Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BW9691

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
19-06-2012
Datum publicatie
28-06-2012
Zaaknummer
10-4477 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Aanvraag bijstandsuitkering buiten behandeling gesteld. Appellant heeft niet binnen de genoemde termijn de voor de behandeling van de aanvraag ontbrekende gegevens overgelegd. Appellant heeft verwijtbaar nagelaten de gevraagde gegevens tijdig over te leggen en er is geen aanleiding voor het college de vader van appellant ten tijde van de aanvraag als gemachtigde van appellant aan te merken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/4477 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 7 juli 2010, 09/8165 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Zoetermeer (college)

Datum uitspraak: 19 juni 2012

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J.M. Breevoort hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 mei 2012. Voor appellant is verschenen [naam vader], vader van appellant, bijgestaan door mr. Breevoort. Het college heeft zich, zoals tevoren bericht, niet laten vertegenwoordigen.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant heeft op 14 juli 2009 een aanvraag om bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) ingediend. Bij brieven van 23 juli 2009 en 30 juli 2009 heeft het college appellant gevraagd om binnen één week ontbrekende gegevens te overleggen. Bij besluit van 10 augustus 2009 heeft het college de aanvraag met toepassing van artikel 4:5, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) buiten behandeling gesteld op de grond dat appellant niet binnen de in de brief van 30 juli 2009 genoemde termijn de voor de behandeling van de aanvraag ontbrekende gegevens heeft overgelegd.

1.2. Bij besluit van 16 oktober 2009 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 10 augustus 2009 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak, voor zover hier van belang, heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd. Hij heeft aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte geen betekenis toekent aan het vermoeden dat bij hem sprake is van een stoornis, waardoor hij niet binnen de termijn de gevraagde gegevens heeft kunnen overleggen. Verder heeft appellant zich op het standpunt gesteld dat het op de weg van het college had gelegen om de voor appellant bestemde post te richten aan zijn vader. Deze is namelijk tevens gemachtigde van zijn broer, bij wie een psychische stoornis is vastgesteld en die ook een bijstandsuitkering ontvangt. Appellant heeft er verder op gewezen dat, voorafgaand aan de indiening van de aanvraag, zijn vader al met de gemeente contact had opgenomen om het verzoek tot indiening van een aanvraag kenbaar te maken. Bovendien heeft appellant op het aanvraagformulier te kennen gegeven dat de bijstand op de rekening van zijn vader moet worden overgemaakt.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Artikel 4:5, eerste lid, van de Awb bepaalt, voor zover van belang, dat het bestuursorgaan kan besluiten de aanvraag niet te behandelen, indien de verstrekte gegevens en bescheiden onvoldoende zijn voor de beoordeling van de aanvraag of voor de voorbereiding van de beschikking, mits de aanvrager de gelegenheid heeft gehad de aanvraag binnen een door het bestuursorgaan gestelde termijn aan te vullen. Blijkens de geschiedenis van de totstandkoming van deze bepaling gaat het bij een onvolledige of ongenoegzame aanvraag onder meer om het onvoldoende verstrekken van gegevens of bescheiden om een goede beoordeling van de aanvraag mogelijk te maken. Daarbij gaat het, gelet op artikel 4:2, tweede lid, van de Awb, om gegevens die voor de beslissing op de aanvraag nodig zijn en waarover de aanvrager redelijkerwijs de beschikking kan krijgen.

4.2. Vaststaat dat appellant de gevraagde gegevens niet binnen de bij brief van 30 juli 2009 vergunde hersteltermijn heeft overgelegd. Niet betwist is dat deze gegevens noodzakelijk zijn voor het beoordelen van de aanvraag van appellant om bijstand. Evenmin is de redelijkheid van de termijn om de gevraagde gegevens te overleggen betwist.

4.3. Het geschil spitst zich toe op de vraag of appellant verwijtbaar heeft nagelaten de gevraagde gegevens tijdig over te leggen en of het college aanleiding had behoren te zien de vader van appellant ten tijde van de aanvraag als gemachtigde van appellant aan te merken.

4.3.1. Namens appellant is te kennen gegeven dat er geen medisch objectiveerbare gegevens voorhanden zijn, op grond waarvan kan worden aangetoond dat appellant niet verwijtbaar heeft nagelaten de gevraagde gegevens tijdig over te leggen. Namens appellant is gesteld dat het ontbreken van medische gegevens verband houdt met het gegeven dat appellant weigert zich te laten onderzoeken. Nu zelfs ieder begin van bewijs ontbreekt dat bij appellant sprake is van een psychische stoornis, met gevolgen voor het zelfstandig behartigen van zijn eigen belangen, heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat onvoldoende aannemelijk is geworden dat appellant geen verwijt kan worden gemaakt van het niet tijdig overleggen van de gevraagde gegevens. Daarbij is mede in aanmerking genomen dat namens appellant ter zitting naar voren is gebracht dat ten aanzien van hem geen beschermende maatregelen zijn getroffen, op grond waarvan hij niet zelfstandig aan het rechtsverkeer kan deelnemen.

4.3.2. Vaststaat dat appellant niet eerder dan bij schrijven van 12 augustus 2009 zijn vader heeft gemachtigd om namens hem bezwaar te maken tegen het besluit van 10 augustus 2009 en om namens hem een uitkering op grond van de WWB aan te vragen en te ontvangen. Uit het gegeven dat appellant bij de aanvraag van 14 juli 2009 te kennen heeft gegeven dat de uitkering op de rekening van zijn vader moet worden overgemaakt en dat zijn vader hem helpt bij de schuldsanering en budgetbeheer kan niet worden afgeleid dat de vader van appellant op dat moment al als zijn gemachtigde moest worden aangemerkt. Evenmin kan dit worden afgeleid uit het gegeven dat de vader van appellant telefonisch bij het college heeft geïnformeerd naar de afhandeling van de aanvraag.

4.4. Gelet op hetgeen onder 4.3.1 en 4.3.2 is overwogen heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat het college op grond van artikel 4:5, eerste lid, van de Awb bevoegd was de aanvraag om bijstand van 14 juli 2009 buiten behandeling te stellen. In hetgeen appellant heeft aangevoerd ziet de Raad geen grond voor het oordeel dat het college niet in redelijkheid van deze bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken.

4.5. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak, voor zover deze is aangevochten, voor bevestiging in aanmerking komt. Gelet hierop bestaat voor een veroordeling tot vergoeding van schade geen ruimte.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten;

- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.

Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs als voorzitter en H.C.P. Venema en W.H. Bel als leden, in tegenwoordigheid van J. van Dam als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 juni 2012.

(getekend) R.H.M. Roelofs

(getekend) J. van Dam

HD