Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BW9847

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
26-06-2012
Datum publicatie
28-06-2012
Zaaknummer
10-2217 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Hoger beroep niet ontvankelijk. Inhouding bijstand. Met het gedurende het hoger beroep genomen besluit waarbij de inhoudingen ongedaan zijn gemaakt is het college tegemoetgekomen aan het hoger beroep van appellante. Dit brengt mee dat appellante geen rechtens te respecteren, tot haar persoon te herleiden belang meer heeft bij een beoordeling ten gronde van de aangevallen uitspraak voor zover daarbij de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand zijn gelaten. Nu appellante niet om schadevergoeding heeft verzocht, is ook anderszins geen procesbelang aanwezig.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/2217 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 24 maart 2010, 09/6311 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van ’s-Gravenhage (college)

Datum uitspraak 26 juni 2012.

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. M.P. de Witte, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van 17 april 2012, waar partijen, met bericht, niet zijn verschenen.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante ontvangt met ingang van 25 januari 2008 bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande ouder.

1.2. Op 6 augustus 2009 heeft appellante bezwaar gemaakt tegen inhouding van € 90,55 over de periode 19 juni 2009 tot en met 18 juli 2009, zoals blijkend uit de uitkeringsspecificatie van 18 juli 2009.

1.3. Bij besluit van 31 augustus 2009 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard en dat besluit vernietigd. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat het bestreden besluit berust op een onjuiste wettelijke grondslag en voorts onvoldoende is gemotiveerd. Immers, eerst in het verweerschrift heeft het college meegedeeld op welke schuld, namelijk een boete van € 208,12, de inhouding betrekking had. Die vordering is niet verjaard. Daarom heeft rechtbank de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand gelaten.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd. Zij voert aan dat het college, nadat de boete terecht op haar uitkering was ingehouden, is doorgegaan met de inhoudingen voor andere schulden, terwijl was toegezegd dat dit niet zou gebeuren.

4. Bij besluit van 10 mei 2010 heeft het college de inhoudingen over de maanden september 2009 tot en met januari 2010 ongedaan gemaakt en aan appellante een bedrag van € 452,75 wegens ten onrechte ingehouden bijstand nabetaald.

5. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

5.1. Zoals de Raad eerder heeft overwogen (CRvB, 5 juli 2011, LJN BR1230) is eerst sprake van voldoende procesbelang indien het resultaat dat de indiener van een bezwaar- of beroepschrift met het maken van bezwaar of het indienen van beroep of hoger beroep nastreeft, daadwerkelijk kan worden bereikt en het realiseren van dat resultaat voor deze indiener feitelijk betekenis kan hebben. Het hebben van een louter formeel of principieel belang is onvoldoende voor het aannemen van voldoende procesbelang.

5.2. Met het onder 4 genoemde besluit is het college tegemoetgekomen aan het hoger beroep van appellante. Dit brengt mee dat appellante geen rechtens te respecteren, tot haar persoon te herleiden belang meer heeft bij een beoordeling ten gronde van de aangevallen uitspraak voor zover daarbij de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand zijn gelaten. Nu appellante niet om schadevergoeding heeft verzocht, is ook anderszins geen procesbelang aanwezig.

5.3. Hetgeen onder 5.1 en 5.2 is overwogen voert tot de conclusie dat het hoger beroep niet-ontvankelijk moet worden verklaard.

6. Voor een veroordeling van het college in de proceskosten van appellante in hoger beroep bestaat aanleiding, nu het college appellante na het instellen van het hoger beroep tegemoet is gekomen. Deze kosten worden begroot op € 437,-- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

-verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;

-veroordeelt het college in de kosten van appellante in hoger beroep tot een bedrag van € 437,--;

-bepaalt dat het college aan appellante het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 111,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door C. van Viegen als voorzitter en O.L.H.W.I. Korte en E.C.R. Schut als leden, in tegenwoordigheid van V.C. Hartkamp als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 juni 2012.

(get.) C. van Viegen.

(get.) V.C. Hartkamp.

HD