Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BW9590

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
15-06-2012
Datum publicatie
27-06-2012
Zaaknummer
11-5010 WIA
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Met juistheid is de rechtbank tot het oordeel gekomen dat hetgeen appellante heeft aangevoerd niet tot het oordeel kan leiden dat het Uwv zich bij het bestreden besluit niet heeft kunnen baseren op de rapportages van de bezwaarverzekeringsarts en de bezwaararbeidsdeskundige. De gronden die appellante voor het eerst in hoger beroep heeft aangevoerd, noch de eerst in hoger beroep ingediende verklaringen, leiden de Raad tot een ander oordeel dan waartoe de rechtbank is gekomen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/5010 WIA

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 15 juli 2011, 10/3869 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak 15 juni 2012.

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. K.R. Lieuw On, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Appellante heeft nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 mei 2012. Appellante heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Lieuw On. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. J.P.A. Loogman.

OVERWEGINGEN

1. Bij besluit van 9 juli 2010 (bestreden besluit) heeft het Uwv, beslissend op bezwaar, gehandhaafd zijn besluit dat voor appellante met ingang van 17 februari 2009 geen recht is ontstaan op een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen.

Het Uwv heeft het bestreden besluit doen steunen op de rapportages van de bezwaarverzekeringsarts gedateerd 30 juni 2010, de voor appellante opgestelde Functionele Mogelijkheden Lijst (FML), gedateerd 11 december 2009 en de rapportage van de bezwaararbeidsdeskundige gedateerd 8 juli 2010.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft hiertoe overwogen dat hetgeen appellante in beroep heeft aangevoerd niet tot het oordeel kan leiden dat het Uwv het bestreden besluit niet heeft kunnen baseren op de rapportages en de FML, genoemd in 1.

3.1. In hoger beroep heeft appellante het oordeel van de rechtbank bedoeld in 2 bestreden. Naar haar mening dient de Raad, nu de rechtbank ten onrechte aan haar gronden van beroep is voorbijgegaan, de aangevallen uitspraak te vernietigen en haar beroep alsnog gegrond te verklaren.

3.2. Appellante heeft ook in hoger beroep aangevoerd dat de rapportage van de bezwaarverzekeringsarts geen juist beeld geeft van haar gezondheidssituatie en de bij haar bestaande mogelijkheden tot het verrichten van arbeid.

3.3. Appellante heeft kort voor de behandeling ter zitting nog ingezonden een verklaring van haar huisarts, gedateerd 2 mei 2012, een verklaring van M. Dyadyunova, psychotherapeut i.o., gedateerd 29 augustus 2011, een verklaring van dr. M.J. Reinders, klinisch psycholoog, gedateerd 23 november 2011 en een verklaring van H. de Burlet, gedateerd 5 augustus 2011.

3.4. Appellante heeft voorts, evenals in beroep, aangevoerd dat de rapportage van de bezwaararbeidsdeskundige ondeugdelijk is. De in de rapportage genoemde functies kan zij niet vervullen, omdat in deze functies belastingen voorkomen die haar mogelijkheden te boven gaan.

3.5. In verweer heeft het Uwv zich op het standpunt gesteld dat hetgeen appellante in haar hoger beroepschrift heeft aangevoerd een herhaling is van hetgeen al in beroep is aangevoerd en geen nieuwe feiten of omstandigheden bevat.

3.6. Het Uwv heeft naar aanleiding van de nadere stukken vermeld in 3.3 aangevoerd dat deze stukken geen nieuwe informatie bevatten ten aanzien van de datum in geding. Het Uwv heeft daarbij gesteld dat de in die stukken vermelde klachten reeds bekend waren en dat hiermee ook rekening is gehouden.

4.1.1. De Raad overweegt als volgt.

4.1.2. Aan rapportages opgesteld door een bezwaarverzekeringsarts en een bezwaararbeidsdeskundige komt, indien deze rapportages op zorgvuldige wijze tot stand zijn gekomen, geen inconsistenties bevatten en concludent zijn, naar vaste rechtspraak van de Raad een bijzondere waarde toe in die zin, dat het Uwv zijn besluiten omtrent de arbeidsongeschiktheid van een betrokkene op dit soort rapportages mag baseren.

Zulks betekent echter volgens de vaste rechtspraak van de Raad geenszins dat deze rapportages en het daarop gebaseerde besluit in beroep of in hoger beroep niet aantastbaar zijn. Het is echter gelet op artikel 8:69 van de Algemene wet bestuursrecht wel aan appellante om aan te voeren en zo nodig aannemelijk te maken dat de rapportages niet op zorgvuldige wijze tot stand zijn gekomen, inconsistenties bevatten, niet concludent zijn, dan wel dat de in de rapportages gegeven beoordeling onjuist is.

Het aannemelijk maken dat de rapportages niet op zorgvuldige wijze tot stand zijn gekomen, inconsistenties bevatten, dan wel niet concludent zijn kan geschieden door niet medisch geschoolden.

Voor het aannemelijk maken dat de gegeven beoordeling onjuist is, is in beginsel een rapportage van een regulier medicus noodzakelijk. De Raad wijst op zijn uitspraken van 13 juli 2005, LJN AT9828 en 10 januari 2007, LJN AZ6138.

4.2. Het hoger beroepschrift bevat gronden van medische en arbeidskundige aard die ook reeds bij de rechtbank naar voren zijn gebracht. De rechtbank heeft deze gronden op juiste wijze besproken. Met juistheid is de rechtbank tot het oordeel gekomen dat hetgeen appellante heeft aangevoerd niet tot het oordeel kan leiden dat het Uwv zich bij het bestreden besluit niet heeft kunnen baseren op de rapportages van de bezwaarverzekeringsarts en de bezwaararbeidsdeskundige vermeld in 1. De Raad heeft hieraan niets toe te voegen.

4.3.1. De gronden die appellante voor het eerst in hoger beroep heeft aangevoerd, noch de eerst in hoger beroep ingediende verklaringen, leiden de Raad tot een ander oordeel dan waartoe de rechtbank is gekomen.

4.3.2. De door appellante ingediende verklaringen zien voornamelijk op de medische situatie van appellante na de datum in geding. Uit deze verklaringen volgt ook niet dat de bezwaarverzekeringsarts geen zorgvuldig onderzoek heeft verricht, dan wel in zijn rapportage van 30 juni 2010 geen volledig of onjuist beeld had van de gezondheidssituatie van appellante op de datum in geding en de hieruit voor haar voortvloeiende beperkingen.

4.3.3. De door appellante eerst ter zitting ingenomen stelling dat de arbeidskundig analist ten onrechte in geen van de aan de schatting ten grondslag gelegde functies heeft vermeld dat in de functies deadlines en productiepieken voorkomen heeft appellante op geen enkele wijze onderbouwd. Reeds hierom treft deze stelling geen doel.

5.1. Gelet op hetgeen is overwogen in 4.1.2 tot en met 4.3.3 treft het hoger beroep geen doel. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5.2. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J. Brand in tegenwoordigheid van K.E. Haan als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 juni 2012.

(get.) J. Brand.

(get.) K.E. Haan.

JL