Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BW9756

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
19-06-2012
Datum publicatie
28-06-2012
Zaaknummer
10-5739 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering om aan een huisbezoek mee te werken. Afwijzing aanvraag. De (…) genoemde feiten en omstandigheden leveren een redelijke grond op voor een huisbezoek. De stelling van appellant dat het recht op bijstand kon worden vastgesteld op een voor appellant minder belastende wijze, namelijk door middel van het horen van appellant, wordt niet gevolgd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/5739 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 8 september 2010, 10/2344 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van ’s-Gravenhage (college)

Datum uitspraak 19 juni 2012.

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. E. Tamas, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 mei 2012. Appellant is verschenen. Het college heeft zich, met bericht, niet laten vertegenwoordigen.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Naar aanleiding van de aanvraag om bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande, heeft de Dienst SZW (Dienst) van de gemeente ’s-Gravenhage een onderzoek verricht naar de woon- en leefsituatie van appellant. Bij dit onderzoek werd geconstateerd dat appellant maandelijks stortingen verricht op zijn rekening en dat hij een hoger dan gemiddeld waterverbruik heeft voor een eenpersoonshuishouden. Naar aanleiding hiervan zijn vier bezoeken afgelegd door de Dienst aan de woning van appellant. Bij deze bezoeken aan de woning werd driemaal niet opengedaan en bij het vierde bezoek aan de woning werd de deur niet geopend door appellant, maar door een persoon met de Spaanse nationaliteit, die vertelde dat appellant bij zijn vriendin verbleef. Vervolgens is appellant in een gesprek bij de Dienst op 2 december 2009 verzocht mee te werken aan een huisbezoek. In dit gesprek heeft appellant geweigerd daaraan mee te werken. Appellant heeft verklaard dat hij pas na ontvangst van de uitkering bereid is om een huisbezoek te laten plaatsvinden. De bevindingen van de Dienst zijn neergelegd in een rapportage van 5 november 2009 (lees: 4 december 2009).

1.2. Vanwege de weigering van appellant om aan een huisbezoek mee te werken, heeft het college bij besluit van 4 december 2009 de aanvraag van appellant om bijstand afgewezen.

1.3. Bij besluit van 22 februari 2010 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 4 december 2009 ongegrond verklaard. Het college heeft aan dit besluit ten grondslag gelegd dat appellant niet heeft voldaan aan zijn verplichting om alle medewerking te verlenen die nodig is om de WWB uit te voeren, aangezien hij een huisbezoek heeft geweigerd. Het recht op bijstand kan daardoor niet worden vastgesteld.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft in hoger beroep, samengevat, aangevoerd dat geen redelijke grond voor een huisbezoek bestond. Het enkele feit dat zijn waterverbruik hoger bleek te zijn dan het gemiddelde waterverbruik kan, naar de mening van appellant, niet als redelijke grond worden aangemerkt. Het college had gebruik moeten maken van een minder ingrijpend middel, namelijk door hem om nadere informatie te vragen. Voorts heeft appellant de Raad ter zitting verzocht om de consulent van de Dienst die zijn aanvraag heeft behandeld op te roepen als getuige.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Het verzoek om de consulent op te roepen en als getuige te horen is eerst ter zitting gedaan. Gelet op het late moment waarop dit verzoek is gedaan en nu de rapportage van de Dienst geen aanleiding geeft de consulent te horen wordt het verzoek afgewezen.

4.2. Volgens vaste rechtspraak van de Raad (CRvB 1 februari 2011, LJN BP3831) kunnen aan het niet meewerken aan een huisbezoek eerst gevolgen worden verbonden in de vorm van het weigeren, beëindigen of intrekken van de bijstand indien voor dat huisbezoek een redelijke grond bestaat. Zoals de Raad eerder heeft overwogen, onder meer in zijn uitspraak van

24 november 2009, LJN BK4057, is van een dergelijke grond sprake als voorafgaand aan - dat wil zeggen: vóór of uiterlijk bij aanvang van - het huisbezoek duidelijk is dát en op grond van welke concrete objectieve feiten en omstandigheden redelijkerwijs kan worden getwijfeld aan de juistheid of de volledigheid van de door de betrokkene verstrekte gegevens, voor zover deze van belang zijn voor het vaststellen van (de omvang van) het recht op bijstand en niet op een andere effectieve en voor betrokkene minder belastende wijze kunnen worden geverifieerd. Is sprake van een redelijke grond voor het afleggen van een huisbezoek dan dient de belanghebbende erop te worden gewezen dat het weigeren van toestemming gevolgen kan hebben voor de verlening van bijstand.

4.3. Uit de rapportage van de Dienst komt naar voren dat appellant maandelijks stortingen verrichtte op zijn rekening, dat hij een hoger dan gemiddeld waterverbruik had voor een eenpersoonshuishouden en dat bij vier bezoeken van de Dienst aan de woning van appellant driemaal niet werd opengedaan en dat bij het vierde bezoek aan de woning de deur niet werd geopend door appellant maar door een man met de Spaanse nationaliteit. Deze man vertelde dat appellant bij zijn vriendin verbleef. Op grond hiervan moet worden geconcludeerd dat, in tegenstelling tot hetgeen appellant stelt, het verzoek van het college om toestemming voor een huisbezoek niet enkel was gebaseerd op het waterverbruik van appellant.

4.4. De in 4.3 genoemde feiten en omstandigheden leveren een redelijke grond op voor een huisbezoek. De stelling van appellant dat het recht op bijstand kon worden vastgesteld op een voor appellant minder belastende wijze, namelijk door middel van het horen van appellant, wordt niet gevolgd. Appellant is in het gesprek met de Dienst op 2 december 2009 geconfronteerd met de conclusies uit het vooronderzoek en de uitkomsten van de bezoeken aan de woning. Ook is appellant gewezen op de gevolgen van het weigeren van toestemming voor de aanvraag om bijstand. In dit gesprek had appellant de gelegenheid om een afdoende verklaring te geven voor de bevindingen van de Dienst. Met het college wordt geconcludeerd dat appellant dit heeft nagelaten.

4.5. Het college heeft appellant terecht tegengeworpen dat hij niet heeft voldaan aan de op hem rustende medewerkingsverplichting door niet mee te werken aan het huisbezoek, teneinde een zo betrouwbaar mogelijk beeld te krijgen van zijn woon- en leefsituatie, met als gevolg dat het recht op bijstand van appellant niet was vast te stellen.

4.6. Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.C.F. Talman als voorzitter en C.H. Bangma en M.F. Wagner als leden, in tegenwoordigheid van J. van Dam als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 juni 2012.

(get.) J.C.F. Talman.

(get.) J. van Dam.

HD