Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BW9868

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
26-06-2012
Datum publicatie
02-07-2012
Zaaknummer
11-5491 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag om bijzondere bijstand voor extra stookkosten. Stookkosten behoren tot de algemeen noodzakelijke bestaanskosten die - behoudens bijzondere omstandigheden - uit de toepasselijke bijstandsnorm dienen te worden voldaan. Het college heeft terecht aangenomen dat de gestelde hogere stookkosten verband houden met de slechte staat van de woning. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat dit niet kan worden aangemerkt als een bijzondere omstandigheid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/5491 WWB

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 4 augustus 2011, 11/87 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Pekela (college)

Datum uitspraak 26 juni 2012.

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J.A.M. Staal-Olislaegers, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 mei 2012. Voor appellante is mr. Staal-Olislaegers verschenen. Het college heeft zich niet laten vertegenwoordigen.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante woont in een koopwoning te [woonplaats] (woning). W.L. Feis, de huisarts van appellante (huisarts), heeft op 15 juni 2008 een medische verklaring afgegeven, inhoudende dat appellante een oud en vochtig huis bewoont en dat het vanwege astma en spierreuma waaraan appellante lijdt van belang is dat zij haar huis droog stookt. Een aan deze verklaring gekoppelde aanvraag van appellante om bijzondere bijstand voor extra stookkosten voor 2008 heeft het college afgewezen onder verwijzing naar een door de Gemeenschappelijke Gezondheidsdienst Oost Groningen (GGD) uitgebracht advies van 4 juli 2008. De GGD concludeert in dit advies dat niet is aangetoond dat sprake is van meerkosten en dat goede isolatie en ventilatie de problemen van appellante kan voorkomen. In dit advies heeft de GGD voorts, samengevat, het volgende vermeld. De woning vertoont schimmelvorming. Het is vanuit medisch standpunt wenselijk dat appellante woont in een goed geïsoleerde en geventileerde woning.

1.2. Op 26 januari 2009 heeft appellante een aanvraag ingediend om bijzondere bijstand voor extra stookkosten voor 2009. Hierbij is gevoegd een nieuwe verklaring van de huisarts van 10 januari 2009 waarin staat dat hij het wenselijk acht dat appellante, gezien haar chronische bronchitis, haar huis goed warm houdt.

1.3. Naar aanleiding van deze aanvraag heeft de GGD op verzoek van het college op 23 april 2009 een medisch advies uitgebracht. De GGD concludeert in dit advies dat er een medische noodzaak is om de woning adequaat te verwarmen, waarbij wordt aangetekend dat dit mogelijk wat hogere energiekosten geeft, en adviseert de aanvraag om bijzondere bijstand in te willigen. In het advies heeft de GGD voorts, samengevat, het volgende vermeld. De slechte woonomstandigheden verslechteren de longklachten en de bewegingsproblemen van appellante. De woning is een oude woning die slecht geventileerd kan worden. De huisarts heeft vorig jaar al aangegeven dat er een medische noodzaak is voor verhuizing naar een goed geïsoleerde droge woning of woonboot. De enige mogelijkheid om in de woning de schadelijke invloeden onder controle te houden is de woning adequaat te verwarmen. Op verzoek van het college heeft de GGD op 15 juli 2009 een nader medisch advies uitgebracht over de vraag hoeveel graden de woning warmer moet worden gestookt. Volgens de GGD zal de temperatuur in de woning globaal 20 graden moeten zijn om de woning acceptabel te krijgen. De GGD tekent hierbij aan dat verhuizen naar een goed geïsoleerde en goed te ventileren woning uiteraard medisch de beste oplossing zou zijn.

1.4. Bij besluit van 27 juli 2009 (besluit 1) heeft het college, onder verwijzing naar het advies van de GGD van 15 juli 2009, de aanvraag om bijzondere bijstand van 26 januari 2009 afgewezen. Hieraan is ten grondslag gelegd dat een temperatuur van 20 graden, waarvoor volgens de GGD een medische noodzaak bestaat, een algemeen gangbare temperatuur is. Om die reden is er geen sprake van hogere stookkosten.

1.5. Op 22 december 2009 heeft appellante een aanvraag ingediend om bijzondere bijstand voor extra stookkosten voor 2010. Bij besluit van 12 februari 2010 (besluit 2) heeft het college deze aanvraag afgewezen onder verwijzing naar het GGD-advies van 15 juli 2009.

1.6. Appellante heeft bezwaar gemaakt tegen de besluiten 1 en 2. Hangende de bezwaarprocedure heeft appellante een nieuwe verklaring van de huisarts van 9 maart 2010 ingebracht. Deze verklaring houdt het volgende in. Appellante kan zich niet vinden in het advies van de GGD om de woning te verwarmen tot 20 graden. Appellante wordt dan snotterig, rillerig en hoesterig en heeft het subjectief koud. Bij een temperatuur van 22 graden voelt appellante zich behaaglijk. Volgens appellante is dat de optimale temperatuur voor haar woning. De huisarts kan zich als medicus bij deze zienswijze aansluiten. Appellante bewoont een onvoldoende geïsoleerde woning die tochtig en vochtig is. De kou trekt uit de vloer, waardoor het in huis al gauw wat kil aanvoelt. Appellante heeft een chronische longaandoening en moet veel hoesten. Voor deze patiënten is vanuit medisch standpunt een warme, droge omgevingstemperatuur van groot belang. Daarnaast is het ook een feit dat de temperatuur die iemand aangenaam vindt subjectief is. Bij appellante ligt deze wenselijke temperatuur op 22 graden.

1.7. Naar aanleiding van deze verklaring heeft de GGD op verzoek van het college op 2 juni 2010 een medisch advies uitgebracht over de medische noodzaak om de woning te verwarmen tot 22 graden. Dit advies luidt als volgt:

“Naar aanleiding van de brief van de huisarts dat appellante zich beter voelt bij een temperatuur van 22 graden heb ik telefonisch contact gehad met de huisarts.

De aangegeven omgevingstemperatuur is subjectief bepaald door cliënte, er is daarvoor geen harde medische noodzaak te geven.

Wel is er duidelijke medische noodzaak om een droge, goed geventileerde woning te hebben. Als dat in de huidige woning alleen bereikt kan worden door de omgevingstemperatuur op 22 graden te handhaven zou dat dus wel medisch noodzakelijk zijn.

(…)

Mijn advies was om het in de woning 2 graden warmer dan normaal te hebben zodat met deze normeringen het advies had moeten zijn om de woning tot 22 graden te verwarmen.”

1.8. Bij besluit van 16 december 2010 (bestreden besluit) heeft het college de bezwaren van appellante tegen de besluiten 1 en 2 ongegrond verklaard. Hieraan ligt, samengevat, ten grondslag, dat er voor appellante wel een medische noodzaak bestaat voor een hogere temperatuur van de woning, maar dat niet is gebleken dat zij als gevolg van individuele bijzondere omstandigheden met betrekking tot de stookkosten meerkosten heeft gemaakt. Daarbij heeft het college in aanmerking genomen dat het gemiddelde gasverbruik per jaar in de woning niet hoger is geweest dan dat van de vorige bewoners en dat de woning in slechte staat verkeert en slecht is geïsoleerd.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellante heeft in hoger beroep, samengevat, het volgende aangevoerd. Uit het GGD-advies van 2 juni 2010 blijkt dat zij extra stookkosten heeft die voortvloeien uit een medische noodzaak. Immers, vast is komen te staan dat zij de woning twee graden hoger dient te verwarmen dan de algemeen gebruikelijke temperatuur van 20 graden. De slechte staat van de woning is slechts één van de factoren die het gasverbruik verhoogt. Weliswaar blijkt uit de cijfers van het gasverbruik in de woning dat ook het gasverbruik van de vorige bewoners veel hoger was dan het gemiddelde voor een dergelijke woning, maar het college heeft geen rekening gehouden met de gezinssamenstelling en/of eventuele bijzondere omstandigheden van de vorige bewoners.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. In artikel 35, eerste lid, van de Wet werk en bijstand (WWB) is bepaald dat, onverminderd paragraaf 2.2, de alleenstaande of het gezin recht heeft op bijzondere bijstand voor zover de alleenstaande of het gezin niet beschikt over de middelen om te voorzien in de uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan en deze kosten naar het oordeel van het college niet kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm, de langdurigheidstoeslag, het vermogen en het inkomen voor zover dit meer bedraagt dan de bijstandsnorm, waarbij artikel 31, tweede lid, en artikel 34, tweede lid, niet van toepassing zijn.

4.2. Zoals de Raad eerder heeft overwogen (CRvB 23 februari 2010, LJN BL5316), behoren stookkosten tot de algemeen noodzakelijke bestaanskosten die - behoudens bijzondere omstandigheden - uit de toepasselijke bijstandsnorm dienen te worden voldaan. Door bijzondere omstandigheden kan zich de situatie voordoen dat in het individuele geval de bijstandsnorm niet volledig toereikend is ter voorziening in bepaalde noodzakelijke kosten.

4.3. Uit zowel de onder 1.1, 1.3 en 1.7 vermelde medische adviezen, als de onder 1.1 en 1.6 vermelde verklaringen van de huisarts komt naar voren dat appellante, gelet op haar medische klachten, dient te wonen in een droge, goed geventileerde woning. Vast staat dat de woning niet aan deze vereisten voldoet. Immers, zoals in bedoelde adviezen en verklaringen is verwoord, en zoals appellante ook zelf erkent, is de woning niet goed te ventileren en niet goed geïsoleerd. De woning verkeert in slechte staat en is vochtig en tochtig. Dit brengt met zich dat de gestelde hogere stookkosten van appellante niet los kunnen worden gezien van, kort gezegd, de slechte staat van de woning. Anders dan appellante stelt, valt uit de

GGD-adviezen niet af te leiden dat de woning uitsluitend vanwege haar medische toestand moet worden verwarmd tot 22 graden en dat de slechte staat van de woning daarbij geen rol speelt. Het is voor appellante medisch noodzakelijk om in een droge, goed geventileerde woning te wonen, maar niet om de woning tot 22 graden te verwarmen.

4.4. Uit de door het college gepresenteerde, en door appellante niet betwiste verbruiksgegevens van de woning blijkt dat het gemiddeld verbruik van de vorige bewoners op jaarbasis in de periode van augustus 1998 tot en met juni 2002 3.590 m3 bedroeg en het gemiddeld verbruik van appellante op jaarbasis over de periode van juni 2002 tot en met augustus 2009 3.315 m3. Volgens gegevens van het Nibud is het gasverbruik voor verwarming sterk afhankelijk van de grootte en ligging van de woning en niet zozeer van de huishoudsamenstelling en bedraagt het gasverbruik van een woning als die van appellante op jaarbasis 2.516 m3. Deze gegevens vormen een sterke aanwijzing dat de gestelde hogere stookkosten van appellante verband houden met de slechte staat van de woning. Eerst ter zitting van de Raad heeft appellante gesteld dat ook het relatief hoge gasverbruik van de vorige bewoners medische oorzaken had, maar reeds bij gebreke van enige feitelijke onderbouwing van deze stelling dient daaraan voorbij te worden gegaan.

4.5. Gelet op hetgeen is overwogen in 4.3 en 4.4 heeft het college terecht aangenomen dat de gestelde hogere stookkosten verband houden met de slechte staat van de woning. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat dit niet kan worden aangemerkt als een bijzondere omstandigheid als bedoeld in artikel 35, eerste lid, van de WWB. Hieruit volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door W.F. Claessens, in tegenwoordigheid van K.E. Haan als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 juni 2012.

(get.) W.F. Claessens.

(get.) K.E. Haan.

HD