Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BW9683

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
20-06-2012
Datum publicatie
28-06-2012
Zaaknummer
12-2569 WWB-VV
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag om bijzondere bijstand voor tandartskosten en algemene bijstand. Verzoeker behoort niet tot de kring van rechthebbenden omdat hij geen verblijfstitel heeft. De vraag of verzoeker is aan te merken als kwetsbaar persoon die op grond van artikel 8 van het EVRM bijzondere bescherming geniet, kan in het kader van de WWB in het midden worden gelaten.

Wetsverwijzingen
Wet bodembescherming
Wet bodembescherming 43
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2012/145
JBO 2013/39 met annotatie van H.J. Bos
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

12/2569 WWB-VV

11/7316 WWB

Centrale Raad van Beroep

Voorzieningenrechter

Uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening

Partijen:

[verzoeker] te [woonplaats] (verzoeker)

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)

Datum uitspraak 20 juni 2012.

PROCESVERLOOP

Namens verzoeker heeft mr. W.G. Fischer, advocaat, hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 8 november 2011 (11/3702), de aangevallen uitspraak, en heeft tevens een verzoek om voorlopige voorziening gedaan.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 juni 2012. De zaak is gevoegd behandeld met de zaak met registratienummer 12/2568 WMO-VV. Voor verzoeker is verschenen mr. Fischer en mr. C.J. Forder. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.C. van Helvoort en mr F.G. Veldstra. Na de sluiting van het onderzoek zijn de gevoegde zaken weer gesplitst. In deze zaak wordt heden uitspraak gedaan.

OVERWEGINGEN

1.1. Ingevolge artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en artikel 21 van de Beroepswet kan, indien tegen een uitspraak van de rechtbank of van de voorzieningenrechter van de rechtbank als bedoeld in artikel 18, eerste lid, van de Beroepswet hoger beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de Raad op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

1.2. Ingevolge artikel 8:86 van de Awb en artikel 21 van de Beroepswet kan de voorzieningenrechter, indien hij van oordeel is dat na de zitting nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de hoofdzaak, tevens onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak.

1.3. De voorzieningenrechter is van oordeel dat in dit geval nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de hoofdzaak en dat ook overigens geen sprake is van beletselen om tevens onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

2. De voorzieningrechter gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

2.1. Verzoeker, geboren in 1971 in Suriname, is in 2007 naar Nederland gekomen om zijn progressieve spierziekte te laten behandelen in het Academisch Medisch Centrum te Amsterdam. Hij is niet in het bezit van de Nederlandse nationaliteit en heeft geen verblijfsvergunning.

2.2. Op 5 mei 2011 heeft verzoeker een aanvraag gedaan om bijzondere bijstand voor tandartskosten en algemene bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). Omdat verzoeker in de periode ten tijde van de aanvraag in verpleeghuis Gaasperdam verbleef, heeft hij verzocht om bijstand naar de inrichtingennorm. Bij besluit van 31 mei 2011 heeft het college de aanvraag afgewezen op de grond dat verzoeker niet behoort tot de kring van rechthebbenden, omdat hij geen verblijfstitel heeft. Voorts staat verzoeker niet ingeschreven op een adres in Amsterdam. Bij besluit van 22 juli 2011 heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 31 mei 2011 ongegrond verklaard.

3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van verzoeker tegen het besluit van 22 juli 2011 ongegrond verklaard.

4. Verzoeker heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Daarbij heeft verzoeker zich op het standpunt gesteld dat ten onrechte geen rekening wordt gehouden met zijn handicap, waardoor de situatie nu dermate ernstig is dat sprake is van schending van artikel 3 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Voorts bestaat volgens verzoeker de verplichting om op grond van artikel 8 van het EVRM in combinatie met artikel 14 van het EVRM hem in het kader van de WWB te helpen. Verzoeker heeft verzocht een voorziening te treffen in het kader van de WWB.

5. De voorzieningenrechter komt tot de volgende beoordeling.

5.1. De voorzieningenrechter stelt voorop dat volgens vaste rechtspraak van de Raad de door de bestuursrechter te beoordelen periode in geval van een aanvraag om bijstand in beginsel de periode bestrijkt vanaf de datum van de aanvraag tot en met de datum van het primaire besluit. Dat brengt mee dat hier beoordeeld dient te worden de periode van 5 mei 2011 tot en met 31 mei 2011.

5.2. Niet in geding is dat verzoeker tijdens de te beoordelen periode geen vreemdeling was in de zin van artikel 11, tweede en derde lid, van de WWB. Als gevolg hiervan valt verzoeker onder artikel 16, tweede lid, van de WWB, en kan aan hem zelfs uit hoofde van zeer dringende redenen, zoals bedoeld in het eerste lid van dit artikel, geen uitkering ingevolge de WWB worden toegekend.

5.3. Met betrekking tot het beroep op artikel 8 van het EVRM stelt de voorzieningenrechter voorop dat het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: EHRM) als “the very essence” van het EVRM aanmerkt respect voor menselijke waardigheid en menselijke vrijheid. Het in artikel 8 van het EVRM besloten liggende recht op respect voor privéleven van een persoon omvat mede de fysieke en psychische integriteit van die persoon en is er primair op gericht, zonder inmenging van buitenaf, de ontwikkeling van de persoonlijkheid van elke persoon in zijn betrekkingen tot anderen te waarborgen. Het artikel beoogt niet alleen de staten tot onthouding van inmenging te dwingen, maar kan onder omstandigheden ook inherente positieve verplichtingen meebrengen die noodzakelijk zijn voor een effectieve waarborg van het recht op privéleven. Daarbij hebben kinderen en andere kwetsbare personen in het bijzonder recht op bescherming. Het EHRM heeft meerdere malen geoordeeld dat artikel 8 van het EVRM ook relevant is in zaken die betrekking hebben op de besteding van publieke middelen. Daarbij is wel van belang dat in een dergelijk geval aan de Staat een extra ruime ‘margin of appreciation’ toekomt, terwijl het EHRM bij de bepaling van de bescherming die betrokkenen genieten onder het EVRM belang toekent aan de al dan niet legale status van het verblijf van betrokkene. De voorzieningenrechter wijst in verband met dit laatste onder meer op het arrest van het EHRM van 27 mei 2008, in de zaak N. vs het Verenigd Koninkrijk, nr. 26565/05 (EHRC 2008, 91).

5.4. In rechtsoverweging 4.7 van zijn uitspraak van 19 april 2010, LJN BM1992, heeft de Raad geoordeeld, dat indien sprake is van een positieve verplichting als bedoeld in rechtsoverweging 5.3 niettemin de beperkte doelstelling van de WWB in acht dient te worden genomen. De wetgever heeft de categorieën vreemdelingen die door de werking van artikel 11 van de WWB geen recht op bijstand hebben, met het bepaalde in artikel 16, tweede lid van de WWB, uitdrukkelijk ook buiten het bereik van de in artikel 16, eerste lid, van de WWB opgenomen hardheidsclausule gebracht. Met inachtneming van het primaat van de wetgever, en teneinde een door de wetgever ongewenste doorkruising van het vreemdelingenbeleid te voorkomen, kan de voorzieningenrechter ook thans - evenals in de uitspraak van de Raad van 22 november 2011, LJN BU6844 - tot geen andere conclusie komen dan dat een positieve verplichting ten aanzien van vreemdelingen als bedoeld in artikel 16, tweede lid, van de WWB, niet met toepassing van de WWB gestalte kan worden gegeven. Indien er ten aanzien van deze vreemdelingen een positieve verplichting bestaat recht te doen aan artikel 8 van het EVRM, rust deze op het bestuursorgaan dat belast is, of de bestuursorganen die belast zijn, met de uitvoering van de wettelijk geregelde voorzieningen voor vreemdelingen. De voorzieningenrechter wijst in dit verband opnieuw op de uitleg die de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State in haar uitspraak van 28 maart 2007, LJN BA4652, heeft gegeven aan artikel 3, eerste en tweede lid, van de Wet Centraal orgaan opvang asielzoekers (Wet COA). Op grond van deze uitleg heeft het COA de publiekrechtelijke bevoegdheid - en gehoudenheid - om in zeer bijzondere omstandigheden verstrekkingen te verlenen buiten de gevallen waarin de vreemdeling onder de reikwijdte van de Regeling verstrekkingen asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen 2005 (Rva 2005) valt. Gegeven deze bevoegdheid, verdragsconform uitgelegd, is het aan het COA om voor de Staat een eventuele positieve verplichting als hier bedoeld na te komen. Voorts wijst de voorzieningenrechter op zijn uitspraken van 19 april 2010, LJN BM0956 en van 22 november 2011, LJN BU6844, waarin is geoordeeld dat indien ten aanzien van kwetsbare personen, die gezien artikel 8 van het EVRM in het bijzonder recht op bescherming hebben, is komen vast te staan dat zij niet in aanmerking komen voor een opvangvoorziening als bedoeld in artikel 1, aanhef en onder h, van de Rva 2005, onder bepaalde omstandigheden met voorbijgaan aan artikel 11 van de Vreemdelingenwet 2000 maatschappelijke opvang op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning dient te worden geboden.

5.5. Het voorgaande brengt mee dat de vraag of verzoeker is aan te merken als kwetsbaar persoon die op grond van artikel 8 van het EVRM bijzondere bescherming geniet, in het kader van de WWB in het midden kan en zal worden gelaten.

5.6. Ten aanzien van het beroep van verzoeker op artikel 3 EVRM en op artikel 8 EVRM in combinatie met artikel 14 EVRM komt de voorzieningenrechter tot dezelfde conclusie als ten aanzien van het beroep op artikel 8 EVRM zoals is weergegeven in rechtsoverweging 5.4.

5.7. De voorzieningenrechter is op grond van het voorgaande dan ook van oordeel dat het college gehouden was de aanvraag af te wijzen omdat verzoeker niet behoorde tot de kring der gerechtigden op grond van de WWB.

5.8. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het hoger beroep van verzoeker niet slaagt. De voorzieningenrechter zal de aangevallen uitspraak bevestigen.

6. Onder deze omstandigheden is geen grond aanwezig voor het treffen van een voorlopige voorziening, zodat het verzoek daartoe zal worden afgewezen.

7. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

BESLISSING

De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep

-Bevestigt de aangevallen uitspraak

-Wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door H.C.P. Venema, in tegenwoordigheid van N.M. van Gorkum als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 juni 2012.

(get.) H.C.P. Venema.

(get.) N.M. van Gorkum.

HD