Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BW9487

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
27-06-2012
Datum publicatie
28-06-2012
Zaaknummer
10-6220 WSF
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening toelage studiefinanciering als gevolg van een gewijzigde vaststelling van de ouderlijke bijdrage. De Minister heeft de ouderlijke bijdrage in overeenstemming met de voorgeschreven wijze berekend. De enkele niet onderbouwde stelling dat het inkomen van de vader onwaarschijnlijk voorkomt, leidt niet tot een ander oordeel. Voor het ontstaan en het gebruik van herziening van de studiefinanciering is niet van betekenis of appellant kennis had van de onjuistheid van de toekenning of dat appellant een verwijt kan worden gemaakt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/6220 WSF

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Almelo van 6 oktober 2010, 09/1590 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant], te [woonplaats], opgeroepen (appellant)

de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, opgeroepen (Minister).

Datum uitspraak 27 juni 2012.

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M. Tijken, advocaat, hoger beroep ingesteld.

De Minister heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 mei 2012. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Tijken. De Minister heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. P.M.S. Slagter.

OVERWEGINGEN

1. Per 1 januari 2010 is de hoofddirectie van de Informatie Beheer Groep (IB-Groep) in rechte opgevolgd door de Minister. In deze uitspraak wordt onder de Minister tevens verstaan de IB-Groep.

2.1. Appellant is het niet eens met het besluit van 31 juli 2009. Dit betreft een herziening van een door de Minister aan hem toegekende toelage studiefinanciering over 2009 als gevolg van een gewijzigde vaststelling van de ouderlijke bijdrage. Hierdoor is een schuld ontstaan van € 683,27.

2.2. Bij bestreden besluit van 7 september 2009 heeft de Minister het bezwaar tegen deze herziening ongegrond verklaard.

3. De rechtbank is van oordeel dat de Minister de ouderlijke bijdrage in overeenstemming met de in de artikelen 3.9 tot en met 3.13 van de Wet Studiefinanciering 2000 (Wfs 2000) voorgeschreven wijze heeft berekend. Hierbij acht de rechtbank van belang dat de Minister van rechtstreeks van de Belastingsdienst afkomstige inkomensgegevens is uitgegaan. De rechtbank verwijst naar de inkomensverklaring van 30 september 2009, waaruit onder meer volgt dat aan appellants moeder geen alleenstaande ouderkorting is toegekend. Voorts leidt de enkele niet onderbouwde stelling dat het inkomen van de vader onwaarschijnlijk voorkomt, niet tot een ander oordeel. Het verzoek om financiële loskoppeling valt buiten de beoordeling van dit geschil omdat hiervoor een afzonderlijke aanvraag moet worden ingediend. De rechtbank komt dan ook tot het oordeel dat er geen grond is voor het oordeel dat de Minister in redelijkheid geen toepassing heeft kunnen geven aan de bevoegdheid tot herziening van de studiefinanciering en verklaart het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond.

4. In hoger beroep heeft appellant de in eerdere fasen van de procedure naar voor gebrachte gronden en argumenten in essentie herhaald. Met het inkomen van zijn vader dient geen rekening te worden gehouden. Sinds de scheiding van zijn ouders in 2004 heeft hij geen contact meer gehad met zijn vader. Appellant heeft op 6 juni 2011 (opnieuw) een aanvraag bij de Minister ingediend in de zin van artikel 3.14 van de Wsf 2000, voor financiële loskoppeling. Voor het geval wel rekening wordt gehouden met het inkomen van zijn vader moet rekening worden gehouden met het definitief vastgestelde verzamelinkomen van 2007. Appellant verzoekt daarnaast om een peiljaarverlegging in de zin van artikel 3.10 van de Wsf 2000. Zijn vader ontvangt vanaf 11 november 2009 een WW-uitkering en heeft een verzoek ingediend tot nihilstelling van de alimentatie. Dit heeft in 2010 geleid tot een hogere toelage studiefinanciering.

5. In het verweerschrift van de Minister is appellant er op gewezen dat aanvragen ingevolge artikel 3.10 van de Wsf 2000 ingediend dienen te worden bij de Minister en dat het geregistreerde inkomen van de vader over het peiljaar 2007 niet een voorlopige teruggave van het verzamelinkomen betreft maar het door de Belastingsdienst doorgegeven belastbare loon. De vader was niet aangifteplichtig in 2007 zodat geen (definitief) verzamelinkomen is vastgesteld.

6.1. Tijdens de zitting bij de Raad is naar voren gebracht dat het verzoek om financiële loskoppeling ingevolge artikel 3.14 van de Wsf 2000 door de Minister buiten behandeling is gelaten omdat appellant niet in staat was om de benodigde gegevens te overleggen. Daarnaast is gesteld dat appellant geen verzoek voor een peiljaarverlegging bij de Minister heeft ingediend, maar dit alsnog zal doen.

6.2. Omdat het verzoek om financiële loskoppeling en het verzoek om peiljaarverlegging buiten de omvang van dit geding vallen beperkt dit geschil zich tot de vraag of de Minister de toelage studiefinanciering op de voorgeschreven wijze heeft berekend en in redelijkheid toepassing heeft kunnen geven aan de hem op grond van artikel 7.1, tweede lid, aanhef en onder c, van de Wsf 2000 toekomende bevoegdheid tot herziening van de studiefinanciering. Met dit artikelonderdeel is beoogd dat toekenning van studiefinanciering die in strijd met de Wsf 2000 heeft plaatsgevonden wordt teruggedraaid. Naar vaste rechtspraak van de Raad, zoals deze onder meer blijkt uit de uitspraak van 8 juli 2011, LJN BR1083, is voor het ontstaan en het gebruik van deze bevoegdheid niet van betekenis of appellant kennis had van de onjuistheid van de toekenning of dat appellant een verwijt kan worden gemaakt. Met betrekking tot de gronden van appellant in hoger beroep is de Raad van oordeel dat de rechtbank in de aangevallen uitspraak deze gronden afdoende heeft besproken en genoegzaam heeft gemotiveerd waarom deze gronden niet slagen. De Raad onderschrijft de overwegingen van de rechtbank volledig en verwijst hiernaar.

6.3. Uit hetgeen is overwogen in 6.1. en 6.2 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

7. De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door I.M.J. Hilhorst-Hagen, in tegenwoordigheid van H.L. Schoor als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 27 juni 2012.

(get.) I.M.J. Hilhorst-Hagen.

(get.) H.L. Schoor.

JL