Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BW9772

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
13-06-2012
Datum publicatie
28-06-2012
Zaaknummer
10-5983 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering WAO-uitkering. Gelet op het geheel van de omtrent appellante beschikbare gegevens zijn er geen aanknopingspunten om het oordeel van de (bezwaar)verzekeringsartsen, dat binnen de in artikel 43a, eerste lid, aanhef en onder a, van de WAO genoemde termijn geen sprake was van een relevante toename van de beperkingen van appellante, voor onjuist te houden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/5983 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 22 oktober 2010, 09/1402 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 13 juni 2012

PROCESVERLOOP

Namens appellante is hoger beroep ingesteld door mr. P.H.A. Brauer, advocaat.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft, gevoegd met het onderzoek in de zaak 10/6100 ZW, plaatsgevonden op 2 mei 2012. Namens appellante is mr. Brauer verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door A.H.G. Boelen. Na de zitting is de behandeling van de zaken gesplitst.

OVERWEGINGEN

1.1. Appellante is op 21 december 1998 uitgevallen voor haar werkzaamheden wegens psychische klachten. Met ingang van 20 december 1999 is haar een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend naar de klasse 80 tot 100%. Bij besluit van 20 juli 2000 is de WAO-uitkering met ingang van 19 september 2000 ingetrokken.

1.2. Appellante heeft zich op 9 september 2002 wederom met psychische klachten ziek gemeld. Haar is toen een uitkering op grond van de Ziektewet toegekend. Per 12 juni 2003 is appellante hersteld verklaard. Bij besluit van 23 juni 2003 heeft het Uwv geweigerd appellante met ingang van 9 september 2003 in aanmerking te brengen voor een WAO-uitkering.

1.3. Op 19 november 2007 is appellante 20 uur per week gaan werken als administratief medewerkster. Appellante heeft op 2 december 2008 een nieuwe aanvraag om WAO-uitkering gedaan wegens sinds 2004 toegenomen psychische klachten en daarmee samenhangende darmklachten, die in 2005 zijn gediagnosticeerd als de ziekte van Crohn. Bij besluit van 17 maart 2009 heeft het Uwv de aanvraag van appellante afgewezen, omdat zij niet vier weken onafgebroken toegenomen arbeidsongeschikt was door dezelfde ziekteoorzaak binnen vijf jaar na de eerdere afschatting. Bij besluit van 10 juli 2009 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 17 maart 2009 ongegrond verklaard.

2.1. In beroep heeft appellante aangevoerd dat zich in de beoordelingsperiode enkele heftige gebeurtenissen in de persoonlijke levenssfeer hebben voorgedaan (de breuk met haar aan alcoholverslaafde vader, een echtscheiding en de uitzetting van de vader van haar kinderen) die leidden tot een zodanige toename van beperkingen op psychisch gebied dat zij hierdoor weer volledig arbeidsongeschikt werd. Ook de ziekte van Crohn riep ernstige stress op bij appellante, die lijdt aan recidiverende depressies en een zwakke persoonlijkheidsstructuur heeft. Ter ondersteuning van haar standpunt dat het Uwv onjuiste conclusies heeft getrokken, heeft appellante een psychologisch onderzoeksrapport van Virenze van 12 mei 2009 overgelegd waaruit blijkt dat op dat moment sprake was van een ernstige depressie, terwijl de bezwaarverzekeringsarts op 7 juli 2009 rapporteerde dat er (toen) geen duidelijke depressieve kenmerken waren.

2.2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat voor de toekenning van een WAO-uitkering op grond van artikel 43a, eerste lid, aanhef en onder a, van de WAO is vereist dat de geclaimde klachten voortkomen uit dezelfde ziekteoorzaak als die waaruit de arbeidsongeschiktheid ter zake waarvan de ingetrokken uitkering werd genoten. Op grond van de bevindingen van de (bezwaar)verzekeringsarts alsmede uit de informatie van de behandelende sector is niet kunnen blijken dat bij appellante sedert de periode 2004/2005 sprake is van een toename van beperkingen ten opzichte van de beperkingen, zoals die in het rapport van de verzekeringsarts van 23 mei 2000 zijn weergegeven. Daarbij is ervan uitgegaan dat de buikklachten met diarree nieuwe klachten zijn en daarom niet in de beoordeling kunnen worden betrokken.

3.1. Appellante heeft in hoger beroep betoogd dat de beperkingen als gevolg van de ziekte van Crohn wel degelijk in de beoordeling dienen te worden meegenomen. De bij haar in 2000 reeds bestaande ziekte, te weten de recidiverende depressie met specifieke karakterstructuur, heeft een duidelijke wisselwerking met de ziekte van Crohn. De gevolgen van de ziekte van Crohn werken op haar psyche en verergeren haar depressie, maar andersom geldt dat ook. Er is sprake van een wisselwerking en in die zin zijn beide ziektes aan elkaar gekoppeld, waarvan één ziekte heeft geleid tot toekenning van een WAO-uitkering.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. De WAO-uitkering van appellante is ingetrokken met ingang van 19 september 2000. In artikel 43a, eerste lid, aanhef en onder a, van de WAO is bepaald dat toekenning van een arbeidsongeschiktheidsuitkering steeds plaatsvindt zodra de arbeidsongeschiktheid onafgebroken vier weken heeft geduurd, indien binnen vijf jaar na de datum van intrekking (dus in dit geval voor 19 september 2005) sprake is van arbeidsongeschiktheid en deze arbeidsongeschiktheid voortkomt uit dezelfde oorzaak als die waaruit de arbeidsongeschiktheid ter zake waarvan de ingetrokken uitkering werd genoten.

4.2. Evenals de rechtbank heeft ook de Raad, gelet op het geheel van de omtrent appellante beschikbare gegevens zoals deze naar voren komen uit de rapportages van de arts F.X.V.M. Jansen van 9 maart 2009, de bezwaarverzekeringsarts K. Corten van 7 juli 2009, 31 augustus 2009 en van de bezwaarverzekeringsarts J. Bruintjes van 11 november 2011, geen aanknopingspunten gevonden om het oordeel van de (bezwaar)verzekeringsartsen dat binnen de in artikel 43a, eerste lid, aanhef en onder a, van de WAO genoemde termijn geen sprake was van een relevante toename van de beperkingen van appellante voor onjuist te houden.

4.2.1. De arts heeft gerapporteerd dat in de jaren 2004/2005 wordt gesproken over een darmaandoening, die in 2000 niet werd genoemd en waarvan in 2000 ook geen klachten werden vermeld. In 2004 is evenals in 2000 sprake van een dysthyme stoornis, waarbij het wisselende stemmingspatroon niet kan worden gezien als een blijvende toename van de beperkingen.

4.2.2. Bezwaarverzekeringsarts Corten heeft gerapporteerd dat appellante bekend is met een kwetsbare persoonlijkheidsstructuur, maar dat in de periode 2004 tot 19 september 2005 geen duidelijk moment is aan te geven, waarbij er een evidente toename van de psychische klachten optrad met daardoor meer beperkingen en volledige arbeidsongeschiktheid, gedurende 4 weken of meer. Appellante werd weliswaar begeleid door het maatschappelijk werk, maar er vond geen doorverwijzing plaats voor psychotherapeutische hulp en er werd geen medicatie voorgeschreven. In de rapporten van Virenze van 12 mei 2009 en 23 december 2010 ziet bezwaarverzekeringsarts Bruintjes geen aanleiding om tot een andersluidend oordeel te komen. Deze rapporten schetsen volgens hem slechts een beeld van de actuele psychische toestand van appellante in 2009/2010. De bevindingen zien niet op en kunnen evenmin rechtstreeks worden herleid naar de periode in geding. Dit geldt eveneens voor de stukken die betrekking hebben op de weigering appellante in aanmerking te brengen voor een Wsw-indicatie.

4.2.3. De bezwaarverzekeringsartsen hebben voorts op inzichtelijke en overtuigende wijze uiteengezet dat er geen rechtstreeks oorzakelijk objectiveerbaar verband is tussen de reeds jarenlang aanwezige psychische klachten en het ontstaan van de ziekte van Crohn, zodat geen sprake is van toename van klachten voortvloeiend uit dezelfde oorzaak als die waarvoor eerder een WAO-uitkering werd ontvangen. De in 2004 ontstane darmklachten, waarvoor appellante sinds februari 2005 onder behandeling is van een maag-darmarts, zijn nieuwe klachten.

5. Uit hetgeen onder 4.1 tot en met 4.2.3 is overwogen vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en B.M. van Dun en J.J.T. van den Corput als leden, in tegenwoordigheid van N.S.A. El Hana als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 juni 2012.

(getekend) Ch. van Voorst

(getekend) N.S.A. El Hana

KR