Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BW9680

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
20-06-2012
Datum publicatie
28-06-2012
Zaaknummer
12-2568 WMO-VV
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek om voorlopige voorziening. Afwijzing aanvraag voor hulp in de vorm van toelating tot de maatschappelijke opvang. Geen geldige verblijfsstatus. Verzoeker is geïndiceerd voor Zorgzwaartepakket VV09a, klasse 7 voor 7 etmalen per week, welke zorg niet door het college wordt verleend. Het ligt dan ook in de rede dat verzoeker zich wendt tot een zorgverlener, teneinde te bewerkstelligen dat de voor hem geïndiceerde zorg wordt verleend. Dit betekent dat het college thans - los van de vraag of het college daartoe in het kader van artikel 8 EVRM in het geval van verzoeker verplicht zou zijn - niet het aangewezen bestuursorgaan is om de zorgvraag van verzoeker te beoordelen. Geen onverwijlde spoed.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2012/130
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

12/2568 WMO-VV

Centrale Raad van Beroep

Voorzieningenrechter

Uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening

Partijen:

[verzoeker] te [woonplaats] (verzoeker)

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)

Datum uitspraak 20 juni 2012.

PROCESVERLOOP

Namens verzoeker heeft mr. W.G. Fischer, advocaat, hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 20 maart 2012 (11/5819), de aangevallen uitspraak, en tevens een verzoek om voorlopige voorziening gedaan.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 juni 2012. De zaak is gevoegd behandeld met de zaak met registratienummer 12/2569 WWB-VV. Voor verzoeker is verschenen mr. Fischer en mr. C.J. Forder. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.C. van Helvoort en mr F.G. Veldstra. Na de sluiting van het onderzoek zijn de gevoegde zaken weer gesplitst. In deze zaak wordt heden uitspraak gedaan.

OVERWEGINGEN

1. De voorzieningenrechter gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1. Verzoeker, geboren in 1971 in Suriname, is in 2007 naar Nederland gekomen om zijn progressieve spierziekte te laten behandelen in het Academisch Medisch Centrum te Amsterdam. Hij is niet in het bezit van de Nederlandse nationaliteit en heeft geen verblijfsvergunning.

1.2. Op 6 juli 2011 heeft verzoeker een aanvraag gedaan voor hulp in de vorm van toelating tot de maatschappelijke opvang als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder c, van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo).

1.3. Bij besluit van 12 september 2011 heeft het college de aanvraag van verzoeker afgewezen, omdat hij geen geldige verblijfsstatus heeft. Verzoeker wordt wel toegelaten tot de crisisopvang.

1.4. Bij besluit van 29 november 2011 heeft het college het bezwaar van verzoeker tegen het besluit van 12 september 2011 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank, voor zover thans van belang, het beroep van verzoeker tegen het besluit van 29 november 2011 ongegrond verklaard. De voorzieningenrechter heeft geoordeeld dat de positieve verplichting voorvloeiend uit artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) niet zover gaat dat aan verzoeker ook een speciaal matras, een looprek dan wel overige voorzieningen beschikbaar dienen te worden gesteld.

3. Verzoeker heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. In het kader van de onderhavige procedure heeft verzoeker gesteld dat het college hem adequate opvang dient aan te bieden. Het niet aanbieden van deze opvang levert een inbreuk op het in artikel 8 van het EVRM gewaarborgde recht op respect voor het privéleven. Verzoeker stelt zich voorts op het standpunt dat sprake is van een schending van artikel 8 EVRM, in verbinding met artikel 14 EVRM. Het college is volgens verzoeker op grond van het gelijkheidsbeginsel gehouden hem dezelfde compenserende voorzieningen in het kader van de Wmo te verstrekken als aan andere in de opvang verblijvende personen. Het verzoek om een voorlopige voorziening houdt daarbij in dat de voorzieningenrechter het college gelast voor verzoeker met onmiddellijke ingang adequate opvang te realiseren.

4. De voorzieningenrechter komt tot de volgende beoordeling.

4.1. De voorzieningenrechter begrijpt het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker aldus dat hij gelet op de achteruitgang van zijn medische situatie een meer op zijn persoon toegespitste opvangvoorziening wil verkrijgen dan de door het college geboden crisisopvang.

4.2. Ingevolge artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en artikel 21 van de Beroepswet kan, indien tegen een uitspraak van de rechtbank of van de voorzieningenrechter van de rechtbank als bedoeld in artikel 18, eerste lid, van de Beroepswet hoger beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de Raad op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

4.3. De voorzieningenrechter wijst in verband met de beoordeling van het spoedeisend belang op het besluit van 26 april 2012 van het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ), waarbij verzoeker voor de periode van 26 april 2012 tot en met 25 juli 2012 is geïndiceerd voor Zorgzwaartepakket VV09a, klasse 7 voor 7 etmalen per week. Gegeven dit besluit staat naar het oordeel van de voorzieningenrechter thans vast dat verzoeker is aangewezen op zorg, mede omvattend verblijf, in het kader van de Algemene wet bijzondere ziektekosten (AWBZ), welke zorg niet door het college wordt verleend. Het ligt dan ook in de rede dat verzoeker zich wendt tot een zorgverlener, teneinde te bewerkstelligen dat de voor hem geïndiceerde zorg wordt verleend. De voorzieningenrechter wijst er daarbij nog ten overvloede op dat verzoeker voor de geïndiceerde zorg in aanmerking kan worden gebracht via de bekostigingsgarantie van artikel 122a van de Zorgverzekeringswet.

4.4. Hetgeen in rechtsoverweging 4.3 is overwogen betekent dat het college thans - los van de vraag of het college daartoe in het kader van artikel 8 EVRM in het geval van verzoeker verplicht zou zijn - niet het aangewezen bestuursorgaan is om de zorgvraag van verzoeker te beoordelen.

4.5. De voorzieningenrechter merkt ten slotte nog op dat de voorlopige voorzieningprocedure gericht is op de vraag of in afwachting van de uitspraak van de bodemrechter een toereikende voorziening noodzakelijk is. Gelet op de in rechtsoverweging 4.3 weergegeven omstandigheden is de voorzieningenrechter van oordeel dat niet is gebleken dat is voldaan aan de in artikel 8:81 van de Awb gestelde voorwaarde van onverwijlde spoed, zodat het verzoek dient te worden afgewezen.

5. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

BESLISSING

De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep wijst het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht af.

Deze uitspraak is gedaan door H.C.P. Venema, in tegenwoordigheid van N.M. van Gorkum als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 juni 2012.

(get.) H.C.P. Venema.

(get.) N.M. van Gorkum.

HD