Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BW9849

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
26-06-2012
Datum publicatie
28-06-2012
Zaaknummer
12/17 WWB + 12/18 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking bijstand en terugvordering. Maatregel. Schending inlichtingenverplichting. Het is aannemelijk dat op geld waardeerbare transacties hebben plaatsgevonden op de datum met ingang waarvan een kenteken niet langer op naam van [moeder] stond geregistreerd. Het moet appellanten redelijkerwijs duidelijk zijn geweest dat deze transacties van belang zijn voor de vaststelling van het recht op bijstand. Door het college hiervan niet op de hoogte te stellen, hebben appellanten in de transactiemaanden de op hen rustende wettelijke inlichtingenverplichting geschonden. Als gevolg van schending van de inlichtingenverplichting kan het recht op bijstand over die niet meer worden vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

12/17 WWB, 12/18 WWB

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Almelo van 30 november 2011, 11/28 en 11/29 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] en [appellant], beiden te [woonplaats]

het college van burgemeester en wethouders van Almelo (college)

Datum uitspraak 20 juni 2012.

PROCESVERLOOP00

Namens appellanten heeft mr. L. de Widt, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft verweerschriften ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 mei 2012. Appellanten zijn verschenen, bijgestaan door mr. De Widt. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door H.M.M. Adema.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1. Appellanten ontvingen vanaf 16 februari 2005 bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor gehuwden. Op 13 januari 2009 zijn zij gescheiden. Vanaf die datum ontvangt appellante bijstand naar de norm voor een alleenstaande ouder, en appellant bijstand naar de norm voor een alleenstaande.

1.2. Bij vonnis van 18 november 2008 heeft de rechtbank Almelo de vanaf 16 mei 2006 op appellanten van toepassing zijnde schuldsaneringsregeling tussentijds beëindigd. Bij arrest van 29 januari 2009 heeft het gerechtshof Arnhem het vonnis van de rechtbank Almelo bekrachtigd. Daartoe heeft het gerechtshof onder meer overwogen dat appellant heeft erkend dat hij gedurende de looptijd van de schuldsaneringsregeling heeft gehandeld in ten minste twintig auto’s, en dat bij gebreke van aanwijzingen in andere richting de conclusie geen andere kan zijn dan dat appellant (mede) voor eigen rekening heeft gehandeld.

1.3. Naar aanleiding van de slechte bereikbaarheid van appellant, die op vakantie bleek te zijn geweest zonder daarvan melding te maken, en het vermoeden dat hij nog in auto’s handelt, heeft de Sociale Recherche Twente (sociale recherche) een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellanten verleende bijstand. In dat kader is dossieronderzoek verricht, is onderzoek verricht naar advertenties op Marktplaats, is informatie opgevraagd bij de Dienst Wegverkeer, zijn getuigen gehoord en zijn appellanten verhoord. De bevindingen van dit onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 9 april 2009.

1.4. De onderzoeksbevindingen zijn voor het college aanleiding geweest om bij afzonderlijke besluiten van 10 juni 2010 de bijstand van appellanten over de periode 25 april 2008 tot en met 14 november 2008 in te trekken en de over deze maanden gemaakte kosten van bijstand van appellanten terug te vorderen tot een bedrag van € 9.316,83. Bij deze besluiten heeft het college tevens de bijstand van appellanten gedurende een maand met 100% verlaagd op de grond dat zij de op hen rustende inlichtingenverplichting hebben geschonden.

1.5. Bij afzonderlijke besluiten van 24 november 2010 (bestreden besluiten) heeft het college de bezwaren van appellanten tegen de besluiten van 10 juni 2010 gegrond verklaard, de bijstand over de maanden april 2008, juli 2008 en september 2008 (de transactiemaanden) ingetrokken en het bedrag van de terugvordering van de gemaakte kosten van bijstand over de transactiemaanden vastgesteld op € 4.087,27. Daaraan heeft het college ten grondslag gelegd dat appellant de beschikkingsmacht had over de op naam van de moeder van appellante geregistreerde auto’s met kenteken [kenteken 1] ([type 1]), [kenteken 2] ([type 2]) en [kenteken 3] ([type 3]). Over de maand april 2008 bestaat geen recht op bijstand gelet op de hoogte van de, niet aan het college doorgegeven, inkomsten uit de verkoop van de [type 1], en over de maanden juli 2008 en september 2008 valt het recht op bijstand niet vast te stellen omdat appellanten geen melding hebben gemaakt van het bezit en de verkoop van de [type 2] (juli 2008) en de [type 3] (september 2008). Het college heeft de maatregel gehandhaafd.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank de beroepen van appellanten tegen de bestreden besluiten ongegrond verklaard.

3. Appellanten hebben zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Zij stellen zich - samengevat - op het standpunt dat zij de inlichtingenverplichting niet hebben geschonden, omdat zij niet in auto’s hebben gehandeld. Het verkopen van de drie op naam van de moeder van appellante staande, en door haar betaalde, auto’s was een familiedienst. Bovendien had appellant toestemming van een contactpersoon van de gemeente om zich te (blijven) begeven in het circuit van de autobranche.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Uit de verklaringen die appellanten tegenover de sociale recherche hebben afgelegd en uit het in 1.2 genoemde vonnis van de rechtbank Almelo en het arrest van het gerechtshof Arnhem blijkt dat appellant gedurende enkele jaren betrokken is geweest bij diverse (mogelijk twintig) autotransacties voor familieleden en vrienden.

4.2. Naar vaste rechtspraak van de Raad (CRvB 10 april 2012, LJN BW1275) rechtvaardigt het gegeven dat het kentekenbewijs van een auto op naam van een betrokkene staat, de vooronderstelling dat deze auto een bestanddeel van diens vermogen vormt waarover hij ook daadwerkelijk de beschikking heeft of redelijkerwijs kan beschikken.

4.3. In dit geval blijkt uit de gegevens van de Dienst Wegverkeer echter dat de onder 1.5 vermelde auto’s (de auto’s) niet op naam van appellanten geregistreerd stonden, maar op naam van [naam moeder], de moeder van appellante. De verklaringen die appellanten en [moeder] tegenover de sociale recherche hebben afgelegd en ondertekend bieden evenwel voldoende grondslag voor de conclusie dat appellant feitelijk de beschikkingsmacht over de auto’s had.

4.4. [moeder] heeft op 5 januari 2009 verklaard dat zij vanaf 2006 ongeveer zeven auto’s op haar naam heeft gehad omdat haar dochter, appellante, dat vroeg. Op die manier had appellante een auto om de kinderen naar school te brengen. [moeder] heeft nooit een auto betaald of ingeruild en ging er vanuit dat appellant dat deed. Zij heeft deze auto’s wel altijd verzekerd en de belasting hiervoor betaald. Zij gebruikt(e) de auto’s nooit zelf omdat zij geen rijbewijs heeft. Uit de verklaring van [moeder] blijkt ook dat zij mee moest als de auto op naam werd gesteld, wat zij één keer heeft gedaan met appellant en de overige keren met appellante.

4.5. De verklaringen van appellanten komen grotendeels overeen met die van [moeder]. Zo heeft appellante op 12 februari 2009 verklaard dat [moeder] inderdaad auto’s op naam heeft gehad, en dat appellant deze auto’s altijd gekocht en verkocht heeft. [moeder] zette de auto’s op haar naam zodat appellante in ieder geval een auto had om de kinderen weg te brengen. Zij waren failliet en mochten zelf geen auto’s op naam hebben. Appellant heeft op 11 maart 2009 verklaard dat [moeder] auto’s op haar naam heeft gehad en dat deze auto’s meestal door een vriend van hem werden aangekocht. Appellant liet deze auto’s dan op naam van [moeder] zetten zodat hij en appellante er in konden rijden totdat de auto’s weer werden doorverkocht.

4.6. In (hoger) beroep hebben appellanten en [moeder] andersluidende verklaringen afgelegd, die er in de kern op neerkomen dat [moeder] de auto’s heeft betaald, dat appellanten haar hebben geholpen bij de aanschaf daarvan en dat appellante de auto’s heeft gebruikt om [moeder] rond te rijden omdat zij geen rijbewijs heeft, maar wel vervoer nodig heeft in verband met haar slechte gezondheid en hoge leeftijd. Het is vaste rechtspraak van de Raad (CRvB 23 november 2010, LJN BO4810) dat in het algemeen van de juistheid van een tegenover een sociaal rechercheur afgelegde en ondertekende verklaring mag worden uitgegaan en dat aan het intrekken daarvan, of het achteraf ontkennen van het verklaarde, weinig of geen betekenis toekomt. Er bestaat geen aanleiding om in deze zaak van dit uitgangspunt af te wijken.

4.7. Het is aannemelijk dat op geld waardeerbare transacties hebben plaatsgevonden op de datum met ingang waarvan een kenteken niet langer op naam van [moeder] stond geregistreerd. Het moet appellanten redelijkerwijs duidelijk zijn geweest dat deze transacties van belang zijn voor de vaststelling van het recht op bijstand. Door het college hiervan niet op de hoogte te stellen, hebben appellanten in de transactiemaanden de op hen rustende wettelijke inlichtingenverplichting geschonden. Het valt niet uit te sluiten dat, zoals appellanten stellen, appellant van zijn contactpersoon bij de gemeente, mevrouw [naam mevrouw] toestemming had om zich te blijven begeven in het circuit van de autobranche. Zoals appellanten ter zitting van de Raad hebben erkend is daarmee echter geen toestemming gegeven aan appellant om autotransacties te verrichten.

4.8. Uit de stukken blijkt dat de [type 1] op 25 april 2008 is verkocht voor € 7.350,00. In april 2008 hebben appellanten dan ook een inkomen ontvangen boven de voor hen geldende bijstandsnorm, zodat zij geen recht hadden op bijstand. Over de verkoop van de [type 2] in juli 2008 en de [type 3] in september 2008 hebben appellanten geen gegevens aangeleverd, zodat als gevolg van schending van de inlichtingenverplichting het recht op bijstand over die maanden niet meer kan worden vastgesteld.

4.9. Appellanten hebben tegen de opgelegde maatregel geen afzonderlijke gronden aangevoerd.

4.10. Uit wat hiervoor is overwogen volgt dat het hoger beroep van appellanten niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.N.A. Bootsma, in tegenwoordigheid van V.C. Hartkamp als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 juni 2012.

(get.) J.N.A. Bootsma.

(get.) V.C. Hartkamp.

HD