Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BW9659

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
26-06-2012
Datum publicatie
28-06-2012
Zaaknummer
11-4779 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Aanvraag bijstandsuitkering buiten behandeling gelaten. Het college heeft terecht verzocht om bewijsstukken waaruit blijkt op welke wijze appellant zijn geld en met name het hem ter beschikking staande bedrag van € 15.000,-- heeft besteed. Appellant heeft nog geen begin van bewijs geleverd voor zijn stelling dat hij derden geld naar Soedan heeft laten brengen ten behoeve van zijn moeder en derden geld heeft geleend, die dat geld vervolgens hebben vergokt. Niet valt in te zien dat appellant redelijkerwijs niet de beschikking heeft kunnen krijgen over bewijsstukken daarvan, bijvoorbeeld in de vorm van getuigenverklaringen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/4779 WWB

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 1 juli 2011, 10/4851 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Roosendaal (college)

Datum uitspraak 26 juni 2012.

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M.A. Breewel-Witteveen, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 mei 2012. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Breewel-Witteveen. Het college heeft zich, zoals tevoren bericht, niet laten vertegenwoordigen.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant heeft op 14 januari 2010 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand aangevraagd. Bij het intakegesprek heeft appellant meegedeeld dat hij de afgelopen twee jaar een bedrag van € 15.000,-- bij elkaar had gespaard en dat hij dat geld had uitgegeven. Ter ondersteuning van zijn verklaring heeft appellant toen een bankafschrift overgelegd waaruit blijkt dat hij op 28 augustus 2009 een bedrag van € 15.000,-- heeft overgemaakt van zijn bankrekeningnummer [nummer] naar zijn bankrekeningnummer [nummer], beide bij de ABN-AMRO bank. Appellant heeft dit bedrag in de periode van 31 augustus 2009 tot 21 september 2009 opgenomen.

1.2. Het college heeft appellant meermalen een termijn gesteld om, voor zover van belang, bewijsstukken over te leggen van de besteding van de geldopnames tot het in 1.1 genoemde bedrag van € 15.000,--. Laatstelijk heeft het college appellant bij brief van 4 maart 2010 nog in de gelegenheid gesteld om die bewijsstukken vóór 18 maart 2010 in te dienen. Appellant heeft van die gelegenheid geen gebruik gemaakt.

1.3. Bij besluit van 6 april 2010 heeft het college besloten de aanvraag van appellant met toepassing van artikel 4:5, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet te behandelen.

1.4. Bij besluit van 30 september 2010 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 6 april 2010 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Artikel 4:5, eerste lid, aanhef en onder c, van de Awb bepaalt dat het bestuursorgaan kan besluiten de aanvraag niet te behandelen, indien de verstrekte gegevens en bescheiden onvoldoende zijn voor de beoordeling van de aanvraag of voor de voorbereiding van de beschikking, mits de aanvrager de gelegenheid heeft gehad de aanvraag binnen een door het bestuursorgaan gestelde termijn aan te vullen. Daarbij gaat het, gelet op artikel 4:2, tweede lid, van de Awb, om gegevens die voor de beslissing op de aanvraag nodig zijn en waarover de aanvrager redelijkerwijs de beschikking kan krijgen.

4.2. Volgens vaste rechtspraak (CRvB 14 juni 2011, LJN BQ9518) is voor een juiste beoordeling van het recht op bijstand inzicht vereist in de financiële situatie van de betrokkene ten tijde van de bijstandsaanvraag en gedurende de aan de bijstandsaanvraag voorafgaande periode. In dat licht heeft het college terecht verzocht om bewijsstukken waaruit blijkt op welke wijze appellant zijn geld en met name het hem vanaf eind augustus 2009 ter beschikking staande bedrag van € 15.000,-- heeft besteed. Deze bewijsstukken zijn van belang voor beoordeling van de vraag of appellant ten tijde in geding in bijstandbehoevende omstandigheden verkeerde. Vast staat dat appellant niet binnen de gegeven hersteltermijn de gevraagde bewijsstukken heeft verstrekt.

4.3. Appellant heeft aangevoerd dat hij redelijkerwijs niet over de gevraagde bewijsstukken heeft kunnen beschikken. Hij stelt in dit verband, voor zover van belang, dat hij het bedrag van € 15.000,-- aldus heeft besteed dat een deel door derden naar Soedan is gebracht ten behoeve van zijn daar woonachtige moeder en dat een ander deel van het geld aan derden is geleend, die dat geld vervolgens hebben vergokt, en dat alle betalingen in contant geld hebben plaatsgevonden.

4.3.1. Appellant heeft nog geen begin van bewijs geleverd voor zijn stelling dat hij derden geld naar Soedan heeft laten brengen ten behoeve van zijn moeder en derden geld heeft geleend, die dat geld vervolgens hebben vergokt. Niet valt in te zien dat appellant redelijkerwijs niet de beschikking heeft kunnen krijgen over bewijsstukken daarvan, bijvoorbeeld in de vorm van getuigenverklaringen.

4.4. De grond dat het college aan appellant wegens een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan had kunnen volstaan met het opleggen van een maatregel, slaagt niet. Een maatregel kan slechts worden opgelegd indien recht op bijstand bestaat. Die situatie deed zich hier niet voor, reeds omdat het college ten tijde van de bijstandsaanvraag over onvoldoende gegevens beschikte om het recht op bijstand te kunnen vaststellen.

4.5. Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak komt daarom voor bevestiging in aanmerking.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door mr. W.F. Claessens, in tegenwoordigheid van K.E. Haan als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 juni 2012.

(get.) W.F. Claessens.

(get.) K.E. Haan.

HD