Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BW9584

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
22-06-2012
Datum publicatie
27-06-2012
Zaaknummer
10-6493 WAJONG
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering Wajong-uitkering. Het medisch onderzoek dat ten grondslag ligt aan de weigering van uitkering is voldoende zorgvuldig geweest. De beschikbare gegevens bevatten geen aanknopingspunten om te oordelen dat het Uwv onvoldoende rekening heeft gehouden met de bij appellant bestaande beperkingen op de datum in geding. De aan de arbeidsongeschiktheidsbeoordeling ten grondslag gelegde functies zijn gelet op de belastbaarheid van appellant geschikt te achten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/6493 WAJONG

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 20 oktober 2010, 09/2037 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak 22 juni 2012.

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M.M.J.P. Penners, advocaat te Heerlen, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld op een zitting van de Raad van 18 november 2011, waar partijen niet zijn verschenen.

Na de behandeling van het geding ter zitting van de Raad is gebleken dat het onderzoek niet volledig is geweest, in verband waarmee de Raad heeft besloten het onderzoek te heropenen. Het Uwv heeft desgevraagd een rapportage van bezwaarverzekeringsarts C.G. van de Kooij van 9 januari 2012 ingediend. Appellant heeft hierop een reactie ingediend.

Desgevraagd hebben partijen toestemming gegeven het onderzoek ter zitting van de Raad achterwege te laten. Gelet op de verleende toestemming heeft de Raad het onderzoek gesloten.

OVERWEGINGEN

1.1. Het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de bepalingen van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong) zoals die luidden tot 1 januari 2010.

1.2. Appellant is geboren [in]i 1964 en heeft met een op 17 april 2009 ingekomen formulier een uitkering aangevraagd ingevolge de Wajong, nadat bij hem een vermoedelijke stoornis in het autismespectrum (syndroom van Asperger) is vastgesteld.

2.1. Door de verzekeringsarts P.E.J. Verstraeten zijn de beperkingen van appellant - zoals deze bestonden ten tijde van diens onderzoek van 12 mei 2009 - vastgesteld in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van dezelfde datum. De verzekeringsarts acht het aannemelijk, gezien de door de behandelend sector gestelde diagnoses persoonlijkheidsstoornis schizoïde en (met een vraagteken) autisme Asperger, dat reeds sprake was van aanzienlijke beperkingen op sociaal gebied ruim voor het afronden van zijn studie in 1996. De verzekeringsarts heeft zodoende de eerste arbeidsongeschiktheidsdag arbitrair vastgesteld in 1984 (appellant was toen 20 jaar). Door een arbeidsdeskundige is vervolgens na raadpleging van het Claimbeoordelings- en Borgingssysteem (CBBS) onderzocht of er één jaar voor de indiening van de aanvraag sprake was van arbeidsongeschiktheid ingevolge de Wajong. Dat was volgens het rapport van dit onderzoek van 3 juni 2009 niet het geval (en trouwens ook niet bij het einde van de wachttijd).

2.2. Bij besluit van 2 juni 2009 is door het Uwv geweigerd om aan appellant op en na 17 april 2008 een Wajong-uitkering toe te kennen, omdat zijn arbeidsongeschiktheid is vastgesteld op minder dan 25%.

2.3. Bij bestreden besluit van 13 oktober 2009 is het bezwaar van appellant tegen het besluit van 2 juni 2009 ongegrond verklaard. Het bestreden besluit is genomen na verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig heronderzoek.

3. Bij de aangevallen uitspraak is het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Uit de aanwezige gedingstukken komt, zo overwoog de rechtbank, naar voren dat appellant lijdt aan de stoornis van Asperger. Deze stoornis, waarvan de aanwezigheid door het Uwv ook niet wordt ontkend, veroorzaakt beperkingen in sociaal of beroepsmatig functioneren, of het functioneren op andere belangrijke terreinen. Het standpunt van appellant dat de gestelde diagnose Asperger op zichzelf al zou moeten leiden tot het toekennen van een arbeidsongeschiktheidsuitkering miskent dat, naar vaste rechtspraak, van arbeidsongeschiktheid eerst sprake is indien iemand op medische gronden en naar objectieve maatstaven gemeten de in aanmerking komende arbeid niet kan of mag verrichten. Voor de bepaling van de mate van arbeidsongeschiktheid zijn derhalve niet de door appellant ervaren klachten en beperkingen bepalend, maar alleen belemmeringen die als rechtstreeks en objectief medisch gevolg van ziekte of gebrek zijn aan te merken. Daarbij is het stellen van een diagnose niet beslissend. Het medische onderzoek door de verzekeringsarts en de bezwaarverzekeringsarts naar de beperkingen is voldoende zorgvuldig verricht. Door de (bezwaar)arbeidsdeskundige zijn met inachtneming van de vastgestelde beperkingen voldoende en adequaat gemotiveerde functies geduid die ondanks de beperkingen van appellant passend zijn te achten voor hem. Er is op juiste gronden in het bestreden besluit besloten dat appellant niet in aanmerking komt voor een Wajong-uitkering.

4. Appellant betwist de aangevallen uitspraak. Hij heeft al jaren ernstige psychische en lichamelijke klachten welke hem beperken in zijn mogelijkheden aan het dagelijkse arbeidsleven deel te nemen. Dit blijkt ook uit de vrijstelling van de arbeidsverplichting door de gemeente Heerlen ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB). De ernst van zijn beperkingen is door het Uwv onderschat en zijn belasting voor arbeid is in de FML onjuist vastgesteld. Daarnaast zijn de geduide functies voor hem ongeschikt omdat deze zijn belastbaarheid in ernstige mate overschrijden.

5.1. In de eerste plaats stelt de Raad vast dat tussen partijen niet in geschil is dat geen sprake is van een bijzonder geval als bedoeld in artikel 29, tweede lid, van de Wajong. Dit betekent dat een eventuele Wajong-uitkering niet eerder dan één jaar voor de datum van aanvraag van de uitkering kan ingaan. Appellant heeft noch in bezwaar noch in beroep gronden aangevoerd tegen de datum van 17 april 2008 als de ingangsdatum van - eventuele - uitkering. De Raad verwijst naar zijn uitspraken van 29 april 2008, LJN BD1411 en van 23 juli 2010,

LJN BN3272.

5.2. In het kader van een onderzoek naar de re-integratiemogelijkheden ingevolge de WWB is appellant in opdracht van de gemeente Heerlen in 2008 onderzocht door psycholoog drs. Y.H. van der Goot-Buijnsters. De in 2.1 vermelde verzekeringsarts heeft in mei 2009 - onder andere onder verwijzing naar deze onderzoeken - de klachten van appellant aannemelijk geacht en als gevolg van deze klachten beperkingen vastgesteld in de FML van 12 mei 2009. Op 26 juni 2009 heeft een neuropsychologisch onderzoek door een neuropsycholoog en een taal- en spraakpatholoog plaatsgevonden. Uit dit onderzoek komt naar voren dat ingevolge de WWB het beter is als appellant met rust wordt gelaten en dat

re-integratie gezien de autistische aandoening en de geobjectiveerde cognitieve stoornissen niet haalbaar is. Appellant wordt geadviseerd hulp te zoeken binnen de verslavingszorg. Uit de rapportage van 12 augustus 2009 van arts J. Rickelt en psychiater dr. K. Schuers blijkt dat appellant voornamelijk moeite heeft met drukte, onvoorspelbare situaties en sociale contacten. De bezwaarverzekeringsarts heeft kennis genomen van deze rapportages en heeft deelgenomen aan de hoorzitting. Deze arts is van oordeel dat er een correct beeld wordt geschetst van de beperkingen in de FML, maar voegt een beperking ten aanzien van leidinggeven toe. Volgens de bezwaarverzekeringsarts heeft appellant ondanks het recent geconstateerde syndroom van Asperger de universitaire studie filosofie in 1996 afgerond, hetgeen eisen heeft gesteld op intellectueel en sociaal niveau. Ook heeft hij een kort tijdsbestek werkzaamheden verricht. Ondanks zijn beperkingen heeft appellant kunnen functioneren op enig niveau.

5.3. Evenals de rechtbank oordeelt de Raad dat het medisch onderzoek dat ten grondslag ligt aan de weigering van uitkering voldoende zorgvuldig is geweest. In de FML zijn beperkingen vastgesteld ten aanzien van appellants persoonlijk functioneren en sociaal functioneren.

De beoordeling ingevolge de WWB heeft een ander beoordelingskader, waarbij één van de verschillen is dat geen gebruik wordt gemaakt van het CBBS. Appellant heeft daarnaast in hoger beroep geen nieuwe medische gegevens overgelegd die aanleiding geven voor een nader medisch onderzoek. De Raad ziet in de beschikbare gegevens geen aanknopingspunten om te oordelen dat het Uwv onvoldoende rekening heeft gehouden met de bij appellant bestaande beperkingen op de datum in geding.

5.4. Ten aanzien van de arbeidskundige beoordeling is de Raad evenals de rechtbank van oordeel dat de aan de arbeidsongeschiktheidsbeoordeling ten grondslag gelegde functies gelet op de belastbaarheid van appellant geschikt zijn te achten. De mogelijke overschrijdingen van de belastbaarheid van appellant zijn besproken met de bezwaarverzekeringsarts en toegelicht. Er is geen direct contact met collega’s nodig om problemen op te lossen en de problemen zijn praktisch van aard. Er is sprake van taakafbakening en er zijn geen leidinggevende aspecten.

5.5. Uit hetgeen is overwogen in 5.1. tot en met 5.4 volgt dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd zodat het hoger beroep niet slaagt.

6. De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel als voorzitter en C.W.J. Schoor en E.E.V. Lenos, in tegenwoordigheid van K.E. Haan als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 juni 2012.

(get.) J.W. Schuttel.

(get.) K.E. Haan.

ew