Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BW9736

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
20-06-2012
Datum publicatie
28-06-2012
Zaaknummer
11-5801 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening WAO-uitkering naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Ingangsdatum. Het medisch onderzoek is zorgvuldig geweest. Er zijn geen medische stukken die het standpunt van appellant onderschrijven dat hij eerder meer medische beperkingen ondervond dan door het Uwv is vastgesteld. Het Uwv heeft onderbouwd waarom voor de hier in geding zijnde ingangsdatum is gekozen. Appellant heeft daartegen geen gronden aangevoerd die worden gesteund door medische stukken. Het beroep op het vertrouwensbeginsel slaagt niet.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/5801 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 31 augustus 2011, 11/3658 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 20 juni 2012

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. A.C.H. Walkate, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden door de enkelvoudige kamer op 15 februari 2012. Appellant en mr. Walkate zijn verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.J. Grasmeijer. Bij die gelegenheid is het onderzoek ter zitting gesloten.

Het onderzoek is heropend en de enkelvoudige kamer heeft de zaak verwezen naar de meervoudige kamer.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 mei 2012. Appellant, mr. Walkate en mr. Grasmeijer zijn wederom verschenen.

OVERWEGINGEN

1. Aan appellant was met ingang van 3 mei 2006 een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%. Bij besluit van 12 oktober 2010 heeft het Uwv die uitkering met ingang van 6 augustus 2009 herzien en verhoogd naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Appellant heeft tegen dat besluit bezwaar gemaakt welk bezwaar bij besluit van 9 maart 2011 (bestreden besluit) ongegrond is verklaard.

2. Appellant heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard. De rechtbank was van oordeel dat het Uwv voldoende had onderbouwd dat de eerste ziektedag met toename van beperkingen gesteld moest worden op 9 juli 2009. De rechtbank wees daarbij op het feit dat appellant eerst sinds juli 2009 onder behandeling was gekomen van een psycho-medisch centrum. In de rapportage van de behandelend psychiater was volgens de rechtbank geen aanleiding gelegen om een eerdere toename van de beperkingen aan te nemen. Het beroep dat appellant deed op het vertrouwensbeginsel omdat het Uwv te kennen had gegeven dat de verhoging van het arbeidsongeschiktheidspercentage zou plaatsvinden met ingang van 7 juli 2007 slaagde volgens de rechtbank niet, omdat geen uitdrukkelijke, ondubbelzinnige en ongeclausuleerde toezegging was gedaan door een bevoegd orgaan.

3. Appellant heeft in hoger beroep gesteld dat het Uwv ten aanzien van hem meer beperkingen had moeten aannemen, waarbij appellant onder meer verwijst naar zijn in 2007 verergerende longklachten en naar zijn psychiatrische problemen. Appellant stelt dat het onderzoek onzorgvuldig is geweest. Daarnaast stelt appellant dat het Uwv het bij hem gewekte vertrouwen dat hem per medio 2007 een verhoogde WAO-uitkering zou worden toegekend, moet honoreren.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Het hoger beroep ten aanzien van de mate van arbeidsongeschiktheid komt er op neer dat appellant van mening is dat hij eerder meer medische beperkingen ondervond dan door het Uwv is vastgesteld. Zoals ter zitting van 15 februari 2012 is vastgesteld, zijn er geen andere medische gegevens die dat standpunt ondersteunen dan die gegevens waarover het Uwv reeds beschikte ten tijde van het bestreden besluit. Nu het Uwv die gegevens bij de voorbereiding van het bestreden besluit heeft betrokken en de daartoe strekkende onderzoeken zorgvuldig zijn geweest, slaagt deze grond niet.

4.2. Zoals het Uwv zelf heeft aangegeven, heeft de ingangsdatum van de verhoging van de mate van arbeidsongeschiktheid een zeker arbitrair karakter, maar het Uwv heeft wel onderbouwd, met stukken van de behandelaars, waarom voor die datum is gekozen. Tevens is zowel medisch als juridisch onderbouwd waarom de longklachten niet in 2007 tot een verhoging van de uitkering konden leiden. Appellant heeft daartegen geen gronden aangevoerd die worden gesteund door medische stukken. De door Uwv gekozen ingangsdatum van 7 juli 2009 kan dan ook in stand worden gelaten.

4.3. Niet betwist is dat een arbeidskundige van het Uwv in het kader van de schatting op 8 september 2010 in een gesprek aan appellant heeft verteld dat zijn WAO-uitkering met ingang van 7 juli 2007 zou worden opgehoogd. Bij brief van 9 september 2010 is dat door deze arbeidskundige vervolgens ook schriftelijk aan appellant bevestigd. In het daarop volgende besluit van 12 oktober 2010 heeft het Uwv de ingangsdatum van de verhoging echter gewijzigd in 6 augustus 2009. Weliswaar was de brief van 9 september 2010 afkomstig van het Uwv en was deze ondubbelzinnig zodat daarmee verwachtingen werden gewekt, maar daarmee staat niet vast dat het Uwv was gehouden die verwachtingen te honoreren. Ondanks de stellige bewoordingen over “ophoging” van de uitkering volgde uit die brief immers evenzeer dat de conclusies nog niet definitief waren en dat deze nog wel moesten worden bevestigd. Het gaat hier bovendien om een aanspraak in het verleden. Het niet gestand doen van hetgeen eerder schriftelijk aan appellant was bevestigd, betekende in dit geval dat het door appellant verwachte mogelijke voordeel minder groot was. In die zin is appellant met het besluit van 12 oktober 2010 dan ook niet benadeeld. Appellant heeft tenslotte ook niets gedaan of nagelaten, zoals ter zitting van zijn kant is erkend, waardoor hij in een nadeliger toestand is komen te verkeren.

4.4. Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.

5. Er bestaat geen aanleiding voor een veroordeling van het Uwv in de proceskosten van appellant.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door H.G. Rottier als voorzitter en M. Greebe en D.J. van der Vos als leden, in tegenwoordigheid van H.L. Schoor als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 juni 2012.

(getekend) H.G. Rottier

(getekend) H.L. Schoor

TM