Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BW9759

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
19-06-2012
Datum publicatie
28-06-2012
Zaaknummer
11-2938 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Aan appellante is bijzondere bijstand verleend tot een bedrag van € 362,--. Op de door appellante gedeclareerde kosten van € 612,-- is € 250,-- in mindering gebracht, zijnde het bedrag dat aan haar zou zijn vergoed als zij de collectieve aanvullende ziektekostenverzekering had afgesloten die door de gemeente Leeuwarden met verzekeraar Frieso is overeengekomen. Geen sprake van acute noodsituatie. Buitenwettelijk begunstigend beleid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/2938 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 7 april 2011, 11/71 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Leeuwarden (college)

Datum uitspraak 19 juni 2012.

PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 mei 2012. Appellante is verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door S.E. de Jong.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante heeft op 18 mei 2010 een aanvraag om bijzondere bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) ingediend voor de kosten van mondhygiënische behandeling.

1.2. Bij besluit van 28 mei 2010 heeft het college op deze aanvraag beslist en aan appellante bijzondere bijstand verleend tot een bedrag van € 362,--. Op de door appellante gedeclareerde kosten van € 612,-- is € 250,-- in mindering gebracht, zijnde het bedrag dat aan haar zou zijn vergoed als zij de collectieve aanvullende ziektekostenverzekering had afgesloten die door de gemeente Leeuwarden met verzekeraar Frieso is overeengekomen.

1.5. Bij besluit van 3 december 2010 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van appellante tegen het besluit van 28 mei 2010 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellante heeft in hoger beroep, samengevat, het volgende aangevoerd. Het college heeft ten onrechte € 250,-- in mindering gebracht op de vergoeding. Nu het gaat om noodgedwongen gemaakte kosten, die het gevolg zijn van een fout van de tandarts, had het college in dit zeer bijzondere geval alle kosten moeten vergoeden.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Voor de kosten van mondzorg dient sinds 1 januari 2006 de Zorgverzekeringswet (Zvw), mede gelet op artikel 2.7 van het Besluit zorgverzekering, in beginsel als een aan de WWB voorliggende, toereikende en passende voorziening als bedoeld in artikel 15, eerste lid, eerste volzin, van de WWB te worden beschouwd. In gevallen waarin deze zorg, als zijnde niet noodzakelijk, niet tot de prestaties behoort die op grond van het bij of krachtens de Zvw bepaalde voor vergoeding in aanmerking komen, staat artikel 15, eerste lid, tweede volzin, van de WWB in beginsel aan bijstandsverlening in de weg.

4.2. Ingevolge artikel 16, eerste lid, van de WWB kan het college aan een persoon die geen recht op bijstand heeft, gelet op alle omstandigheden, toch bijstand verlenen indien zeer dringende redenen daartoe noodzaken. Volgens de memorie van toelichting bij deze bepaling dient dan vast te staan dat sprake is van een acute noodsituatie. Uit hetgeen appellante heeft aangevoerd, blijkt niet van een acute noodsituatie, zodat geen grond bestaat voor verlening van bijzondere bijstand op grond van artikel 16, eerste lid, van de WWB.

4.3. Het college heeft in de Beleidsregels buitenwettelijk beleid, algemene bijstand, bijzondere bijstand en langdurigheidstoeslag (Beleidsregels) opgenomen dat, ook indien een voorliggende voorziening aan bijstandsverlening in de weg staat en geen zeer dringende redenen bestaan als bedoeld in artikel 16, eerste lid, van de WWB, het college de burger op grond van buitenwettelijk beleid wil ondersteunen in situaties waarbij extra noodzakelijke ziektekosten voor diens rekening blijven. Daarbij is bepaald dat het college het redelijk vindt om, in de situatie dat de persoon geen aanvullende verzekering heeft afgesloten, bij de berekening van de te verstrekken bijstand ervan uit te gaan dat een mogelijke vergoeding op basis van de collectieve verzekering AV-Frieso in mindering wordt gebracht op te verstrekken bijstand.

4.4. Volgens vaste rechtspraak van de Raad, zie bijvoorbeeld de uitspraak van 7 juli 2009, LJN BJ1918, wordt buitenwettelijk begunstigend beleid als gegeven aanvaard en toetst de bestuursrechter slechts of dat beleid op consistente wijze is toegepast. Dit is het geval, nu het college overeenkomstig het beleid bij de berekening van de te verstrekken bijstand € 250,-- in mindering heeft gebracht, zijnde het bedrag dat aan appellante zou zijn vergoed als zij de collectieve aanvullende ziektekostenverzekering had afgesloten die door de gemeente met verzekeraar Frieso is overeengekomen.

4.5. Uit 4.1 tot en met 4.4 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C. van Viegen als voorzitter en E.J.M. Heijs en C.H. Bangma als leden, in tegenwoordigheid van A.C. Oomkens als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 juni 2012.

(get.) C. van Viegen.

(get.) A.C. Oomkens.

IJ