf van betrokkene. De voorzieningenrechter wijst in verband met dit laatste onder meer op het arrest van het EHRM van 27 mei 2008, in de zaak N. vs het Verenigd Koninkrijk, nr. 26565/05 (EHRM 2008, 91).

5.4. In rechtsoverweging 4.7 van zijn uitspraak van 19 april 2010, LJN BM1992, heeft de Raad geoordeeld dat indien sprake is van een positieve verplichting als bedoeld in rechtsoverweging 5.3 niettemin de beperkte doelstelling van de WWB in acht dient te worden genomen. De wetgever heeft de categorieën vreemdelingen die door de werking van artikel 11 van de WWB geen recht op bijstand hebben, met het bepaalde in artikel 16, tweede lid van de WWB, uitdrukkelijk ook buiten het bereik van de in artikel 16, eerste lid, van de WWB opgenomen hardheidsclausule gebracht. Met inachtneming van het primaat van de wetgever, en teneinde een door de wetgever ongewenste doorkruising van het vreemdelingenbeleid te voorkomen, kan de voorzieningenrechter ook thans - evenals in de uitspraak van de Raad van 22 november 2011, LJN BU6844 - tot geen andere conclusie komen dan dat een positieve verplichting ten aanzien van vreemdelingen als bedoeld in artikel 16, tweede lid, van de WWB, niet met toepassing van de WWB gestalte kan worden gegeven. Indien er ten aanzien van deze vreemdelingen een positieve verplichting bestaat recht te doen aan artikel 8 van het EVRM, rust deze op het bestuursorgaan dat belast is, of de bestuursorganen die belast zijn, met de uitvoering van de wettelijk geregelde voorzieningen voor vreemdelingen. De voorzieningenrechter wijst in dit verband opnieuw op de uitleg die de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State in haar uitspraak van 28 maart 2007, LJN BA4652, heeft gegeven aan artikel 3, eerste en tweede lid, van de Wet Centraal orgaan opvang asielzoekers (Wet COA). Op grond van deze uitleg heeft het COA de publiekrechtelijke bevoegdheid - en gehoudenheid - om in zeer bijzondere omstandigheden verstrekkingen te verlenen buiten de gevallen waarin de vreemdeling onder de reikwijdte van de Regeling verstrekkingen asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen 2005 (Rva 2005) valt. Gegeven deze bevoegdheid, verdragsconform uitgelegd, is het aan het COA om voor de Staat een eventuele positieve verplichting als hier bedoeld na te komen. Voorts wijst de voorzieningenrechter op zijn uitspraken van 19 april 2010, LJN BM0956 en van 22 november 2011, LJN BU6844, waarin is geoordeeld dat indien ten aanzien van kwetsbare personen, die gezien artikel 8 van het EVRM in het bijzonder recht op bescherming hebben, is komen vast te staan dat zij niet in aanmerking komen voor een opvangvoorziening als bedoeld in artikel 1, aanhef en onder h, van de Rva 2005, onder bepaalde omstandigheden met voorbijgaan aan artikel 11 van de Vw 2000 maatschappelijke opvang op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning dient te worden geboden.

5.5. Het voorgaande brengt mee dat de vraag of verzoeker is aan te merken als kwetsbaar persoon die op grond van artikel 8 van het EVRM bijzondere bescherming geniet, in het kader van de WWB in het midden kan en zal worden gelaten.

5.6. Ten aanzien van het beroep van verzoeker op artikel 3 EVRM en op artikel 8 EVRM in combinatie met artikel 14 EVRM komt de voorzieningenrechter tot dezelfde conclusie als ten aanzien van het beroep op artikel 8 EVRM zoals is weergegeven in rechtsoverweging 5.4.

5.7. De voorzieningenrechter is op grond van het voorgaande dan ook van oordeel dat het college gehouden was de aanvragen af te wijzen omdat verzoeker niet behoorde tot de kring der gerechtigden op grond van de WWB.

5.8. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het hoger beroep van verzoeker niet slaagt. De voorzieningenrechter zal de aangevallen uitspraak, voor zover betrekking hebbende op de aanvragen om uitkering ingevolge de WWB, bevestigen.

6. Onder deze omstandigheden is geen grond aanwezig voor het treffen van een voorlopige voorziening, zodat de verzoeken daartoe zullen worden afgewezen.

7. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

BESLISSING

De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep

-Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover daarbij de beroepen tegen de besluiten van 14 maart 2011 en 11 juli 2011 ongegrond zijn verklaard;

-Wijst de verzoeken om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door H.C.P. Venema, in tegenwoordigheid van N.M. van Gorkum als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 juni 2012.

(get.) H.C.P. Venema.

(get.) N.M. van Gorkum.

HD