Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BW9702

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
19-06-2012
Datum publicatie
28-06-2012
Zaaknummer
10-4501 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Terugvordering deel nabetaling gezinsbijstand bij inmiddels gewezen partners; geen onverschuldigde betaling. Het college heeft achterstallige gezinsbijstand, op een tijdstip dat man en vrouw kennelijk niet meer samenwoonden, nabetaald op dezelfde bankrekening (van de vrouw) als waarop de bijstand voorheen werd overgemaakt. Na bezwaar door de man is hem alsnog de helft van de gezinsbijstand uitbetaald en is de andere helft weer van de vrouw teruggevorderd. De vrouw komt hier tegen op.

Wetsverwijzingen
Wet werk en bijstand 58.1.e
Wet werk en bijstand 45.4
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 2012/202
JWWB 2012/139 met annotatie van C. Lennertz
USZ 2012/209
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/4501 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 7 juli 2010, 09/1951 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Lelystad (college)

Datum uitspraak: 19 juni 2012

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. M.Th.A.M. Mes, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is aan de orde gesteld ter zitting van 8 mei 2012. Partijen zijn, met voorafgaand bericht, niet verschenen.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante en [M.] ([M.]) ontvingen sinds 8 juli 2003 bijstand naar de norm voor gehuwden, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB).

1.2. Bij besluit van 20 december 2006 heeft het college de aan appellante en [M.] verleende bijstand met ingang van 1 april 2006 ingetrokken. Bij besluit van 9 januari 2007 heeft het college voorts de kosten van bijstand over de periode van 1 april 2006 tot en met 31 oktober 2006 tot een bedrag van € 7.846,43 van hen teruggevorderd. Daaraan is ten grondslag gelegd dat zij onvoldoende inlichtingen hebben verstrekt over de wijze waarop zij in de kosten van levensonderhoud hebben voorzien met als gevolg dat niet kan worden beoordeeld of zij in bijstandbehoevende omstandigheden verkeren. Bij besluit van 16 februari 2007 is een op 18 januari 2007 nieuw ingediende aanvraag om bijstand afgewezen. Bij besluit van 5 juli 2007 heeft het college de bezwaren tegen de besluiten van 20 december 2006 en 9 januari 2007 ongegrond verklaard. Bij besluit van 3 augustus 2007 is het bezwaar tegen het besluit van 16 februari 2007 ongegrond verklaard.

1.3. Bij uitspraak van 9 mei 2008 heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 5 juli 2007 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat het college een nieuwe beslissing op bezwaar dient te nemen. Het beroep tegen het besluit van 3 augustus 2007 is niet-ontvankelijk verklaard. Daartoe is overwogen dat betrokkenen, in verband met het hervatten van de bijstand, geen belang meer hebben bij de beoordeling van een nieuwe aanvraag om bijstand. In hoger beroep heeft de Raad heeft deze uitspraak bevestigd bij zijn uitspraak van 19 januari 2010, LJN BL0249.

1.4. Ter uitvoering van de uitspraak van de rechtbank van 9 mei 2008 heeft het college bij besluit van 5 november 2008 de intrekking en terugvordering van de aan appellante en [M.] verleende bijstand ongedaan gemaakt en de bijstand per 1 november 2006 hervat naar de gehuwdennorm. Met ingang van 15 maart 2007 is de bijstand ingetrokken op de grond dat [M.] per die datum inkomen uit arbeid ontving boven de bijstandsnorm voor gehuwden. In december 2008 heeft de nabetaling over de periode van 1 november 2006 tot en met 14 maart 2007 plaatsgevonden en is een bedrag van € 4.297,85 op de bankrekening van appellante overgemaakt. Dit is dezelfde bankrekening waarop voorheen tot 1 november 2006 de gezinsbijstand voor appellante en [M.] betaalbaar is gesteld.

1.5. [M.] heeft bezwaar gemaakt tegen de nabetaling aan appellante en daarbij onder meer aangevoerd dat hij sinds 20 maart 2008 niet meer met haar samenwoont. Bij besluit van 15 april 2009 heeft het college dat bezwaar gegrond verklaard en aan hem alsnog de helft van het aan appellante en hem na te betalen bedrag over de periode van 1 november 2006 tot en met 16 mei 2007 (lees: 14 maart 2007) uitbetaald.

1.6. Voorts heeft het college bij besluit van 29 juli 2009 de helft van het eerder nabetaalde bedrag (€ 2.148,93) van appellante teruggevorderd. Het daartegen gemaakte bezwaar is bij besluit van 7 oktober 2009 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Daarbij heeft het college, kort gezegd, overwogen dat met toepassing van artikel 54, derde lid, aanhef en onder b, van de WWB tot herziening van de ten onrechte aan appellante nabetaalde bijstand is besloten en dat daarmee de bevoegdheid tot terugvordering op grond van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder e, van de WWB is gegeven.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep, met beslissingen inzake proceskosten en griffierecht, gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd voor zover dit ziet op de herziening, en het beroep ongegrond verklaard voor wat betreft de terugvordering. Daartoe is overwogen dat artikel 54, derde lid, aanhef en onder b, van de WWB in dit geval toepassing mist, omdat de bijstand niet ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend en artikel 58, eerste lid, aanhef en onder e, van de WWB overigens een zelfstandige terugvorderingsgrond behelst, zodat een voorafgaand herzieningsbesluit niet is aangewezen. Ten aanzien van de terugvordering heeft de rechtbank onder meer overwogen dat aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder e, van de WWB is voldaan, omdat appellante redelijkerwijs had kunnen begrijpen dat de nabetaling mede bestemd was voor [M.].

3. Appellante heeft zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Ingevolge artikel 58, eerste lid, aanhef en onder e, van de WWB kan het college van de gemeente die de bijstand heeft verleend kosten van bijstand terugvorderen, voor zover de bijstand anderszins onverschuldigd is betaald voor zover de belanghebbende dit redelijkerwijs had kunnen begrijpen.

4.2. De rechtbank heeft ten onrechte geoordeeld dat in dit geval niet aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder e, van de WWB is voldaan. De nabetaalde bijstand is immers niet (anderszins) onverschuldigd betaald. Appellante en [M.] voerden tijdens de periode van 1 november 2006 tot en met 14 maart 2007 een gezamenlijke huishouding, hadden onbetwist recht op bijstand naar de gehuwdennorm en de nabetaling van de bijstand had op deze periode betrekking. Het college heeft door de nabetaling van het bedrag van € 4.297,85 bovendien bevrijdend betaald. Dit laat overigens onverlet dat [M.] zijn aanspraken op in beginsel de helft van dat bedrag jegens appellante geldend zou kunnen maken. De enkele omstandigheid dat appellante en [M.] ten tijde van de nabetaling in december 2008 kennelijk niet meer samenwoonden leidt niet tot een ander oordeel. Het bepaalde in artikel 45, vierde lid, van de WWB kan aan het voorgaande niet afdoen, te minder nu de gezinsbijstand voorheen met kennelijke instemming van [M.] op de bankrekening van appellante werd overgemaakt en tussentijds niet van een uitdrukkelijke wijziging in dat opzicht is gebleken. Ook het feit dat het college naderhand aan [M.] nog een bedrag van € 2.148,93 (de helft van het bedrag van de reeds nabetaalde gezinsbijstand) heeft uitbetaald werpt geen ander licht op de zaak. Daaruit vloeit op zichzelf immers evenmin voort dat de eerdere nabetaling onverschuldigd was.

4.3. Nu de conclusie is dat niet onverschuldigd is betaald, kan de vraag of appellante redelijkerwijs had kunnen begrijpen dat het nabetaalde bedrag niet alleen voor haar zelf bestemd was buiten bespreking blijven. Dit betekent dat het college niet bevoegd was met toepassing van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder e, van de WWB een bedrag van € 2.148,93 van appellante terug te vorderen.

4.4. De rechtbank heeft een en ander niet onderkend, zodat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, moet worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen zal de Raad het bestreden besluit vernietigen voor zover aangevochten en het besluit van 29 juli 2009 herroepen. De Raad neemt daarbij in overweging dat in de WWB geen andere grondslag voor terugvordering van appellante valt aan te wijzen.

5. De Raad ziet voorts aanleiding het college te veroordelen in de kosten van de bezwaarprocedure en de proceskosten in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 644,-- in bezwaar en op € 437,-- voor het indienen van een hoger beroepschrift.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

-vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten;

-verklaart het beroep gegrond;

-vernietigt het besluit van 7 oktober 2009 voor zover aangevochten;

-herroept het besluit van 29 juli 2009;

-veroordeelt het college in de kosten van appellante tot een bedrag van € 1.081,--;

-bepaalt dat het college aan appellante het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 111,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs als voorzitter en H.C.P. Venema en W.H. Bel als leden, in tegenwoordigheid van J. van Dam als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 juni 2012.

(get.) R.H.M. Roelofs.

(get.) J. van Dam.

HD