Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BW9676

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
26-06-2012
Datum publicatie
28-06-2012
Zaaknummer
10-5018 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking bijstandsuitkering. Redelijke grond voor het afleggen van een huisbezoek op het door appellant opgegeven adres. Het college mag onder de gegeven omstandigheden van appellant verlangen dat hij medewerking verleende aan een om ongeveer 16.00 uur aan te vangen huisbezoek. Schending medewerkingsverplichting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/5018 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam van 22 juli 2010, 10/3180 en 10/2859 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)

Datum uitspraak 26 juni 2012.

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. dr. G.P. Dayala, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 mei 2012. Namens appellant is mr. Dayala verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. drs. A.C. van Helvoort.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant ontvangt vanaf 14 januari 2009 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande met een toeslag van 20% van het wettelijk minimumloon.

1.2. Naar aanleiding van een melding dat appellant zou samenwonen met een vrouw is door de Dienst Werk en Inkomen van de gemeente Amsterdam (DWI) een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellant verleende bijstand. In dat kader hebben twee handhavingsspecialisten van de DWI op 26 januari 2010 op het kantoor van DWI tijdens een gesprek vragen aan appellant gesteld omtrent onder andere zijn woon- en leefsituatie. Aan een huisbezoek, dat de handhavingsspecialisten aansluitend op het gesprek om 16.00 uur wilden afleggen, heeft appellant geweigerd zijn medewerking te verlenen, omdat hij naar zijn zeggen belangrijkere dingen te doen had. Hij heeft verklaard een gesprek te hebben bij TNT en hij moest ook de auto terugbrengen voor zijn vriend [M.]. Appellant is vervolgens gewezen op de gevolgen van het niet meewerken aan een huisbezoek. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 3 februari 2010. De onderzoeksresultaten zijn voor het college aanleiding geweest om bij besluit van 5 februari 2010 de bijstand van appellant met ingang van 26 januari 2010 in te trekken.

1.3. Bij besluit van 10 mei 2010 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van appellant tegen het besluit van 5 februari 2010 ongegrond verklaard. Het college heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat appellant heeft geweigerd mee te werken aan een verplicht huisbezoek waardoor niet vastgesteld kan worden of hij nog recht op bijstand heeft.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de voorzieningenrechter het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1 Artikel 17, eerste lid, van de WWB bepaalt, voor zover hier van belang, dat de belanghebbende aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling doet van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op bijstand. Het tweede lid van dit artikel bepaalt dat de belanghebbende verplicht is aan het college desgevraagd de medewerking te verlenen die redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering van deze wet.

4.2 Artikel 53a, tweede lid, van de WWB bepaalt dat het college bevoegd is om onderzoek in te stellen naar de juistheid en volledigheid van de verstrekte gegevens en zonodig naar andere gegevens die noodzakelijk zijn voor de verlening dan wel voortzetting van bijstand.

4.3 Indien de belanghebbende de inlichtingen- of medewerkingsverplichting niet in voldoende mate nakomt en als gevolg daarvan niet kan worden vastgesteld of de belanghebbende verkeert in bijstandbehoevende omstandigheden als bedoeld in artikel 11, eerste lid, van de WWB, kan naar vaste rechtspraak de bijstand worden geweigerd, beëindigd of ingetrokken.

4.4. Niet in geschil is dat er na afloop van het gesprek op 26 januari 2010 een redelijke grond was voor het afleggen van een huisbezoek op het door appellant opgegeven adres. Het geschil spitst zich toe op de vraag of het college onder de gegeven omstandigheden van appellant heeft kunnen verlangen dat hij medewerking verleende aan een om ongeveer 16.00 uur aan te vangen huisbezoek.

4.5. De Raad beantwoordt deze vraag bevestigend. In hetgeen appellant naar voren heeft gebracht is niet gebleken van een reden van zodanig gewicht dat daarvoor het belang van het college om zo spoedig mogelijk de woon- en leefsituatie van appellant te verifiëren om daarvan een zo betrouwbaar mogelijk beeld te verkrijgen, zou moeten wijken.

Appellant heeft aangevoerd dat hij sinds zijn ontslag uit detentie te maken heeft met depressieve klachten, waardoor hij moeite heeft met mensen om te gaan, zich snel opgejaagd voelt en erg prikkelbaar wordt als hij meer dingen op een dag moet doen. Het betoog van appellant dat de weigering medewerking te verlenen hem niet toe te rekenen valt, slaagt niet. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij tijdens het gesprek met de handhavingspecialisten in een zodanige geestelijke toestand is geraakt dat medewerking aan een huisbezoek niet van hem kon worden gevergd. Uit de verklaring van appellant tijdens dit gesprek en het waargenomen gedrag, zoals neergelegd in het rapport van 3 februari 2010, kan dit niet worden afgeleid. Appellant is ten tijde van het gesprek een hersteltermijn van vijf minuten geboden om alsnog het huisbezoek toe te staan en heeft desgevraagd bevestigd het besprokene goed te hebben begrepen. Uit de eerder overgelegde verklaring van zijn behandelende psychiater dr. W.H. Lionarons van 27 april 2010 kan weliswaar worden afgeleid dat appellant psychische klachten heeft, maar die verklaring biedt geen aanknopingspunten voor het oordeel dat appellant de gevolgen van de weigering van een huisbezoek niet zou kunnen overzien.

4.6. De stelling van appellant dat het huisbezoek hem niet gelegen kwam omdat hij een sollicitatiegesprek bij TNT had, heeft appellant niet nader onderbouwd. Ook de verklaring van appellant dat hij een auto moest wegbrengen is ontoereikend, nu niet is gebleken dat die afspraak niet kon worden verzet naar een tijdstip na het huisbezoek.

4.7. Het college was daarom bevoegd de bijstand met ingang van 26 januari 2010 in te trekken op de grond dat door de schending van de medewerkingsverplichting het recht op bijstand met die ingang van die dag niet is vast te stellen.

4.8. Het hoger beroep slaagt dus niet, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

ESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham als voorzitter en W.H. Bel en A.M. Overbeeke als leden, in tegenwoordigheid van J. de Jong als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 juni 2012.

(getekend) A.B.J. van der Ham

(getekend) J. de Jong

HD