Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BW9484

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
27-06-2012
Datum publicatie
28-06-2012
Zaaknummer
11-3480 WW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Terugvordering voorschot. Het beroep op het vertrouwensbeginsel slaagt niet. Het Uwv heeft terecht de inkomsten als zelfstandige van appellant in het half jaar na de einddatum van de startersperiode betrokken bij de berekening van het te verrekenen bedrag met de uitkering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/3480 WW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 4 mei 2011, 10/3931 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

De Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak 27 juni 2012.

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 mei 2012. Appellant is verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R.E.J.P.M. Rutten.

OVERWEGINGEN

1.1 Appellant is met ingang van 1 augustus 2007 in aanmerking gebracht voor een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW). Het Uwv heeft bij besluit van 21 november 2007 appellant toestemming verleend om met behoud van uitkering gedurende de periode van 12 november 2007 tot en met 11 mei 2008 werkzaamheden in de uitoefening van een eigen bedrijf te verrichten. In dat besluit is bepaald dat tijdens deze periode de uitkering van appellant doorloopt en dat op die uitkering 70% van zijn inkomsten als zelfstandige in mindering wordt gebracht. Ten slotte is bepaald dat de uitkering over deze periode als voorschot betaalbaar wordt gesteld. Bij besluit van 9 mei 2008 is de WW-uitkering van appellant met ingang van 21 april 2008 beëindigd.

1.2 Bij besluit van 15 september 2010 heeft het Uwv vastgesteld dat appellant, in verband met zijn inkomsten als zelfstandige, een te hoog voorschot heeft ontvangen en is een bedrag van € 11.429,40 bruto van appellant teruggevorderd. Appellant heeft daartegen bezwaar gemaakt. Bij besluit van 26 oktober 2010 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar ongegrond verklaard. Wel is het terug te vorderen bedrag gewijzigd in € 10.987,10 bruto. In het besluit van 15 september 2010 was abusievelijk een te hoog bedrag genoemd. Daarbij heeft het Uwv weergegeven op welke wijze de inkomsten van appellant als zelfstandige zijn berekend.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellant bestrijdt in hoger beroep niet dat de berekening die van zijn inkomsten is gemaakt, onjuist is. Appellant stelt zich op het standpunt dat hij op basis van de bewoordingen in het besluit van 21 november 2007 in de veronderstelling was dat 70% van de inkomsten als zelfstandige van het eerste half jaar op zijn WW-uitkering in mindering zou worden gebracht, en niet de inkomsten over een periode van 52 weken vanaf de aanvang van de werkzaamheden als zelfstandige. Appellant ging er vanuit dat hij niets hoefde terug te betalen aangezien hij tot 25 augustus 2010 niets meer van het Uwv had gehoord. Volgens appellant mocht hij op basis van de informatie in het besluit van 21 november 2007 erop vertrouwen dat alleen de inkomsten tijdens de startersperiode van een half jaar zouden worden verrekend met zijn WW-uitkering.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.1. Op grond van artikel 77a, eerste lid, van de WW kan het Uwv een werknemer toestemming verlenen om gedurende maximaal 26 kalenderweken werkzaamheden in de uitoefening van een bedrijf of in de zelfstandige uitoefening van een beroep te verrichten. Op grond van het tweede lid blijft voor de werknemer, bedoeld in het eerste lid, het recht op uitkering op grond van hoofdstuk II bestaan.

4.1.2. Op grond van artikel 35aa, eerste lid, van de WW wordt, indien de werknemer toestemming heeft verkregen van het Uwv om werkzaamheden als bedoeld in artikel 77a, eerste lid, van de WW te verrichten, de uitkering verminderd met 70% van de inkomsten uit of in verband met die werkzaamheden. Op grond van het tweede lid kunnen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regels worden gesteld met betrekking tot de inkomsten, bedoeld in het eerste lid, de berekening daarvan en de periode waaraan deze worden toegerekend.

4.1.3. De regels, bedoeld in artikel 35aa, tweede lid, van de WW zijn gesteld bij het Besluit vaststelling inkomsten startende zelfstandigen WW (Staatsblad 2006, 35, Besluit). In artikel 3 van het Besluit is een berekeningsmethode neergelegd waarin onder meer de inkomsten over het aanvangsjaar en de inkomsten over het jaar gelegen na het aanvangsjaar zijn betrokken.

4.2. Appellant verkeerde in de veronderstelling dat slechts 70% van de werkelijke verdiensten in het eerste half jaar van zijn werkzaamheden als zelfstandige op de WW-uitkering in mindering zouden worden gebracht. Uit de letterlijke bewoordingen van het besluit van 21 november 2007 volgt dat echter niet. Weliswaar is in het besluit van 21 november 2007, zoals ook door het Uwv is erkend, niet uitdrukkelijk vermeld welke berekeningsmethodiek wordt gehanteerd, maar daarmee is echter niet door het Uwv een in rechte te honoreren vertrouwen gewekt dat verrekening zou plaatsvinden op de wijze zoals appellant veronderstelde. Dit volgt evenmin uit de verslagen van de gesprekken met de re-integratiecoach van 7 november 2007 en 14 februari 2008. Een dergelijke mededeling is appellant ook niet op een andere wijze schriftelijk gedaan. De periode vanaf de start van de werkzaamheden tot 25 augustus 2010 is niet zo lang dat appellant daaraan een in rechte te honoreren vertrouwen mocht ontlenen dat het Uwv niet meer tot terugvordering over zou gaan. Het beroep op het vertrouwensbeginsel slaagt daarom niet. Het Uwv heeft terecht de inkomsten als zelfstandige van appellant in het half jaar na de einddatum van de startersperiode betrokken bij de berekening van het te verrekenen bedrag met de uitkering.

4.3. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.

5. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door H.G. Rottier, in tegenwoordigheid van G.J. van Gendt als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 27 juni 2012.

(get.) H.G. Rottier

(get.) G.J. van Gendt

TM